Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/4
Hoofdstuk 4 Verschillende manieren waarop de inflatie uit de koers kan lopen
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655952:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ook Thorsen, Kaplan en Hakala onderscheiden verschillende scenario’s voor het uit de koers lopen van de koersinflatie, zie Thorsen, Kaplan & Hakala 2006, p. 101-109. In dit hoofdstuk (en in het vervolg van dit onderzoek) kies ik voor de verschillende scenario’s voor een enigszins andere onderverdeling dan de laatstgenoemde auteurs. De reden hiervoor is dat ik de door hen gemaakte onderverdeling minder helder en minder consistent vind.
Het is natuurlijk ook geenszins uitgesloten dat de inflatie uit de koers loopt via een combinatie van de verschillende scenario’s (en/of de verschillende subcategorieën), maar dat laat ik hier verder buiten beschouwing.
Vgl. Fry 2008, p. 66.
Met name in de situatie waarin de misleiding via een klokkenluider naar buiten komt, hoeft het niet zo te zijn dat de misleiding in één keer volledig bekend wordt. Vaak zullen na de eerste berichtgeving nog additionele corrigerende mededelingen volgen.
Met ‘netto-kasstromen’ bedoel ik de inkomsten minus de uitgaven.
Zie voor dit voorbeeld Nieuwe Weme & Stevens 2008, p. 263. Het voorbeeld komt niet terug in de bijdrage van T.M. Stevens in de derde druk van het Handboek Marktmisbruik 2018.
Het is uiteraard ook mogelijk dat de (omvang van de) misleiding/fraude op het moment van de eerste corrigerende mededeling wordt overschat. In dat geval zal in eerste instantie sprake zijn van een hevige koersdaling, maar zal in reactie op de latere corrigerende mededelingen een koersstijging worden geobserveerd.
Zie over deze theorie Murdock 2015, p. 568-569; Fry 2008, p. 46 en p. 66-68; Ferrell & Saha 2007, p. 172-174; Thorsen, Kaplan & Hakala 2006, p. 102-103; Fox 2005a, p. 522-523 en Fox 2005b, p. 1557; Coughlin, Isaacson & Daley 2005, p. 21-27; Eisenhofer, Jarvis & Banko 2004, p. 1441-1445. Zie in dit verband ook de Amerikaanse uitspraken Massachusetts Retirement Systems v. CVS Caremark Corp., 716 F.3d 229, 240-242 (1st Cir. 2013); In re Vivendi, S.A. Securities Litigation, 838 F.3d 223, 257 and 261-263 (2d Cir. 2016); Alaska Electrical v. Flowserve, 572 F.3d 221, 229-231 (5th Cir. 2009); Spitzberg v. Houston American Energy Corp., 758 F.3d 676, 688-689 (5th Cir. 2014); Mineworkers’ Pension Scheme v. First Solar Inc., 881 F.3d 750, 754 (9th Cir. 2018); In re Daou Systems, Inc., Securities Litigation, 411 F.3d 1006, 1026-1027 (9th Cir. 2005); Huberman v. Tag-It Pacific Inc., 314 Fed. Appx. 59, 61-62 (9th Cir. 2009); In re Williams Securities Litigation, 558 F.3d 1130, 1138-1139 (10th Cir. 2009); In re Scientific Atlanta, Inc. Securities Litigation, 754 F.Supp.2d 1339, 1368-1370 (N.D. Ga. 2010); In re Vivendi Universal, S.A. Securities Litigation, 634 F.Supp.2d 352, 363-364 (S.D.N.Y. 2009); In re Motorola Securities Litigation, 505 F.Supp.2d 501, 542-544 (N.D. Ill. 2007).
Vgl. Coughlin, Isaacson & Daley 2005, p. 22-23.
Ook in dit scenario hoeft het uiteraard niet noodzakelijkerwijs zo te zijn dat de ware financiële toestand van de vennootschap door middel van één enkele corrigerende mededeling (plotseling) bekend wordt en is het wederom goed denkbaar dat – in plaats daarvan – de koersinflatie door middel van verschillende opeenvolgende corrigerende mededelingen (geleidelijk of gefaseerd) bekend wordt. De koersinflatie zal in dat geval – in plaats van in één keer – geleidelijk of gefaseerd uit de koers lopen. Zie in dit verband onder meer de Amerikaanse uitspraken Singer v. Reali, 883 F.3d 425, 446 (4th Cir. 2018); Katyle v. Penn National Gaming, Inc., 637 F.3d 462, 472 (4th Cir. 2011); Lormand v. US Unwired, Inc., 565 F.3d 228, 261 (5th Cir. 2009); In re Williams Securities Litigation, 558 F.3d 1130, 1138 (10th Cir. 2009); Meyer v. Greene, 710 F.3d 1189, 1197 (11th Cir. 2013).
