HR, 08-06-2018, nr. 17/05518
ECLI:NL:HR:2018:852, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-06-2018
- Zaaknummer
17/05518
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑06‑2018
ECLI:NL:HR:2018:852, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑06‑2018; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2017:4747, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Vindplaatsen
NLF 2018/1319 met annotatie van Dick Barmentlo
NTFR 2018/1419 met annotatie van mr. A.J.C. Perdaems
FutD 2018-1542
Viditax (FutD) 2018060830
Beroepschrift 08‑06‑2018
Edelhoogachtbaar College,
Namens mijn cliënte [X] wonende te [Z] (hierna: belanghebbende) treft u onderstaand de bezwaren aan tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 3 november 2017 met kenmerken 16/00388 en16/00389 in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur van de Belastingdienst betreffende de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2007 en 2008, de boetebeschikkingen en de heffingsrentebeschikkingen met aanslagnummers [001] en [002].
Belanghebbende stelt dat de uitspraak van het Gerechtshof op onderstaande gronden dient te worden vernietigd.
Middel 1
Het Hof heeft rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, geoordeeld dat (onderdeel 3.4.) ‘De door de Rechtbank toegepaste matiging van de boetebeschikkingen met 5%, omdat de belastinggrondslag met toepassing van verzwaring van de bewijslast is berekend, is evenmin in geschil.’.
Dit oordeel van het Hof is onbegrijpelijk, dan wel heeft het Hof een essentiële stelling van belanghebbende ten onrechte gepasseerd, en/of heeft het Hof de geschilpunten onjuist in de uitspraak weergegeven.
Dit gezien het feit dat belanghebbende in het hoger beroepschrift van 30 juni 2016 heeft gesteld dat:
‘51.
Indien al moet worden aangenomen dat verzwaring van de bewijslast aan de orde is en sprake is van opzet dan wel grove schuld, is de door de rechtbank toegepaste matiging van 5% te gering.
52.
Zoals in het bovenstaande is gesteld, is het bewijs omtrent de betrokkenheid van belanghebbende bij het opmaken van de facturen, flinterdun. Hier komt bij dat de schatting van de aftrekpost is bepaald door een wezenlijk deel van de onzekerheid voor risico van belanghebbende te laten komen. Dat in aanmerking nemend, is een matiging van 5% te gering om tot een passende en geboden boete te komen.
53.
Belanghebbende acht daarom een matiging van de boetes met 35% (vanwege de verzwaring van de bewijslast) (…) op zijn plaats.’
Het blijkt ook uit de procestukken niet dat belanghebbende anderszins haar standpunt zou hebben prijsgegeven.
Belanghebbende heeft dus uitdrukkelijk en gemotiveerd en kenbaar voor het Hof gesteld dat en waarom zij de door de Rechtbank toegepaste matiging van 5% te gering vond, waarmee deze matiging dus juist wel en anders dan door het Hof is geoordeeld, in geschil was.
De onjuiste vaststelling van het Hof leidt er vervolgens toe dat het Hof in onderdeel 4.10. van de uitspraak oordeelt dat ‘Tussen partijen is deze matiging van 5% niet in geschil, zodat het Hof partijen op dit punt volgt.’. Het Hof heeft dus ten onrechte geen oordeel gegeven over de essentiële stelling van belanghebbende dat de door de Rechtbank toegepaste matiging van de boete te laag was. Zie ook middel 6.
De uitspraak van het Hof kan op dit punt niet in stand blijven.
Middel 2
Het Hof heeft rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, geoordeeld dat
- —
(onderdeel 4.3.) ‘Gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval is het Hof van oordeel dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van facturen die niet met de werkelijkheid overeenstemmen, in die zin dat de bedragen die aan Hendrik zouden zijn betaald niet geheel als inkoopkosten zijn te beschouwen, waarbij het aannemelijk is dat belanghebbende zich daar ook van bewust is geweest.’ en ‘Met de Rechtbank is het Hof voorts van oordeel dat de onder 2.6 vermelde verklaringen van belanghebbende en haar partner en de nadien door hen afgelegde verklaringen (…) ongeloofwaardig zijn. Voornoemde verklaringen worden ook niet ondersteund door objectief verifieerbare gegevens. Het Hof is van oordeel dat voor een deel van de facturen (…) er geen sprake is van inkoopkosten.’;
- —
(onderdelen 4.4.1. en 4.4.2.) ‘Belanghebbende heeft bij het doen van aangifte gebruik gemaakt van vervalste inkoopfacturen en is naar het oordeel van het Hof of betrokken geweest bij het opmaken daarvan of heeft daarvan gebruik gemaakt wetende dat deze door derden valselijk zijn opgemaakt.’;
- —
(Onderdeel 4.5.) ‘gelet op het vorenoverwogene heeft belanghebbende voor de onderhavige jaren niet de vereiste aangifte gedaan.
