Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/3.2
3.2 De start
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie J.E.J. Prins, ‘Name, Shame and Everlasting Blame’, NJB 2009, 119 voor een kritische blik op een specifiek onderdeel van het fenomeen burgeropsporing, te weten het op internet tot in lengte van dagen prijsgeven van privacygevoelige informatie over een verdachte dan wel een veroordeelde.
Zie in het verband van de particuliere rechercheurs A.B. Hoogenboom, ‘Joseph Fouche en de bedrijfsmatig georganiseerde particuliere opsporing’, RM Themis 2002, p. 150- 158.
Zie voor de leidraad de website van de Raad voor de Journalistiek, www.rvdj.nl.
Op grond van art. 23a van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus is elk recherchebureau verplicht een identiek aan de in de bijlage bij die regeling opgenomen gedragscode vast te stellen. Zie Stcrt. 2010, 4863. Deze regeling is laatstelijk op 3 juni 2013 op enkele kleine punten gewijzigd. Zie hiervoor Stcrt. 2013, 14956.
Zoals al aangegeven omvat het begrip particuliere opsporing velerlei soorten burgers die ‘opsporingshandelingen’ verrichten en aldus potentieel strafrechtelijk relevante informatie verzamelen.1 Deze burgers handelen veelal vanuit een eigen perspectief en motief.2 Het primaire doel van een opsporende burger om informatie te verzamelen is vaak niet het verstrekken van informatie aan politie en OM.3 Een onderzoeksjournalist vergaart zijn gegevens bijvoorbeeld in de eerste plaats om een, al dan niet schijnbare, misstand aan te tonen of om de betrokkenheid van een burger bij een strafbaar feit aan het licht te brengen, terwijl particuliere rechercheurs exclusief werken voor de opdrachtgever die hen inhuurt en vanuit dat perspectief hun informatie verzamelen.
Slechts sporadisch bestaat enige ‘regelgeving’ over de informatievergarende methoden die een opsporende burger gerechtigd is in te zetten. In de voor de onderzoeksjournalist relevante en door de Raad voor de Journalistiek (RvdJ) opgestelde leidraad, wordt enigszins ingegaan op de methoden die kunnen worden ingezet om gegevens te verzamelen.4 Aangegeven wordt bijvoorbeeld dat het, als dit nodig is om een onbetwistbare en adequate weergave van het besprokene te kunnen publiceren, een journalist vrijstaat een telefoongesprek op te nemen en is verwoord dat de journalist geen incidenten mag uitlokken met de kennelijke bedoeling nieuws te creëren. Deze laatste bepaling bevindt zich in de sfeer van het strafvorderlijke instigatieverbod. In de op de particuliere recherche van toepassing zijnde privacygedragscode is het nodige uitgewerkt over de informatievergarende methoden die dat soort rechercheurs gerechtigd zijn te gebruiken.5 Het betreden van niet openbare plaatsen met toestemming van de rechthebbende, de observatie en het interviewen van betrokkenen op basis van vrijwilligheid zijn voorbeelden van (door de bedrijfstak zelf) geoorloofd bevonden rechercheactiviteiten.
Op het moment dat de opsporende burger strafrechtelijk relevante informatie aan de politie verstrekt, kan dit leiden tot de start van een strafrechtelijk onderzoek en het toepassen van een dwangmiddel. Deze informatie kan ook in de bewijsvoering worden betrokken. De in de inleiding beschreven vier fasen spelen in dit verband en hierop wordt aanstonds ingegaan.