Zie over dit scenario in de literatuur Bruegger & Dunbar 2009, p. 41; Fry 2008, p. 75; Dunbar & Mayer 2006, p. 17; Coughlin, Isaacson & Daley 2005, p. 23-25; Eisenhofer, Jarvis & Banko 2004, p. 1443.
Voor een heldere beschrijving van het scenario ‘uitdoven’ van de koersinflatie in de Amerikaanse rechtspraak wijs ik op de uitspraak Gusinsky v. Barclays PLC, 944 F.Supp.2d 279, 292 (S.D.N.Y. 2013). Wel moet ik hierbij aantekenen dat deze uitspraak in hoger beroep gedeeltelijk is vernietigd, zie Carpenters Pension Trust Fund of St. Louis v. Barclays PLC, 750 F.3d 227, 234-235 (2d Cir. 2014). Het oordeel van de appelrechter kwam er kort gezegd op neer dat de District Court ten onrechte had geconcludeerd dat de eisende beleggers niet hadden voldaan aan hun stelplicht ten aanzien van het vereiste van loss causation.
Zie voor deze terminologie onder meer Dunbar & Mayer 2006, p. 17. Ook wijs ik op de volgende opmerking van Justice Breyer tijdens de mondelinge behandeling van de zaak Dura Pharmaceuticals Inc. v. Broudo, 544 U.S. 336 (2005): ‘(…) inflation might come out in many different ways, not simply an announcement “I’m a liar.” (…) inflation could ooze out as earning reports come in, but it has to come out.’, zie Transcript of Record at 38–39, Dura Pharmaceuticals Inc. v. Broudo, 125 S. Ct. 1627 (No. 03-932).
Ik wijs erop dat Franx in zijn dissertatie ervan lijkt uit te gaan dat in de situatie waarin het publiceren van een prospectus met daarin te positieve winstcijfers over het laatste volledige kwartaal voorafgaand aan de beursgang en/of emissie, enkele maanden later wordt gevolgd door publicatie van de juiste winstcijfers over het eerst aflopende kwartaal na de beursgang en/of emissie, de laatstgenoemde publicatie per definitie tot gevolg heeft dat alle koersinflatie daarmee in één keer verdwijnt, zie Franx 2017, p. 246-247. Mijns inziens ziet Franx hier over het hoofd dat in het scenario waarin er geen officiële corrigerende mededeling plaatsvindt, het in de praktijk goed mogelijk is dat na de eerste publicatie van juiste cijfers nog steeds koersinflatie resteert en er nog één of meer kwartalen met juiste cijfers overheen moeten gaan, alvorens alle koersinflatie is verdwenen.
Zie over het mechanisme van walking down the stock price onder meer Coughlin, Isaacson & Daley 2005, p. 26-27; Eisenhofer, Jarvis & Banko 2004, p. 1443; Fox 2005a, p. 522-523 en Fox 2005b, p. 1557. Zie in dit verband ook het door de deskundige van de beleggers beschreven eerste scenario in de Amerikaanse uitspraak In re Williams Securities Litigation, 558 F.3d 1130, 1138 (10th Cir. 2009).
Ik benadruk dat dit verweer naar mijn oordeel niet moet worden gehonoreerd. Ik verwijs naar mijn betoog in § 8.4.2.5 en mijn analyse in § 9.4.2.4 sub c.
Zie in dit verband Eisenhofer, Jarvis & Banko 2004, p. 1443-1444 en het voorbeeld van Tabak 2012a, p. 2.
Zie over het geleidelijk uit de koers lopen van de koersinflatie onder meer Coughlin, Isaacson & Daley 2005, p. 23-25; Fox 2005a, p. 522-523 en Fox 2005b, p. 1557.
Zie over het begrip ‘lek(ken)’ in de Nederlandse rechtspraak het arrest Hof Amsterdam 11 november 2014, JOR 2015, 71 (Stichting Procedure SdB/VEB) m.nt. G.T.J. Hoff. De door het hof opgenomen fragmenten uit de twee deskundigenberichten (zie r.o. 2.5 respectievelijk r.o. 2.6) bevatten onder meer passages waarin de (onafhankelijke) deskundigen een omschrijving van dit begrip (proberen te) geven.
In dit verband kan onder meer worden gedacht aan het bekend worden van de debiteurenproblemen bij beursfonds Imtech op haar Duitse afzetmarkt in februari 2013. Een analist van ABN Amro, Teun Teeuwisse, wist deze problemen op eigen kracht op te sporen op een moment dat Imtech er zelf nog niet mee naar buiten wilde of kon treden. Zie in verband met dit scenario ook de Amerikaanse uitspraken Norfolk County Retirement System v. Community Health Systems, Inc., 877 F.3d 687, 694-697 (6th Cir. 2017); Glickenhaus & Co. v. Household International, Inc., 787 F.3d 408, 422-423 (7th Cir. 2015); Schleicher v. Wendt, 618 F.3d 679, 686-687 (7th Cir. 2010); Silversman v. Motorola, Inc., 259 F.R.D. 163, 171 (N.D. Ill. 2009).