Het Hof heeft in navolging van de inspecteur en de Rechtbank kortgezegd geoordeeld dat belanghebbende een lager bedrag heeft betaald dan op de facturen staat vermeld en dat belanghebbende dit wist. Hetgeen uiteindelijk leidt tot het oordeel dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan.
Belanghebbende heeft gesteld en stelt dat zij niet wist dat de facturen waren vervalst en dat zij de op de facturen vermelde bedragen heeft betaald. Zodat zij wel de vereiste aangiften heeft gedaan.
Het oordeel van het Hof is gebaseerd op de gebreken in de facturen en de volgens het Hof ongeloofwaardige verklaringen van belanghebbende en haar partner over de plaats van de transacties, de wijze waarop de afspraken werden gemaakt en de contante betalingen.
Belanghebbende heeft erkend dat de identiteit van de verkopende partij (‘[B]’ en/of ‘[C]’) niet bekend is, dat de op de facturen vermelde NAW-gegevens niet te herleiden zijn tot een bepaalde (rechts-)persoon, en dat het in die zin dus valse facturen zijn.
Maar uit die vaststelling volgt zeker niet noodzakelijkerwijs dat belanghebbende van de valse facturen bewust was of had moeten zijn. Immers, het is evenzeer mogelijk dat (zoals door belanghebbende in onderdeel 8 van het hoger beroepschrift van 30 juni 2016 is gesteld) slechts [B/C] de valse facturen heeft gemaakt zonder dat belanghebbende wist dat de facturen vals waren en belanghebbende te goeder trouw de gefactureerde bedragen heeft betaald.
De bewijslast van de ‘bewustheid’ en betrokkenheid rust op de Inspecteur.
‘Bewustheid’ en betrokkenheid van belanghebbende is gezien het hiervoor gestelde, slechts aan te nemen indien de verklaringen van haar en haar partner over de gang van zaken ongeloofwaardig zijn.
Het al dan niet aannemen van ‘bewustheid’ is cruciaal in deze procedure. Het is immers een noodzakelijke voorwaarde voor door het Hof geoordeelde toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast en het aannemen van ‘opzet’ bij het opleggen van een boete.
Belanghebbende stelt dat het Hof ten onrechte bewustheid en betrokkenheid van belanghebbende aannemelijk heeft geacht. Immers, de inspecteur heeft, terwijl op hem de bewijslast rustte, zijn stellingen niet dan wel onvoldoende gemotiveerd, terwijl belanghebbende haar stellingen uitgebreid heeft gemotiveerd (zie de onderdelen 13 tot en met 24 van het hoger beroepschrift van 30 juni 2016). Het Hof heeft ten onrechte slechts laten meewegen dat belanghebbende haar verklaringen niet heeft ondersteund door ‘objectie verifieerbare gegevens’ zonder datzelfde van de Inspecteur te vergen. Dit terwijl de bewijslast op de inspecteur rustte. Het Hof had op basis hiervan moeten oordelen dat onvoldoende aannemelijk is dat belanghebbende zich bewust was of moest zijn van de valse facturen en dat op grond daarvan niet tot het oordeel kan worden gekomen dat voor een deel van de facturen geen sprake is van inkoopkosten en dat daarom ook niet tot het oordeel gekomen kan worden dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan.
