Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/6.4.4.2
6.4.4.2 Transparantie op grond van de Wft
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS372386:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit artikel is per 1 januari 2013 ingevoerd door de Wijzigingswet financiële markten 2013, zie Stb. 2012/678 en 693. Zie over de voorgeschiedenis van deze bepaling Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht 2011 – Advies Voorontwerp Vrijstellingsbesluit, p. 1-2.
In de literatuur was al door verschillende auteurs meer transparantie daaromtrent bepleit, zie onder meer De Vlaam 2006, p, 603; Nieuwe Weme 2004, p. 148-149 en Hijmans van den Bergh/Van Solinge 2000, p. 53.
Voor de Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling ontstaat een meldingsplicht indien hij ofwel het beheer voert over een of meer beleggingsinstellingen die, alleen of gezamenlijk op grond van een daartoe strekkende overeenkomst, controle verkrijgen in een uitgevende instelling (sub a); of op grond van een overeenkomst samenwerkt met een andere beheerder van een beleggingsinstelling en de door hen beheerde beleggingsinstellingen gezamenlijk controle verkrijgen in een uitgevende instelling (sub b).
Zie specifiek § 10.3.6.4 over de verschillende wijze waarop de duur van de samenwerking wordt meegewogen.
Stork-aandeelhouders Centaurus en Paulson meldden wel in september 2006 dat zij samenwerkten, maar volgens Stork was dat al veel langer het geval, zie ook Rb. Amsterdam 16 november 2006, JOR 2007/18 m.nt. Leijten inzake de pogingen om dat via de rechter boven tafel te krijgen. Zie nader daarover § 9.4.4.3.
De Vlaam 2006, p. 604 en “VNU klaagt aandeelhouders aan bij de AFM”, HFD 19 april 2006.
Vgl. Hoff 2011, p. 415-416; Nieuwe Weme/Stevens 2008, p. 232-233 en Doorenbos 2008, p. 884.
Zie voor dit geval ook Hoff 2011, p. 415-416.
Vgl. voor het geval dat samenwerkende hedgefondsen een controlerend belang verwerven Schulten/Niggebrugge 2011, p. 26.
Naar aanleiding van een advies van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code uit 2007 is een wetsvoorstel ingediend dat strekt tot invoering daarvan. In het advies van de Monitoring Commissie van 30 mei 2007 deed de Commissie tevens de aanbeveling daarbij aandacht te besteden aan de wijziging van intenties, “acting in concert” en het meestemmen met aandeelhouders die andere intenties openbaar hebben gemaakt.
Kamerstukken II, 2011/12, 32 014, nr. 24 (amendement Groot).
Ook in Europees verband is gespeeld met het idee, zie het Feedback Statement van de Europese Commissie inzake de herziening van de Transparantierichtlijn van december 2010 (vraag 15). In haar uiteindelijke voorstel voor een gewijzigde Transparantierichtlijn (COM(2011) 683 def.) en de definitieve richtlijn (Richtlijn 2013/50/EU van 22 oktober 2013) is dit niet teruggekeerd, waarschijnlijk omdat uit de consultatie geen overeenstemming bleek over de wenselijkheid hiervan.
Idem Kamerstukken II, 2008/09, 32 014, nr. 3, p. 13.
De bruikbaarheid van deze informatie in het kader van het verplicht bod zou overigens een bijkomstigheid zijn geweest; de formele reden voor invoering van de verplichting tot het melden van intenties is het verbeteren van de dialoog tussen aandeelhouders en vennootschap, zie Voorontwerp, p. 2.
Zie voor het Franse recht art. L 133-7 Code de Commerce jo art. 223-17 Règlement Général AMF.
In de toelichting is verduidelijkt dat een aandeelhouder niet op grond van art. 5:45 Wft hoeft te melden of hij bij de melding van intenties alleen of samen met andere aandeelhouders handelt, zie Kamerstukken II, 2010/11, 32 014, nr. 9, p. 4 en Kamerstukken II, 2010/11, 32 014, nr. 3, p. 13.
Zie het voorgestelde art. 5:43a lid 1.
Zie de toelichting op het Voorontwerp, p. 26.
§ 27a WpHG.
Art. L 133-7 Code de Commerce jo art. 223-17 Règlement Général AMF.
