Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/3.2.3
3.2.3 Persoonlijke aansprakelijkheid voor de gevolgen van het wanbeleid
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS467950:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 juni 1997,NJ 1997, 671 (Text Lite Holding, m.nt. Maeijer).
OK 9 juli 1998,JOR 1998, 122, r.o. 7.2 (Levensverzekering Maatschappij Vie d’Or, m.nt. Janssen).
HR 17 mei 1989,NJ 1993, 206, r.o. 3.7 (Van den Berg II).
Vergelijk ook Maeijer in zijn noot in NJ 1981, 547 (onder HR 18 juni 1980): een ‘eventueel vastgestelde verwijtbaarheid’ kan wel een rol spelen bij de keuze van de ingevolge art. 2: 356 BW.te treffen voorzieningen.
Vergelijk ook de conclusie van A-G Verburg (overweging 8) bij HR 17 mei 1989,NJ 1993, 206 (Van den Berg II).
OK 17 december 2007, ARO 2008, 10 (De Hasker Appelhof Holding).
49. Text Lite Holding; Van den Berg II. Verzoekers tot cassatie in de procedure inzake Text Lite Holding hebben niet alleen geageerd tegen de vernietiging door de Ondernemingskamer van dechargebesluiten. Zij hebben eveneens aangevoerd dat de Ondernemingskamer niet bevoegd is een oordeel te geven over de verantwoordelijkheid van de individuele commissarissen voor het geconstateerde wanbeleid, omdat uit de samenhang van art. 2: 345 en art. 2: 355 BW volgt dat een onderzoeker wordt benoemd om een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon en niet om het doen en nalaten van een natuurlijke persoon na te gaan, en dat het dan ook niet aangaat dat de Ondernemingskamer een belastend oordeel geeft over het functioneren en de taakuitoefening van de personen die de organen van de rechtspersoon bemannen. De Hoge Raad oordeelt dat ook deze cassatiemiddelen falen.1 Hij overweegt daartoe, onder verwijzing naar de beschikking inzake OGEM Holding, dat tot de doeleinden van de enquête onder meer behoren opening van zaken en de vaststelling van de verantwoordelijkheid voor mogelijk blijkend wanbeleid. Hoewel hierbij in de eerste plaats moet worden gedacht aan de verantwoordelijkheid van de onderscheiden organen, zal bij een zodanig onderzoek de beoordeling van de verantwoordelijkheid van een orgaan niet altijd los gezien kunnen worden van de individuele verantwoordelijkheid van de personen, die het orgaan uitmaken: ‘In zijn algemeenheid kan dan ook niet gezegd worden dat een enquête zich niet kan uitstrekken tot een onderzoek naar het functioneren van de personen die de rechtspersoon doen optreden.’ (rechtsoverweging 4.1.1). Het voorgaande speelt met name indien verzoeken tot het treffen van voorzieningen op de voet van art. 2: 356 BW en/of tot kostenverhaal (art. 2: 354 BW) zijn ingediend. De Ondernemingskamer zal de uitoefening van deze bevoegdheden moeten motiveren, hetgeen meebrengt dat zij, naar omstandigheden, zal moeten oordelen over het functioneren van individuele bestuurders en commissarissen (rechtsoverweging 4.1.2): ‘Het oordeel van de Ondernemingskamer dat verzoekers tot cassatie op bepaalde punten verantwoordelijk waren voor het geconstateerde wanbeleid, moet in dat licht worden gezien. Anders dan de middelonderdelen impliciet betogen, c.q. direct stellen, heeft de Ondernemingskamer daarmee niet een oordeel gegeven over de persoonlijke aansprakelijkheid van de verzoekers voor de gevolgen van het geconstateerde wanbeleid, welk oordeel overigens buiten de bevoegdheid van de Ondernemingskamer zou vallen.’ (rechtsoverweging 4.1.3)
Ik kom over de boven weergegeven overwegingen verder te spreken in hoofdstuk 6. Ik volsta thans met te vermelden dat in de beleving van de Ondernemingskamer wel een nauwe relatie bestaat tussen de individuele verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, getuige haar beslissing in de beschikking inzake Vie d’Or: ‘De vordering van de procureur-generaal tot het (...) geven van een afzonderlijk declaratoir omtrent de verantwoordelijkheid van de personen die daarin functies hebben bekleed (...), gaat het bestek van de enquêteprocedure echter te buiten en is daarom niet ontvankelijk. Voorzover met een dergelijke vordering beoogd wordt, de aansprakelijkheid van de betrokken functionarissen vast te doen stellen, is daarvoor de gewone civiele procedure de aangewezen weg.’2 Deze overweging is in overeenstemming met die van de Hoge Raad in zijn beschikking van 17 mei 1989 inzake Van den Berg: ‘De in art. 2: 344 e.v. neergelegde regeling strekt ertoe te voorzien in de mogelijkheid om door tussenkomst van de rechter te geraken tot beëindiging van geconstateerd wanbeleid, niet echter om door de rechter te doen vaststellen aan wiens schuld dat wanbeleid is te wijten.’3 Ik begrijp deze overweging – mede in het licht van de door de Hoge Raad gegeven overwegingen in Text Lite Holding –aldus, dat de Ondernemingskamer individuele verantwoordelijkheden mag vaststellen indien dit nodig is ter beantwoording van de vraag welke voorzieningen getroffen moeten worden4, maar dat een dergelijke verklaring voor recht geen doel op zich mag zijn.5 Des te opmerkelijker is dan ook dat de Ondernemingskamer in de beschikking inzake De Hasker Appelhof Holding in het dictum wel voor recht verklaart dat een viertal (rechts)personen verantwoordelijk is voor het wanbeleid.6