In ieder geval heeft het Hof haar oordelen onvoldoende gemotiveerd. In ieder geval geldt dit voor het oordeel van het Hof dat de verklaringen van belanghebbende ongeloofwaardig zijn. Zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat in het algemeen zou gelden dat aan een dergelijk oordeel geen of geen hoge eisen aan de motivering worden gesteld, is dat in deze zaak toch anders. Allereerst al vanwege het grote belang van dit onderdeel. Zoals in het bovenstaande al is gesteld, is het een cruciaal onderdeel in deze procedure. Het is immers een noodzakelijke voorwaarde voor de door het Hof geoordeelde toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast en het aannemen van ‘opzet’ bij het opleggen van een boete. Ten tweede vanwege de uitgebreide en gemotiveerde betwisting door belanghebbende (zie de onderdelen 13 tot en met 24 van het hoger beroepschrift van 30 juni 2016), terwijl de inspecteur, terwijl op hem de bewijslast rustte, zijn stellingen niet dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd. Het Hof had daarom niet mogen volstaan met de enkele overweging dat de verklaringen van belanghebbende ongeloofwaardig zijn.
De uitspraak van het Hof kan op dit punt dus niet in stand blijven.
Middel 3
Het Hof heeft rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, geoordeeld dat (onderdeel 4.6.), uitgaande dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, de op belanghebbende rustende bewijslast ten aanzien van de inkoopkosten wordt verzwaard, zodat op belanghebbende de last rust om overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn en dat belanghebbende daarin niet is geslaagd.
Hetgeen het Hof in onderdeel 4.6. oordeelt, bouwt voort op het in onderdeel 4.5. geoordeelde dat door belanghebbende voor de onderhavige jaren de vereiste aangiften niet is gedaan.
In het vorige middel heeft belanghebbende gesteld dat het door het Hof in onderdeel 4.5. geoordeelde niet in stand kan blijven. Dat betekent dat ook hetgeen in onderdeel 4.6. is geoordeeld, niet in stand kan blijven. Het Hof heeft dus ten onrechte geoordeeld dat de op belanghebbende bewijslast ten onrechte is verzwaard. Het was dus niet aan belanghebbende om ‘overtuigend aan te tonen’ maar slechts de betaalde inkoopkosten aannemelijk te maken. Daarover heeft het Hof niets overwogen. Zodat de uitspraak van het Hof ook op dit punt niet in stand kan blijven.
Middel 4
Het Hof heeft rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, en met passering van een essentiële stelling van belanghebbende, geoordeeld dat (onderdeel 4.7.), in het kader van een redelijke schatting, de door de inspecteur in aftrek toegestane inkoopkosten (50%) redelijk zijn.
Het oordeel van het Hof is slechts gebaseerd op de ongemotiveerde stelling van de inspecteur dat slechts een aftrek van 50% op zijn plaats is en de verwerping van de stellingen van belanghebbende dat de factuurprijzen overeenstemmen met de reguliere inkoopprijzen en dat het bij vleestransacties gaat winstmarges van slechts enkele procenten, zonder daarbij in te gaan op de essentiële stelling van belanghebbende.
Het Hof had op basis van het door partijen gestelde, behoren te oordelen dat in het kader van een redelijke schatting, 75% van de op de facturen vermelde inkoopkosten in aftrek dient te worden toegelaten. Dit omdat de door de inspecteur voorgestane aftrek van 50% op geen enkele wijze onderbouwd is en daarmee willekeurig is, waartegenover staat dat belanghebbende gemotiveerd en niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist door de inspecteur, heeft gesteld dat een redelijke schatting betekent dat 75% van de op de facturen vermelde prijzen in aftrek wordt toegelaten. Belanghebbende heeft immers onder het kopje ‘Redelijke schatting’ in de onderdelen 42 tot en met 45 van het hoger beroepschrift van 30 juni 2016 gemotiveerd met een berekening (onderdeel 42) uiteengezet dat en waarom een aftrek van 75% redelijk is.
In ieder geval heeft het Hof het oordeel onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd. Ten onrechte heeft het Hof de essentiële stelling van belanghebbende niet in het oordeel betrokken, althans daarvan blijkt niets, dat, uitgaande van niet-reguliere transacties, een redelijke schatting zou uitkomen op een aftrek van 75% van de factuurbedragen. Onder het kopje ‘Redelijke schatting’ heeft belanghebbende in de onderdelen 42 tot en met 45 van het hoger beroepschrift van 30 juni 2016 gemotiveerd met een berekening (onderdeel 42) uiteengezet dat en waarom een aftrek van 75% redelijk is. Het Hof is ten onrechte aan deze stelling van belanghebbende voorbijgegaan, terwijl deze toch uitermate relevant en voor het Hof kenbaar was.