Zie hierover de concurring opinion van judge Sneed in de zaak Green v. Occidental Petroleum Corp., 541 F.2d 891 (9th Cir. 1976).
Procentueel gezien zal de daling van het zuivere gedeelte van de koers gelijk zijn aan de daling van het onzuivere gedeelte.
Zie over het scenario van het wijzigen van de inhoud van de misleidende informatie uitgebreid § 7.2.
De EPS is niets anders dan een maatstaf voor de winstgevendheid van een bedrijf. Kort gezegd wordt zij berekend door de totale winst te delen op het totaal aantal uitstaande aandelen. Beursvennootschappen nemen in de regel – al naar gelang de wijze waarop de (totale) winst wordt gerapporteerd – verschillende EPS-maatstaven op in hun jaarrekening.
Aangezien in dit voorbeeld van externe ontwikkelingen wordt geabstraheerd, hoeft het op zichzelf niet onrealistisch te zijn dat de EPS gedurende drie periodes constant (€ 1,00) blijven.
Zie voor een introductie over het gebruik van multiples bij het waarderen van aandelen of bedrijven onder meer CFA Institute, Corporate Finance and Equity (CFA Program Curriculum 2020, Level I, Volume 4), Reading 41; CFA Institute, Equity (CFA Program Curriculum 2020, Level II, Volume 4), Reading 29; Brealey, Myers & Allen 2014, p. 78-80; Hillier, Grinblatt & Titman 2012, 414-420.
Wanneer een bepaald aandeel (of een bepaald project) aan de hand van de P/E-ratio wordt gewaardeerd, kan deze ratio worden verkregen door te kijken naar de P/E-ratio’s van met het te waarderen aandeel (of het te waarderen project) vergelijkbare aandelen (vergelijkbare projecten) afkomstig uit dezelfde sector.
Wederom geldt dat aangezien van externe ontwikkelingen wordt geabstraheerd, het op zichzelf niet onrealistisch hoeft te zijn dat de EPS – na een eenmalige terugval – constant blijven op een niveau van € 0,80.
Een aandelenkoers die als gevolg van misleidende informatie is geїnflateerd, zal op een zeker moment weer terugkeren naar haar oorspronkelijke zuivere niveau. De wijze waarop dit gebeurt, ligt doorgaans een paar slagen ingewikkelder dan een enkele corrigerende mededeling die er (via een significante koersreactie) voor zorgt dat alle koersinflatie in één keer uit de koers loopt. Niet zelden zal de koersinflatie op een voor de buitenwereld minder kenbare manier uit de koers lopen. Grosso modo zijn in dit verband mijns inziens zes scenario’s te onderscheiden. Binnen deze zes scenario’s bestaan ook weer verschillende subcategorieën. De zes scenario’s en bijbehorende subcategorieën zal ik in dit hoofdstuk bespreken.1 Voor het vervolg van het onderzoek is het van belang de verschillende scenario’s (en de verschillende subcategorieën) te herkennen en te onderscheiden, aangezien de exacte wijze waarop de koersinflatie in concreto uit de koers loopt van belang kan zijn zowel voor de wijze waarop (in een latere aansprakelijkheidsprocedure) de schade wordt vastgesteld, als voor de mate waarin deze aan de aansprakelijke partij kan worden toegerekend.2
Scenario 1: Koersinflatie loopt uit de koers als gevolg van expliciete corrigerende mededeling
Het meest voor de hand liggende scenario is het scenario waarin de vennootschap op eigen initiatief naar buiten treedt en expliciet kenbaar maakt in het verleden (bijvoorbeeld als gevolg van een interne boekhoudfraude) een misleidende voorstelling van zaken te hebben gegeven. Zo’n expliciete bekendmaking zal doorgaans een heftige koersreactie uitlokken, waarmee de koersinflatie grotendeels zal verdwijnen. Een variant van dit scenario is het scenario waarin de vennootschap niet zelf met de misleiding naar buiten treedt, maar waarin een externe partij dat voor haar doet.3 Gedacht kan worden aan een klokkenluider die uit de school klapt en daarmee de fraude ontmaskert of aan de toezichthouder die de resultaten van een onderzoek publiceert waardoor de misleiding aan het licht komt. Ook dergelijke berichten hebben meestal een significante koersdaling tot gevolg.4
Scenario 2: Koersinflatie loopt uit de koers als gevolg van ‘neutrale’ corrigerende mededeling
De misleiding kan uiteraard ook op een minder expliciete manier naar buiten komen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de vennootschap met de mededeling naar buiten treedt dat eerdere (half)jaarrekeningen moeten worden herzien, zonder dat zij daarbij vermeldt (of daaraan de conclusie verbindt) dat het beleggende publiek in het verleden misleidend – dat wil zeggen in materieel opzicht onjuist en/of onvolledig – is voorgelicht. In plaats van expliciet uiteen te zetten op welke wijze de onjuiste en/of onvolledige verslaggeving de resultaten en/of netto-kasstromen5 hebben beïnvloed, zal de vennootschap eerder geneigd zijn het belang van de ‘restatements’ te bagatelliseren. Ook een dergelijke (meer) impliciete wijze van bekendwording van de misleiding zal doorgaans resulteren in een significante koersreactie, waarmee de koersinflatie grotendeels zal verdwijnen. En voor zover de markt de impliciete corrigerende mededeling niet meteen op waarde kan schatten (en de koersinflatie niet meteen verdwijnt), zullen het meestal de analisten, arbitrageurs of andere professionele beleggers zijn die door de mededeling worden gealarmeerd en de misleiding vervolgens vrij snel zullen doorzien. Zij zullen hier vervolgens op gaan handelen (of anderen ertoe aanzetten hierop te gaan handelen), waarna de inflatie alsnog op korte termijn uit de koers zal lopen.