Hieraan bestaat klaarblijkelijk ook behoefte; uit onderzoek naar de werking van de transparantieregels blijkt dat stakeholders deze informatie het belangrijkst vinden, zie Marccus 2009 – Transparency Directive Assessment Report, p. 142.
Rule 13(d)(1)-C Securities and Exchange Act 1934, zie eerder over die meldingsplicht § 6.2.4.
Zie onder meer de reacties van Eumedion, Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht en VEB. Vgl. Klaassen 2008-1, p. 442-443. Opvallend is dat zowel de Commissie Frijns als haar opvolger de Commissie Streppel hebben ontraden de invoering van de intentiemeldingsplicht door te zetten, zie Eumedion 2012 – Brief Frijns, p. 3-4 en Vletter-Van Dort 2011, p. 365. Eveneens opvallend is dat de reacties op het allereerste voorstel van de Commissie Frijns van december 2006 nog overwegend positief waren, zie de reacties <www.corpgov.nl>.
Zie het Feedback Statement van 17 december 2010, p. 25.
Hieronder bespreek ik de belangrijkste transparantieverplichtingen uit de Wft en analyseer ik in hoeverre zij minderheidsaandeelhouders kunnen helpen bij het achterhalen van de bedoelingen van de samenwerkende aandeelhouders.
I. De verplichting tot melding van verwerving van overwegende zeggenschap in onder meer de verplicht bod-regeling
Op grond van de verplicht bod-regeling zelf dient de verkrijging van overwegende zeggenschap openbaar te worden gemaakt, zowel aan het begin van de gratieperiode van art. 5:72 Wft (art. 5:72a Wft1) als na afloop daarvan (art. 5:70 lid 1Wft).2 Indien de samenwerkende aandeelhouders zich aan de wet houden, wordt langs deze weg duidelijk met welk doel zij samenwerken. De aankondiging van een bod of de melding ex art. 5:72a Wft impliceert immers dat zij – in onderling overleg – overwegende zeggenschap hebben verworven. Ervan uitgaande dat partijen die hun samenwerking geheim willen houden en derhalve genoemde melding niet zullen doen, bieden zij minderheidsaandeelhouders weinig houvast. Specifiek voor beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen, zoals hedgefondsen, ontstaat een meldingsplicht indien overwegende zeggenschap wordt verworven (art. 4:37y Wft). Deze regeling kent een acting in concert-regeling (art. 4:37x lid 1 Wft), waarvan het toepassingsbereik overigens niet geheel duidelijk is (vgl. § 1.6.1).3 Ook hier zullen minderheidsaandeelhouders in de praktijk weinig aan hebben, om dezelfde reden als hiervoor genoemd. Ten slotte, afhankelijk van de omstandigheden kan er ook een verplichting bestaan de verwerving van overwegende zeggenschap te melden uit hoofde van de meldingsplicht voor substantiële deelnemingen van Hoofdstuk 5.3 Wft nu bij 30% sprake is van een daar genoemde drempelwaarde (art. 5:38 lid 2 Wft; zie hierna).
II. De meldingsplicht inzake substantiële deelnemingen (art. 5:38 e.v. Wft)
De huidige meldingsplicht inzake substantiële deelnemingen van hoofdstuk 5.3 Wft speelt een beperkte rol bij het bepalen van het doel van de samenwerking. Weliswaar kent ook de meldingsplicht een acting in concert-regel, als gevolg waarvan in ieder geval een melding van het gezamenlijk aantal stemrechten gedaan moet worden (art. 5:45 lid 5 jo art. 5:38 lid 2Wft), maar die regel heeft een toepassingsbereik dat afwijkt van de acting in concert-regel inzake de biedplicht. Aandeelhouderssamenwerking kan in sommige gevallen wel tot een meldingsplicht leiden, maar niet tot een biedplicht, en andersom (§ 1.6.1).4 Zelfs als er wel een meldingsplicht zou ontstaan als gevolg van acting in concert, dan worden minderheidsaandeelhouders daar niet noodzakelijk veel wijzer van. De acting in concert-regel uit de meldingsplicht sluit namelijk niet aan bij het doel van de samenwerking, zoals bij de biedplicht, maar bij het potentiële resultaat van hun onderlinge samenwerking (§ 6.2.2.2). Wederom, ook hier kan overlap bestaan, maar noodzakelijk is dit niet.