Indien zou moeten worden aangenomen dat het Hof de stelling van belanghebbende wel in het oordeel heeft betrokken, dan heeft het Hof ook overigens ten onrechte nagelaten een voldoende motivering te geven voor haar oordeel. Dit zeker gelet op het feit dat noch de inspecteur noch de Rechtbank noch het Hof enige onderbouwing van de toegestane aftrek van 50% hebben gegeven. Waartegenover belanghebbende met een berekening gemotiveerd tot een aftrek van 75% komt. Dat had voor het Hof aanleiding dienen te zijn om het oordeel nader te motiveren.
Ook op dit punt kan de uitsprak van het Hof niet in stand blijven.
Middel 5
Het Hof heeft rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, geoordeeld dat (onderdeel 4.9.) ‘Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, door uit te gaan van de gegevens op de vervalste [B]-facturen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de primitieve aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld.’.
Het Hof heeft geoordeeld dat sprake is van voorwaardelijke opzet met als enige motivering dat ‘belanghebbende, door uit te gaan van de gegevens op de vervalste AGM-facturen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de primitive aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld’.
Het Hof verwijst niet naar eerdere oordelen van de uitspraak zodat moet worden aangenomen dat het eerder geoordeelde hier niet van toepassing is
Zoals ook al in middel 2 is gesteld, volgt uit het enkele feit dat belanghebbende is uitgegaan van de vervalste facturen niet of onvoldoende dat belanghebbende zich bewust was van het feit dat de facturen vals waren. Immers, het is evenzeer mogelijk dat (zoals door belanghebbende in onderdeel 8 van het hoger beroepschrift van 30 juni 2016 is gesteld) slechts [B/C] de valse facturen heeft gemaakt zonder dat belanghebbende wist dat de facturen vals waren en belanghebbende te goeder trouw de gefactureerde bedragen heeft betaald. Dan is geen sprake van ‘willens en wetens de aanmerkelijke kans …’ en dus ook niet van voorwaardelijke opzet.
Voor zover zou moeten worden aangenomen dat het Hof wel voortborduurt op het eerder in de onderdelen 4.3 tot en met 4.4.2. geoordeelde, dient al hetgeen in middel 2 is gesteld, als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Hetgeen dan hier leidt tot de conclusie dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende of onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de primitieve aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Juist ook omdat aan de motivering van een boete hoge eisen mogen worden gesteld.
De uitspraak van het Hof kan op dit punt dus niet in stand blijven.
Middel 6
Het Hof heeft rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, geoordeeld dat (onderdeel 4.10.) ‘De Rechtbank heeft de boetebeschikkingen gematigd met 5% in verband met de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan. Tussen partijen is deze matiging van 5% niet in geschil, zodat het Hof partijen op dit punt volgt.’ en (onderdeel 4.13.) ‘Het Hof acht de hoogte van de boeten zoals die door de rechtbank is vastgesteld, passend en geboden, Voor een verdere matiging, zoals door belanghebbende bepleit, ziet het Hof geen aanleiding.’.
Zoals ook in middel I is gesteld, heeft belanghebbende uitdrukkelijk en gemotiveerd en kenbaar voor het Hof gesteld (onderdelen 50 tot en met 53 van het hoger beroepschrift van 30 juni 2016) dat en waarom zij de door de Rechtbank toegepaste matiging vanwege de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting (verzwaring van de bewijslast) te gering vond en dat deze op 35% zou moeten worden gesteld, waarmee deze matiging dus juist wel in geschil was.
Het Hof heeft dus ten onrechte geoordeeld dat de matiging niet in geschil zou zijn en het Hof partijen op dit punt zou kunnen volgen. Het Hof had naar aanleiding van de stellingen van belanghebbende zich gemotiveerd uit moeten spreken over de door belanghebbende bepleite verdere matiging en heeft dat ten onrechte nagelaten.
De uitspraak van het Hof kan op dit punt dus niet in stand blijven.