Overigens hoeft het in de bovengenoemde twee scenario’s natuurlijk niet noodzakelijkerwijs zo te zijn dat de misleiding door middel van één enkele mededeling bekend wordt gemaakt. Zo komt het in de praktijk nogal eens voor dat de misleiding – in plaats van via één enkele mededeling – via verschillende opeenvolgende corrigerende mededelingen (afkomstig van de vennootschap en/of externe partijen) stapsgewijs naar buiten komt en de inflatie daardoor stapsgewijs of gefaseerd uit de koers loopt. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de vennootschap een persbericht publiceert met de mededeling dat in het verleden misleidende informatie is verstrekt, maar dat vooralsnog niet bekend is wat de exacte omvang van de misleiding/fraude is.6 Wordt de (omvang van de) misleiding/fraude in eerste instantie onderschat en blijkt deze later omvangrijker te zijn dan aanvankelijk werd gedacht, dan zullen in reactie op de latere corrigerende mededelingen additionele koersreacties worden geobserveerd.7
Scenario 3: ‘True financial condition theory’
De derde manier waarop de koersinflatie uit de koers kan lopen staat (in het Amerikaanse recht) bekend als de ‘true financial condition theory’.8 Dit mechanisme houdt in dat de vennootschap, nadat zij eerst gedurende een bepaalde periode misleidende informatie heeft gepubliceerd (of door het achterhouden van relevante informatie een misleidend beeld heeft gecreëerd), op een zeker moment weer juiste en volledige informatie gaat publiceren waarmee de ware financiële toestand van de vennootschap bekend wordt, maar waarbij de desbetreffende publicatie niet het karakter draagt van een officiële corrigerende mededeling. Hoewel de eerdere misleidende informatie niet expliciet wordt gecorrigeerd, zal het bekend worden van de ware financiële toestand van de vennootschap niettemin tot gevolg hebben dat de toekomstverwachtingen ten aanzien van de vennootschap niet langer op de misleidende informatie worden gebaseerd. In plaats daarvan zullen deze verwachtingen voortaan op de nieuwe (en correcte) informatie worden gebaseerd. Voor zover dus de misleiding tot gevolg had dat de toekomstverwachtingen (en daarmee de verwachte toekomstige netto-kasstromen) door de markt te rooskleurig werden ingeschat, zal het bekend worden van de ware financiële toestand ervoor zorgen dat deze toekomstverwachtingen weer (in correcte zin) worden bijgesteld. De koersinflatie die zich aanvankelijk als gevolg van de misleidende informatie had gevormd, zal hierdoor uit de koers lopen.
Binnen het mechanisme van de true financial condition theory kunnen weer verschillende (sub)scenario’s worden onderscheiden. Het meest eenvoudige scenario is het scenario dat de vennootschap een winstwaarschuwing publiceert waarin zij kenbaar maakt dat de resultaten voor de komende verslaggevingsperiode(s) zullen achterblijven ten opzichte van eerdere (recente) periodes, maar waarin zij niet vermeldt dat de resultaten over deze eerdere periodes verkeerd zijn gerapporteerd. Zo’n winstwaarschuwing zal erin resulteren dat de toekomstverwachtingen in neerwaartse zin worden bijgesteld, met als gevolg dat de koers daalt.9 Ondanks het stilzwijgen op dit punt van de vennootschap, zullen in de markt doorgaans meteen vragen rijzen over de juistheid en volledigheid van de in het verleden gepubliceerde resultaten. Hoe is het immers mogelijk dat de winstgevendheid van de vennootschap van de één op de andere dag fors moet worden bijgesteld, zonder dat de markt hierover in een eerder stadium op enigerlei wijze werd gealarmeerd? Dankzij het werk van analisten, arbitrageurs of andere professionele beleggers zal dan meestal al vrij snel duidelijk worden dat het beleggende publiek in het verleden verkeerd is voorgelicht en dat de koersdaling die op het moment van de publicatie van de winstwaarschuwing werd geobserveerd het geheel of gedeeltelijk verdampen van de koersinflatie weerspiegelt.10