Ten slotte, de twijfels over het nut van de transparantieregels lijken te worden bevestigd door de gang van zaken rond VNU en Stork. Beide vennootschappen raakten op enig moment in een discussie verwikkeld met een groep aandeelhouders over de strategische koers. Zeker met de benefit of hindsight, waren in beide zaken vrij sterke aanwijzingen dat partijen samenwerkten;5 desondanks vond men geen gehoor bij de AFM.6
III. De verplichting tot openbaarmaking van koersgevoelige informatie (art. 5:25i lid 2 Wft)
Onder omstandigheden kan aandeelhouderssamenwerking kwalificeren als koersgevoelige informatie zoals bedoeld in de definitie van voorwetenschap van art. 5:53 lid 1 Wft.7 Daarvoor is met name vereist dat er een significante invloed op de beurskoers is. Dat zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen in een scenario waarin een groep hedgefondsen met brede steun van andere aandeelhouders het bestuur onder druk zet om een strategische heroriëntatie te bewerkstelligen.8 Indien inderdaad van koersgevoelige informatie sprake is en de samenwerkende partijen dit niet reeds zelf openbaar hebben gemaakt, kan de doelvennootschap daartoe gehouden zijn op grond van art. 5:25i lid 2 Wft.9
Bij het achterhalen van het doel van de samenwerking speelt de openbaarmaking van koersgevoelige informatie slechts een beperkte rol aangezien het doel van de samenwerking niet gemeld hoeft te worden. Wel kan dit behulpzaam zijn bij de vaststelling of er samengewerkt wordt (§ 9.4).
IV. De intentiemeldingsplicht (ingetrokken)
Een intentiemeldingsplicht zou in beginsel een grotere rol kunnen spelen bij het achterhalen van het doel van de samenwerking.10 In Nederland is voorgesteld om – net als andere landen – een dergelijke verplichting in te voeren, maar dit voorstel heeft niet de eindstreep gehaald.11,12 Op grond van genoemd voorstel zou een verplichting ontstaan voor een ieder die de beschikking verkrijgt over ten minste 3% procent van het kapitaal of de stemmen, te melden of hij bezwaar heeft tegen de strategie van de uitgevende instelling (art. 5:43a lid 1-voorstel). Daarnaast zou een meldingsplicht ontstaan bij wijzigingen in het standpunt ten aanzien van de strategie (art. 5:43a lid 3-voorstel). Beide meldingsplichten zagen ook op acting in concert-situaties; art. 5:45 lid 5 Wft was onverkort van toepassing volgens de toelichting.13
Een intentiemeldingsplicht zou bij kunnen dragen aan het bepalen van het doel van de samenwerking in het kader van de biedplicht.14 Maar, deze zou dan wel ten minste ook moeten gelden voor samenwerkende aandeelhouders, net zoals in andere landen15.16 Bovendien zou de meldingsplicht verder moeten gaan dan het enkel melden of de strategie van het bestuur gesteund wordt of niet, zoals in de laatste versie voordat zij geheel geschrapt werd.17 Oorspronkelijk was de bedoeling dat gegevens zouden worden verstrekt over voornemens tot verdere uitbreiding van zeggenschap, tot gebruikmaking van (eventuele) rechten tot ontslag en benoeming van bestuurders en commissarissen en tot actieve beïnvloeding van de strategie van de onderneming, bijvoorbeeld door uitoefening van rechten zoals geregeld in art. 2:107a BW.18 Ter vergelijking: in Duitsland19 en Frankrijk20 is de intentie om de controle te verwerven een van de intenties die aandeelhouders moeten melden.21 In de VS dient een aandeelhouder die direct of indirect meer dan 5% van een klasse aandelen bezit binnen 10 dagen bij de SEC te melden of hij van plan is invloed in de vennootschap uit te oefenen.22
Hoewel een dergelijke intentiemeldingsplicht minderheidsaandeelhouders zou helpen bij het achterhalen van de bedoelingen van samenwerkende aandeelhouders, lijkt het onwaarschijnlijk dat deze ooit ingevoerd zal worden. Uit de reacties op het consultatiedocument en in de literatuur blijkt breed gedragen scepsis te bestaan ten aanzien van het nut en vooral de handhaafbaarheid van de voorgestelde regeling.23 Soortgelijke bezwaren zijn geuit in het kader van de consultatievraag of een dergelijke verplichting in de te wijzigen Transparantierichtlijn zou moeten worden opgenomen.24 Uiteindelijk is ook op Europees niveau besloten om dit niet op te nemen (zie eerder).