Middel 7
Gezien het gestelde in de voorgaande middelen, heeft het Hof rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, geoordeeld dat (onderdeel 4.16) de uitspraak van de Rechtbank bevestigd dient te worden en dat het hoger beroep tevergeefs is ingesteld, en (onderdeel 4.17) dat geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt, en (onderdeel 4.18) de Inspecteur ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de kosten in het hoger beroep.
De uitspraak van het Hof kan op dit punt dus niet in stand blijven.
Conclusie
Het Hof heeft ten onrechte beslist tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De conclusie van belanghebbende is dat de uitspraak van het Hof dient te worden vernietigd, met veroordeling van de inspecteur in de kosten van dit geding.
Uitspraak 08‑06‑2018
Partij(en)
8 juni 2018
nr. 17/05518
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 november 2017, nrs. 16/00388 en 16/00389, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (nrs. BRE 15/246 en 15/247) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 2007 en 2008 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende exploiteerde in de onderhavige jaren in de vorm van een eenmanszaak een groothandel in vers en diepgevroren vlees.
2.1.2.
Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren ossenhaas ingekocht tegen contante betaling. Tot de administratie behoren facturen met opschrift ‘[B]’ die hierop betrekking hebben (hierna: de [B]-facturen). Volgens de [B]-facturen heeft belanghebbende in 2007 een prijs betaald variërend tussen € 11,25 en € 12,50 per kilo ossenhaas.
2.1.3.
Belanghebbende heeft bij het doen van de aangiften in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2007 en 2008 de op de [B]-facturen vermelde bedragen als inkoopkosten bij de winstberekening in aanmerking genomen (hierna: de inkoopkosten). Voor het jaar 2007 gaat het om € 131.862 en voor het jaar 2008 om € 36.724.
2.1.4.
De Inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2007 en 2008 opgelegd conform de aangiften.
2.1.5.
Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de Inspecteur het bestaan van [B] in twijfel getrokken, de inkoopkosten niet in aanmerking genomen bij de winstberekening en de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd. Gelijktijdig zijn aan belanghebbende vergrijpboeten opgelegd.
2.1.6.
Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur alsnog 50 percent van de op de [B]-facturen vermelde bedragen bij de winstberekening in aanmerking genomen, omdat tussen partijen niet langer in geschil is dat de op deze facturen vermelde hoeveelheden ossenhaas door belanghebbende zijn ingekocht. De boetebeschikkingen zijn dienovereenkomstig verminderd.
2.1.7.
De Rechtbank heeft de boeten gematigd met vijf percent, omdat de hoogte van de verschuldigde belasting is vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. De Rechtbank heeft de boeten vervolgens verder gematigd met vijftien percent wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.2.
Voor het Hof was in geschil of de aanslagen terecht zijn vastgesteld met omkering en verzwaring van de bewijslast en, indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, in hoeverre belanghebbende recht heeft op aftrek van de op de [B]-facturen vermelde bedragen. Tevens waren de boeten in geschil.
2.3.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de [B]‑facturen vals zijn en dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan, zodat de Inspecteur terecht is uitgegaan van omkering en verzwaring van de bewijslast. Op belanghebbende rust dan de last overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. In dit bewijs is belanghebbende volgens het Hof niet geslaagd. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat, rekening houdend met het aantal kilo’s ingekochte ossenhaas, de door de Inspecteur in aftrek toegestane inkoopkosten redelijk zijn.
2.3.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat, naar tussen partijen niet in geschil is, de boeten moeten worden gematigd met vijf percent in verband met de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan. Het Hof heeft de aldus berekende boeten passend en geboden geacht.
2.4.1.
Het eerste middel en het zesde middel richten zich tegen het hiervoor in 2.3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Zij betogen daartoe dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de matiging van vijf percent tussen partijen niet in geschil was.
2.4.2.
Deze middelen slagen. Belanghebbende heeft zich voor het Hof uitdrukkelijk en gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de door de Rechtbank toegepaste matiging met vijf percent te gering is. Gelet daarop had het Hof de daarmee verband houdende stellingen van belanghebbende niet onbehandeld mogen laten, zoals het wel heeft gedaan.
2.4.3.
De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.5.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de matiging van de boeten wegens omkering en verzwaring van de bewijslast,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2004 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018.