Een ander scenario dat onder de true financial condition theory kan worden geschaard, is het scenario dat ik zou willen omschrijven als het ‘uitdoven’ van de koersinflatie vanwege het bekend worden van de ware financiële toestand vennootschap.11,12 In het Amerikaanse recht staat deze figuur bekend als ‘the inflation ages out of the security price’ of ‘the inflation oozes out of the security’.13 Dit scenario doet zich voor wanneer de vennootschap, na gedurende een bepaalde periode de resultaten te rooskleurig te hebben voorgesteld, op een gegeven moment weer correcte resultaten is gaan publiceren, zonder daar een expliciete winstwaarschuwing aan vooraf te hebben laten gaan. Als er sindsdien verschillende periodes zijn verstreken waarover de vennootschap weer correcte winstcijfers heeft gepubliceerd, hebben voor de huidige aandelenkoers de misleidende cijfers inmiddels hun relevantie verloren. De verklaring hiervoor is dat de huidige aandelenkoers wordt bepaald door de verwachte toekomstige netto-kasstromen. Deze toekomstige kasstromen worden op hun beurt geschat aan de hand van de kasstromen (en dus winstcijfers) uit het verleden. Hoe verder deze historische kasstromen in het verleden liggen, hoe minder voorspellende waarde ze hebben voor de toekomst en dus hoe minder relevant ze zijn voor de huidige aandelenkoers. Dit betekent dat wanneer er sinds de misleiding over verschillende periodes weer juiste winstcijfers zijn gepubliceerd, de door de misleidende cijfers veroorzaakte koersinflatie inmiddels uit de koers is gelopen.14 De koersinflatie is met andere woorden ‘uitgedoofd’. Het bijzondere van dit scenario is, dat het goed mogelijk is dat de koersinflatie uit de koers loopt, zonder dat de markt zich dat (direct) realiseert en dus zonder dat zij zich (direct) realiseert in het verleden op het verkeerde been te zijn gezet. Dit laatste zal zich met name voordoen wanneer de – vanwege het bekend worden van de ware financiële toestand – (relatief) slechte resultaten worden gemaskeerd door een incidentele meevaller of door conjuncturele factoren die positief blijken uit te pakken. In dergelijke gevallen zal er doorgaans analistenonderzoek voor nodig zijn om de tegenvallende resultaten te ‘ontmaskeren’. Ter illustratie geef ik van het scenario ‘uitdoven’ van de koersinflatie in de Appendix bij dit hoofdstuk een getallenvoorbeeld.
In het kader van de true financial condition theory wijs ik verder nog op het scenario dat (in het Amerikaanse recht) bekend staat als ‘walking down the stock price’.15 Dit mechanisme houdt in dat de vennootschap stapje voor stapje informatie publiceert waaruit het beleggende publiek (althans, het professionele deel daarvan) kan afleiden dat de huidige beurskoers te hoog is. Arbitrageurs en andere professionele beleggers zullen op deze nieuw verkregen informatie gaan handelen, met als gevolg dat de koersinflatie geleidelijk afneemt. Als na verloop van tijd de koersinflatie uit de koers is gelopen, zal de vennootschap een publieke mededeling doen waarmee de eerdere misleiding wordt gecorrigeerd. De koers zal dan niet of nauwelijks meer reageren. Wordt de vennootschap vervolgens in rechte aangesproken wegens misleiding van het beleggende publiek, dan zal zij zich kunnen verweren met de stelling dat omdat de corrigerende mededeling niet resulteerde in een koersreactie, de beweerdelijke misleiding niet van materieel belang was.16
Tot slot wijs ik er nog op dat wanneer in het hiervoor beschreven scenario van het ‘uitdoven’ van de koersinflatie de vennootschap ervoor zou kiezen om geleidelijk aan correcte winstcijfers te gaan publiceren (in plaats dat van de één op de andere verslaggevingsperiode te gaan doen), men ook zou kunnen spreken van ‘walking down the stock price’.17 Zo zou in het in de Appendix gegeven voorbeeld de vennootschap er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om de gerapporteerde earnings per share over een tijdvak van vier (verslaggevings)periodes – met stappen van steeds € 0,05 – af te bouwen van € 1 naar € 0,80. Het zojuist beschreven probleem van het (aanvankelijk) onopgemerkt voorbij gaan van (het bekend worden) de misleiding en (het verdampen van) de koersinflatie, zal zich in zo’n geval in geprononceerde mate voordoen.
