Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.5.3.1.3
4.5.3.1.3 (Ir)relevante factoren vrijgevigheidstoets
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291181:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 22 december 2010, zaak C-103/09, BNB 2011/203, r.o. 39 (Weald Leasing).
HR 11 februari 2005, nr. 38.022, BNB 2005/223, m.nt. Van Kesteren, r.o. 3.4.2.
HR 22 juni 1994, nr. 29.870, BNB 1994/307, m.nt. Simons, r.o. 3.4 en HR 11 juli 2008, nr. 43.927, BNB 2008/254, m.nt. Bijl, r.o. 3.3.
HvJ EU 2 juni 2016, zaak C-263/15, V-N 2016/31.18, r.o. 48 (Lajvér). In gelijke zin: Hof Leeuwarden 13 augustus 1993, nr. 1279/92, V-N 1993/3085.
Anders: Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2016, nr. 14/01216, ECLI:GHARL:2016:5204, r.o. 5.5 en Rb Noord-Nederland 19 juli 2018, nrs. LEE 16/4354 t/m LEE 16/4356 en LEE 18/2007, V-N 2018/57.2.4, r.o. 10.3.
Anders: Hof ’s Hertogenbosch 4 november 2011, nr. 10/00337, V-N 2012/20.20, r.o. 4.5. In gelijke zin: Redactie V-N in haar aantekening bij deze uitspraak.
HvJ EG 20 januari 2005, zaak C-412/03, V-N 2005/8.22, r.o. 22 (Hotel Scandic Gåsabäck). In gelijke zin: HR 22 juni 1994, nr. 29.870, BNB 1994/307, m.nt. Simons, r.o. 3.4.
Vgl. G.J. van Norden, ‘Vrijgevigheid in de BTW’, BtwBrief 2005/13 die meent dat een niet-kostendekkende vergoeding een eerste indicatie kan zijn van vrijgevigheid. Anders: Van Kesteren die in zijn noot bij HR 11 februari 2005, nr. 38.022, BNB 2005/223 stelt dat de Hoge Raad een sluitende bedrijfsvoering en de relatie tussen partijen in dit arrest niet van belang acht. Het is juist dat de Hoge Raad in dit arrest oordeelt dat ‘de omstandigheid dat de vergoeding verre van kostendekkend is, niet van belang is’. De Hoge Raad voegt hier echter aan toe ‘anders dan het Hof heeft geoordeeld’. Het Hof Amsterdam had in deze zaak voor de belastingplicht van doorslaggevend belang geacht dat de vergoeding verre van kostendekkend was. Steun voor deze lezing is te vinden in de omstandigheid dat de Hoge Raad verwijst naar HvJ EG 21 september 1988, zaak 50/87, BNB 1994/306, m.nt. Simons (Commissie/Frankrijk), HR 16 juni 1993, nr. 28.619, BNB 1993/256, r.o. 3.2.3 en HR 22 juni 1994, nr. 29.870, BNB 1994/307, m.nt. Simons, r.o. 3.4. In HR 11 juli 2008, nr. 43.927, BNB 2008/254, m.nt. Bijl, r.o. 3.3 is bevestigd dat de omstandigheid dat een prestatie wordt verricht tegen een lagere prijs dan de kostprijs geen voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat sprake is van vrijgevigheid.
Redactie V-N, aantekening bij HR 11 juli 2008, nr. 43.927, V-N 2008/36.21.
Een lage vergoeding wordt niet snel als vrijgevigheid aangemerkt. Uit het Weald Leasing-arrest is af te leiden dat ook bij een ‘abnormaal lage vergoeding’ sprake kan zijn van een vastgoedtransactie onder bezwarende titel.1 De terughoudendheid om een lage vergoeding als verwaarloosbaar te beschouwen strookt met het uitgangspunt dat een uitzondering op de regel – het subjectieve vergoedingsbegrip – strikt moet worden uitgelegd. Voor de vraag of een lage vergoeding voor een vastgoedtransactie als vrijgevigheid moet worden beschouwd dient een vergelijking te worden gemaakt met de vergoeding voor soortgelijke vastgoedtransacties in het economische verkeer.2 Dat de overeengekomen vergoeding voor een vastgoedtransactie niet kostendekkend is, volstaat daarom niet om te concluderen dat een bezwarende titel ontbreekt.3 Ook aan een vergoeding (ver) onder de kostprijs kan maatschappelijke betekenis toekomen.4 Het omgekeerde geldt echter ook: uit de omstandigheid dat de vergoeding voor de vastgoedtransactie een substantieel deel van de kosten dekt, kan naar mijn mening niet worden geconcludeerd dat sprake is van een reële vergoeding.5 Omdat voor de vrijgevigheidstoets naar de vergoeding voor soortgelijke prestaties in het economische verkeer moet worden gekeken, is niet beslissend dat tussen partijen geen betere condities waren te bedingen.6 De enkele omstandigheid dat tussen partijen een relatie bestaat (lees: sprake is van gelieerde partijen) volstaat daarom evenmin om bij een overeengekomen lage vergoeding vrijgevigheid aan te nemen.7 Dat aan voormelde omstandigheden geen doorslaggevende betekenis toekomt, laat onverlet dat zij wel door de rechter kunnen worden meegewogen bij de beoordeling of sprake is van vrijgevigheid.8 Zijn soortgelijke vastgoedtransacties in het economische verkeer niet voorhanden, zoals bij de levering van een uniek vastgoedobject het geval kan zijn, dan rijst de vraag hoe vastgesteld moet worden of sprake is van vrijgevigheid. In de jurisprudentie is vooralsnog geen antwoord te vinden op deze vraag. Redactie V-N vraagt zich af of in dat geval kan worden aangesloten bij een kostprijsbenadering.9 Gelet op voormelde jurisprudentie kan een kostprijsbenadering in dat geval wel een, maar naar mijn mening niet de enige grond zijn voor het oordeel dat sprake is van vrijgevigheid.