Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.4.3:11.4.3 Gevolgen van fiscaal onrechtmatig verkregen bewijs
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.4.3
11.4.3 Gevolgen van fiscaal onrechtmatig verkregen bewijs
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940615:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Feteris 2002, p. 358, met verwijzingen in noot 6 aldaar.
Feteris 2002, p. 358-359.
Wijsman is wat voorzichtiger en merkt op dat het EHRM zich niet werkelijk uitspreekt vóór bewijsuitsluiting als sanctie op de schending van het nemo tenetur-beginsel, zie Wijsman 2017, par. 11.4.2.
Feteris 2002, p. 359.
Conclusie A-G Wattel 28 mei 2014, V-N 2014/34.3. Zie ook paragraaf 7.3.6.2.4.
HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173, zie met name r.o. 2.4.2-2.5.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit paragraaf 7.3.6.2.4 is gebleken, dat de Hoge Raad bewijsmateriaal dat naar nationaal recht in fiscale zin onrechtmatig is verkregen, als ‘ontoelaatbaar’ aanmerkt en dat dus bewijsuitsluiting volgt. In de literatuur wordt bewijsuitsluiting ook algemeen aanvaard als de juiste sanctie op in strijd met de waarborgen van het EVRM vergaard bewijsmateriaal.1 Feteris heeft er echter op gewezen, dat het EHRM met betrekking tot schendingen van andere artikelen dan art. 6 EVRM minder streng lijkt te zijn.2 Naar mijn mening is deze nuance rechtstreeks terug te voeren op de integrale toets aan de notie van de fair hearing. Als de verkrijging als zodanig een directe schending van een waarborg van art. 6 EVRM heeft veroorzaakt, zal dat doorgaans een schending van de fair hearing opleveren. Het spreekt voor zich dat het daaropvolgende gebruik van dat bewijsmateriaal, ter verkrijging waarvan de fair hearing reeds moest worden geschonden, evenmin door de beugel kan.3 Gaat het daarentegen om een schending van een ander artikel uit het EVRM, dan moet er eerst een vertaalslag plaatsvinden naar de notie van de fair hearing van art. 6 EVRM. Daarbij wordt de betreffende schending dan als één van de relevante factoren in de beoordeling betrokken.
Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt bovendien dat louter nationaalrechtelijke onrechtmatigheid op zichzelf geen reden is om het bewijs uit te sluiten.4
Het EHRM lijkt aldus de ruimte te bieden om, afhankelijk van de aard van de onrechtmatige verkrijging, minder vergaande gevolgen te verbinden aan het gebruik dan bewijsuitsluiting. In dit verband heeft A-G Wattel voorgesteld om aansluiting te zoeken bij het nationale strafrecht, waardoor de belastingrechter (overeenkomstig art. 359a Sv) ook zou kunnen kiezen voor matiging, of juist voor algehele vernietiging van de boete.5 De Hoge Raad heeft deze verbijzondering echter niet overgenomen. Voor het verzekeren van de waarborgen van art. 6 EVRM is bewijsuitsluiting volgens de Hoge Raad de (enige) aangewezen weg.6