Scenario 4: Koersinflatie neemt geleidelijk af vanwege een lek of vanwege het door de markt zelf ‘ontdekken’ van de misleiding
Naast het scenario van walking down the stock price zijn ook nog andere scenario’s denkbaar waarvoor geldt dat de misleiding geleidelijk bekend wordt en de koersinflatie geleidelijk uit de koers loopt.18 Denk in dit verband bijvoorbeeld aan de situatie waarin de misleiding als gevolg van het lekken door insiders stapje voor stapje aan het licht komt.19 Dit lekken zal meestal gepaard gaan met handel met voorkennis en/of geruchtenvorming, met als gevolg dat de koersinflatie geleidelijk verdwijnt. De misleiding kan echter ook geleidelijk aan het licht komen zonder dat er door insiders wordt gelekt. Denk bijvoorbeeld aan het scenario waarin dankzij het werk van analisten, arbitrageurs of andere professionele beleggers de markt na verloop van tijd op eigen kracht achter de ware toestand van de vennootschap komt.20 De transacties van diezelfde arbitrageurs of andere professionele beleggers zorgen er dan voor dat de koersinflatie geleidelijk uit de koers loopt.
Scenario 5: Koersinflatie neemt af doordat de marktwaarde van de misleidende informatie afneemt
De koersinflatie kan ook geheel of gedeeltelijk uit de koers lopen doordat onder invloed van externe factoren de marktwaarde van de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding afneemt. Het bijzondere van dit scenario is dat de koersinflatie gaandeweg geheel of gedeeltelijk verdwijnt, zonder dat iets over de misleiding bekend wordt en/of zonder dat de misleidende informatie qua inhoud of samenstelling verandert. Een bekend voorbeeld van dit scenario is de oliemaatschappij die haar (bewezen) voorraad oliereserves te gunstig heeft voorgesteld. Als gevolg van de te rooskleurig voorgestelde (omvang van de) oliereserves, zal de beurskoers van het desbetreffende aandeel zijn geïnflateerd. Wanneer vervolgens de olieprijs wereldwijd daalt, zal de marktwaarde van de te gunstig voorgestelde reserves hierdoor afnemen en daarmee dus ook de koersinflatie.21 Analytisch kan men zich dit voorstellen door de aandelenkoers uit te splitsen in enerzijds een zuiver gedeelte (de marktwaarde van het aandeel zonder misleiding) en anderzijds een onzuiver gedeelte (de kunstmatige inflatie als gevolg van de misleiding). Het dalen van de olieprijs zal tot gevolg hebben dat zowel het zuivere gedeelte van de koers als het onzuivere gedeelte in omvang afneemt en het is de laatstgenoemde afname die het gedeeltelijk uit de koers lopen van de koersinflatie weerspiegelt.22
Een ander voorbeeld is de vennootschap die over een bepaalde technologie beschikt waarvan zij de verwachte opbrengsten te rooskleurig heeft voorgespiegeld. Als gevolg van deze te rooskleurige voorstelling zal haar beurskoers zijn geïnflateerd. Wanneer vervolgens – doch voordat de misleiding naar buiten komt – plotseling bekend wordt dat een con current een veel geavanceerdere technologie heeft uitgevonden, heeft dat tot gevolg dat de bestaande technologie van de eerdergenoemde vennootschap van de één op de andere dag veel minder waard is. De reeds bij voorbaat in de koers ingeprijsde opbrengsten blijken dan dus ineens veel lager te zijn dan aanvankelijk werd gedacht en dat betekent dat de koersinflatie significant afneemt. In het verlengde van dit voorbeeld kan worden gedacht aan de vennootschap die haar resultaten te mooi heeft voorgesteld, maar die voordat de waarheid naar buiten komt (als gevolg van een externe gebeurtenis) plotseling failliet gaat. Zij heeft bijvoorbeeld haar activiteiten plotseling moeten staken, omdat door een (niet door verzekering gedekte) brand of natuurramp haar bedrijfsgebouw ernstig is beschadigd. Als gevolg van het faillissement zijn de aandelen van de één op de andere dag niets meer waard en dat betekent dat (ook) de koersinflatie als sneeuw voor de zon verdwijnt.
Scenario 6: Koersinflatie neemt af doordat de inhoud van de misleidende informatie wijzigt
Verder kan de koersinflatie afnemen doordat feiten en omstandigheden die met de misleidende informatie verband houden zich over het tijdvak van de misleiding zodanig ontwikkelen, dat de misleidende informatie gaandeweg ‘minder misleidend’ wordt. Men zou ook kunnen zeggen dat de inhoud van de misleidende informatie zodanig wijzigt, dat de mate waarin de informatie misleidend is, gaandeweg afneemt.23
Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de vennootschap een persbericht publiceert waarin zij bekend maakt een zeer lucratieve order te hebben binnengesleept. In werkelijkheid is het doorgaan van de order op het moment van publicatie nog hoogst onzeker, zodat het hier om een misleidend persbericht gaat resulterend in een kunstmatig hoge beurskoers. Verlopen de onderhandelingen tussen de vennootschap en haar (potentiële) klant vervolgens echter zodanig positief dat de order tóch doorgaat, dan wordt (de informatie in) het eerdere persbericht daarmee alsnog bewaarheid. Het eerdere misleidende bericht is dan dus niet langer misleidend. De koers zal op het moment van het zeker stellen van de order echter niet meer reageren (althans, ervan uitgaande dat de vennootschap zich verder stil houdt), aangezien (het doorgaan van) de order reeds in de beurskoers was verdisconteerd. Ondanks het uitblijven van een koersreactie, zal het zeker stellen van de order niettemin tot gevolg hebben dat de koersinflatie verdwijnt. Zonder de misleiding zou de koers in reactie op het nieuws van het definitief doorgaan van de order immers zijn gestegen.
