Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/6.4.4.3
6.4.4.3 Transparantie op grond van het vennootschapsrecht
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS372385:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Aldus OK 3 maart 1999, JOR 1999/87 (Gucci I), r.o. 3.3 en OK 11 maart 1999, JOR 1999/89 m.n. Brink (Breevast), r.o. 4.16.
Kemperink 2002, p. 242.
Zie HR 18 april 2003, JOR 2003/110; OK 17 januari 2007, JOR 2007/42 en HR 9 juli 2010, JOR 2010/228.
Vgl. Sijnja 2010, p. 194.
Voor deze zaken kon dit nog betwijfeld worden, zie Van der Staay 2007, p. 257 met verwijzingen (hoewel die niet evident zijn stelling ondersteunen). Echter, ook daarvoor leek het al communis opinio dat onder het normatieve kader rond beschermingsconstructies geen verschil bestaat tussen aandeelhoudersactivisme en vijandige biedingen, zie in dat verband Schwarz 1999, p. 699-700 en Leijten 2007, p. 162.
Aldus Sijnja 2010, p. 193. Voor Eumedion was dit een van de argumenten tegen invoering van de intentiemeldingsplicht. Dit standpunt werd later overigens niet meer ingenomen in de “brandbrief” van 12 januari 2012, waarmee – samen met VNO NCW en VEUO – een ultieme poging werd gedaan de intentiemelding te blokkeren, <www.eumedion.nl>.
HR 18 april 2003, JOR 2003/110, r.o. 3.7 laatste volzin.
OK 13 mei 2009, JOR 2009/163, r.o. 3.7.
Ook in het vennootschapsrecht bestaan transparantieregels rond de verwerving van omvangrijke deelnemingen. De eerste aanzet daartoe is door de OK eind jaren negentig gegeven met de regel dat de aandeelhouder die een omvangrijk pakket aandelen verwerft, op de voet van art. 2:8 BW gehouden is “opening van zaken” te geven.1 Hieruit wordt afgeleid dat deze aandeelhouder zijn intenties ten aanzien van de vennootschap zal moeten delen met het bestuur.2 Deze lijn is voortgezet in RNA, Stork en ASMI.3 Een van de steeds terugkerende overwegingen is – geparafraseerd weergegeven – dat een bieder/aandeelhouder die zich wenst te bemoeien met het strategische beleid van de vennootschap gehouden is zijn bedoelingen kenbaar te maken en hierover met het bestuur in overleg te treden. Wordt hieraan niet voldaan, dan is de doelvennootschap gerechtigd bescherming in te roepen.4 Uit de zaken Stork en ASMI vloeit voort dat het voorgaande eveneens van toepassing is wanneer meerdere aandeelhouders in gezamenlijk verband een aanzienlijk pakket bezitten of verwerven.5
Of minderheidsaandeelhouders op grond van deze vennootschapsrechtelijke transparantie meer inzicht krijgen in het doel van de samenwerkende partijen is twijfelachtig. De verplichting om overleg te plegen en daarbij intenties openbaar te maken bestaat slechts jegens de doelvennootschap. De strekking van deze verplichting is gelegen in het creëren van een gelijk speelveld voor bestuur en bieder/grootaandeelhouder. Gelet op deze beperkte strekking zou ik menen dat het bestaan van deze vennootschapsrechtelijke transparantieregel onvoldoende reden vormt om af te zien van de eerder genoemde intentiemeldingsplicht, zoals betoogd in de literatuur.6
Slechts als het bestuur van doelvennootschap heeft besloten beschermingsmaatregelen te treffen komt informatieverschaffing aan de overige aandeelhouders in beeld. Zoals volgt uit de RNA-uitspraak van de Hoge Raad moet de toelaatbaarheid van de beschermingsmaatregel immers mede worden beoordeeld aan de hand van het na het creëren van de status quo gevoerde bestuursbeleid waartoe in het bijzonder behoort dat het bestuur van de vennootschap ervoor zorg draagt dat zowel de minderheidsaandeelhouder die de zeggenschap in de onderneming tracht te verkrijgen, als de overige aandeelhouders voldoende geïnformeerd worden over de wederzijdse standpunten.7 In ASMI nam de OK deze formulering over.8