Overigens wijs ik erop dat het in de zojuist beschreven situatie in de praktijk goed denkbaar is dat de misleiding nooit bekend wordt. Als de inhoud van de misleidende informatie tijdens het tijdvak van de misleiding namelijk zodanig wijzigt dat de informatie na verloop van tijd niet langer misleidend is, zal de vennootschap geen enkele aanleiding zien om met de misleiding naar buiten te komen. Weet zij vervolgens alles goed stil te houden en is er verder ook geen analist of arbitrageur die achter de waarheid komt, dan zal de misleiding voor altijd verborgen blijven. Typisch een geval van ‘wat niet weet, wat niet deert’.
Appendix: voorbeeld van het scenario ‘uitdoven’ van de koersinflatie
Tot besluit van dit hoofdstuk geef ik in deze appendix nog een getallenvoorbeeld van het hierboven (in het kader van de true financial condition theory) besproken scenario ‘uitdoven’ van de koersinflatie. Ik benadruk dat het hier om een sterk vereenvoudigd voorbeeld gaat, waarbij ik van een aantal externe variabelen – zoals macro-economische en sectorspecifieke ontwikkelingen die normaal gesproken onmiskenbaar van invloed zijn op de resultaten van de vennootschap – zal abstraheren. Dat doe ik om daarmee beter tot uitdrukking te kunnen brengen welke problematiek in dit scenario precies speelt.
Stel dat de earnings per share (‘EPS’)24 van vennootschap X over de verslaggevingsperiodes T1-T3 telkens € 1,00 bedragen en X de EPS over deze periodes steeds correct rapporteert.25 Stel verder dat de markt aan het eind van elke verslaggevingsperiode steeds een verwachting vormt ten aanzien van de EPS voor de volgende periode en deze verwachting enerzijds is gebaseerd op de gerapporteerde EPS over de actuele periode en anderzijds op de gerapporteerde EPS over de twee voorafgaande periodes. Meer concreet bestaat deze verwachting uit een gewogen gemiddelde van de gerapporteerde EPS over de genoemde periodes, welke (algebraïsch) wordt weergegeven met de volgende formule:
waarbij E[ EPS(Ti+1) ] staat voor de (op tijdstip Ti) verwachte EPS voor periode Ti+1 en EPS(Ti) staat voor de (op tijdstip Ti) gerapporteerde EPS over periode Ti. Volgens deze formule leggen bij het bepalen van de verwachte EPS voor de volgende periode de gerapporteerde EPS over de meest recente periode(s) dus (relatief) meer gewicht in de schaal dan de gerapporteerde EPS over minder recente periodes. Dat komt overeen met de (economische) werkelijkheid van de effectmarkt, waar de meest recente informatie in de regel de meeste voorspellende waarde heeft voor de toekomst.
Verder wordt er in dit voorbeeld gemakshalve van uitgegaan dat de actuele beurskoers volledig wordt bepaald door de verwachte EPS voor de volgende periode aan de hand van een zogenoemde ‘multiple’. Een multiple is een bepaalde financiële ratio waar in de financieringspraktijk veel gebruik van wordt gemaakt om een aandeel of een project te kunnen waarderen (althans om een eerste schatting te krijgen van de waarde van het desbetreffende aandeel of het desbetreffende project).26 De multiple die in dit geval van belang is, is de zogenoemde ‘Price-Earnings Ratio’ (P/E-ratio). De P/E-ratio van een aandeel (of een project) staat voor de prijs van dat aandeel (of dat project) gedeeld door de bijbehorende EPS van het desbetreffende aandeel (of het desbetreffende project).27 Aannemende dat de relevante P/E-ratio in dit geval 10 bedraagt, dan geldt in dit voorbeeld dat de actuele beurskoers op ieder moment gelijk is aan de verwachte EPS voor de volgende periode maal een factor tien.
Stel nu dat de EPS van X over periode 4 terugvallen van € 1,00 naar € 0,80, maar dat X op tijdstip T4 – ten onrechte – nog steeds EPS van € 1,00 rapporteert. Dit heeft tot gevolg dat op tijdstip T4 een koersinflatie van € 1,00 in de koers sluipt. Dit wordt als volgt ingezien. Vanwege de gerapporteerde EPS op tijdstip T4 van € 1,00 bedragen de verwachte EPS voor periode 5 thans nog steeds € 1,00. In de hypothetische situatie zonder misleiding zouden de verwachte EPS echter slechts ( [3 * 0,80 + 2 * 1,00 + 1 * 1,00] / 6 =) € 0,90 zijn geweest. Een verwachting van de EPS voor periode 5 van € 1,00 betekent in de feitelijke situatie een beurskoers op tijdstip T4 van (10 * 1,00 =) € 10,00, terwijl een verwachting van de EPS van € 0,90 in de hypothetische situatie zonder misleiding een beurskoers op tijdstip T4 van (10 * 0,90 =) € 9,00 zou hebben opgeleverd. De koersinflatie op tijdstip T4 bedraagt daarmee dus (10,00 – 9,00 =) € 1,00. Voor een schematische weergave verwijs ik naar de onderstaande tabel.
Stel verder dat (in de feitelijke situatie) de EPS van X op tijdstip T5 nog steeds € 0,80 bedragen en X vanaf dat moment weer correcte cijfers gaat publiceren, zonder dat zij de misleidende informatie uit de vorige periode expliciet corrigeert. In de feitelijke situatie zal de beurskoers dan dalen van € 10,00 naar € 9,00. Bij gerapporteerde EPS op tijdstip T5 van € 0,80 bedragen de verwachte EPS voor periode 6 namelijk ( [3*0,80 + 2*1,00 + 1*1,00] / 6 =) € 0,90 en dat resulteert in een beurskoers op tijdstip T5 van (10 * 0,90 =) € 9,00. In de hypothetische situatie zonder misleiding zou de beurskoers op tijdstip T5 echter zijn gedaald van € 9,00 naar € 8,33. De verwachte EPS voor periode 6 zouden in dat geval namelijk slechts ( [3*0,80 + 2*0,80 + 1*1,00] / 6 =) € 0,83 zijn geweest en dat zou hebben geresulteerd in een beurskoers van (10 * 0,83 =) € 8,33. Op tijdstip T5 is daarmee dus sprake van een koersinflatie van (9,00 – 8,33 =) € 0,67, hetgeen betekent dat tussen tijdstip T4 en T5 de koersinflatie is afgenomen van € 1,00 naar € 0,67. Wanneer vervolgens wordt aangenomen dat de EPS ook na periode 5 constant blijven op een niveau van € 0,80 en X deze EPS daarna steeds correct rapporteert, kan op overeenkomstige wijze worden beredeneerd dat de koersinflatie op tijdstip T6 (van € 0,67) afneemt tot € 0,33 en deze op tijdstip T7 (van € 0,33) afneemt tot € 0.28 Voor een schematische weergave verwijs ik wederom naar de onderstaande tabel.
Volgens de hier geschetste gang van zaken zal de koersinflatie die op tijdstip T4 als gevolg van de misleiding is ontstaan, op tijdstip T7 dus weer volledig zijn verdwenen. Op tijdstip T7 is derhalve weer sprake van een volledig zuivere – of anders gezegd: integere – koers. De verklaring hiervoor is dat de misleidende cijfers die op tijdstip T4 werden gepubliceerd, op tijdstip T7 hun relevantie voor het inschatten van de toekomstige netto-kasstromen (en daarmee voor de actuele beurskoers) inmiddels hebben verloren. En aangezien vanaf tijdstip T5 weer correcte cijfers zijn gepubliceerd (en sindsdien derhalve geen nieuwe koersinflatie is ontstaan), zal alle koersinflatie die zich op tijdstip T4 had gevormd, op tijdstip T7 dus weer volledig zijn verdwenen. Men zou ook kunnen zeggen dat vanwege het feit dat vanaf tijdstip T5 weer correcte cijfers zijn gepubliceerd, de koersinflatie over de periodes 5 tot en met 7 geleidelijk – of misschien beter gezegd: gefaseerd – is ‘uitgedoofd’.
Het interessante van het hier geïllustreerde scenario is dat de koersinflatie na drie verslaggevingsperiodes volledig is verdampt, zonder dat daar enige corrigerende mededeling aan te pas is gekomen. Om deze reden is het zeer wel mogelijk dat de misleiding en (het uit de koers lopen van) de koersinflatie geruisloos voorbij gaan en de markt onwetend blijft over het feit dat zij in het verleden – weliswaar eenmalig – verkeerd is voorgelicht. Alleen wanneer analisten, arbitrageurs of andere professionele beleggers hun ‘huiswerk’ goed doen, kan de misleiding eventueel worden gedetecteerd.
T1
T2
T3
T4
T5
T6
T7
Correcte EPS
1,00
1,00
1,00
0,80
0,80
0,80
0,80
Gerapporteerde EPS
1,00
1,00
1,00
1,00
0,80
0,80
0,80
Feitelijk verwachte EPS volgende periode
1,00
1,00
1,00
1,00
0,90
0,83
0,80
Feitelijke aandelenkoers
10,00
10,00
10,00
10,00
9,00
8,33
8,00
Hypothetisch verwachte EPS volgende periode
0,90
0,83
0,80
0,80
Hypothetische aandelenkoers
9,00
8,33
8,00
8,00
Koersinflatie
1,00
0,67
0,33
0,00