Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.3.9.2.4.2
3.3.9.2.4.2 Belangrijkste remedies die tegen derden kunnen worden ingeroepen
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717309:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid hierover: L. Tucker, N. Le Poidevin & J. Brightwell, Lewin on Trusts, London: Sweet & Maxwell 2020, nr. 42-022 t/m 42-100 en nr. 42-014 t/m 43-062; G. Virgo, The Principles of Equity & Trusts, Oxford: Oxford University Press 2020, p. 624-662; J.A. McGhee & S. Elliott, Snell’s Equity, London: Sweet & Maxwell 2020, p. 869-880; P.S. Davies & G. Virgo, Equity & Trusts. Text, Cases and Materials, Oxford: Oxford University Press 2019, p. 924-972; J.E. Penner, The Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2022, p. 393-403; R. Wilson, Halsbury’s Laws of England. Trusts and Powers (volume 98), London: LexisNexis 2019, nr. 641en nr. 644; P. Matthews e.a., Underhill & Hayton. The Law of Trusts and Trustees, London: Butterworths/LexisNexis 2022, p. 1274-1313; Y.C. Wu, Dispositions in breach of trust: A comparison of English and Japanese responses (diss. Oxford), Oxford: 2010, p. 89-92; G. Thomas & A. Hudson, The Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2010, p. 877-924.
Het is in casu irrelevant of het desbetreffende goed nog voorhanden is.
Zie in dit kader paragraaf 2.4.3. Zie ook: P. Matthews e.a., Underhill & Hayton. The Law of Trusts and Trustees, London: Butterworths/LexisNexis 2022, p. 1271-1274; G. Thomas & A. Hudson, The Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2010, p. 871-872. Zie ook: C. Mitchell, P. Mitchell & S. Watterson, Goff & Jones: The Law of Unjust Enrichment, London: Sweet & Maxwell 2016, nrs. 38-19 t/m 38-23; G.L. Gretton, ‘Constructive Trusts and Insolvency’, in: J.M. Milo & J.M. Smits, Trusts in Mixed Legal Systems, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2001, p. 29-31.
In Selangor United Rubber Estates Ltd. v Cradock (No. 3) [1968] WLR 1555, p. 1582 heeft de rechter over de persoonlijke aansprakelijkheid van derden als ‘constructive trustees’ het volgende overwogen: “It seems to me imperative to grasp and keep constantly in mind that the second category of constructive trusteeship [personal liability of third parties – toevoeging KRF] […] is nothing more than a formula for equitable relief. The court of equity says that the defendant shall be liable in equity, as though he were a trustee. He is made liable in equity as trustee by the imposition or construction of the court of equity. This is done because in accordance with equitable principles applied by the court of equity it is equitable that he should be held liable as though he were a trustee.”.
Aan de (potentiële) beneficiary zijn de goederenrechtelijke remedies eveneens voorhanden, indien derde-verkrijger goederen in ‘breach of trust’ heeft verkregen en vervolgens bij derde-verkrijger wijzigingen in de eigendomsverhoudingen hebben plaatsgevonden als gevolg van natrekking, zaaksvorming of (oneigenlijke) vermenging.
J.E. Penner, The Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2019, p. 330-347; J.E. Penner, The Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2022, p. 291-310; P. Matthews e.a., Underhill & Hayton. The Law of Trusts and Trustees, London: Butterworths/LexisNexis 2022, p. 1320-1344. Vgl. ook: Y.C. Wu, Dispositions in breach of trust: A comparison of English and Japanese responses (diss. Oxford), Oxford: 2010, p. 79-89. Zie ook: L. Tucker, N. Le Poidevin & J. Brightwell, Lewin on Trusts, London: Sweet & Maxwell 2020, nr. 44-119 t/m 44-143.
Het Anglo-Amerikaanse recht spreekt van ‘equity’s darling’, oftewel ‘the bonafide purchaser for value without notice’.
Vgl. ook: MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 13.
In het Anglo-Amerikaanse recht spelen enkel de laatste twee factoren een rol bij de inroeping van goederenrechtelijke remedies.
Art. 3:140 lid 1 en art. 3:139 lid 4 BWC; Vgl. R.D. Vriesendorp, ‘Het Nederlandse goederenrecht en het Haagse Trustverdrag’, in: C.D. van Boeschoten & R.D. Vriesendorp, Het Haagse Trustverdrag in Nederlands perspectief/Het Nederlandse goederenrecht en het Haagse Trustverdrag (Preadvies uitgebracht voor de Vereniging voor Burgerlijk Recht 1994), Lelystad: Koninklijke Vermande 1994, p. 88-91.
Een trustee hoeft krachtens het bepaalde in art. 3:136 lid 3, 1e volzin BWC zijn hoedanigheid niet kenbaar te maken indien dit in de trustakte is bepaald of zulks van de trustee naar verkeersopvattingen niet van de trustee kan worden gevergd, dan wel naar het toepasselijke recht onmogelijk of verboden is. In de memorie van toelichting wordt echter van de laatstgenoemde situaties geen enkel voorbeeld of toelichting gegeven. De wetstoepasser heeft derhalve weinige houvast bij de interpretatie en toepassing van deze bepaling. Zie hiervoor: MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 10.
De beschikkingsonbevoegdheid wordt niet tegengeworpen aan de derde die te goeder trouw en om niet heeft verkregen, voor zover deze aantoont dat hij ten tijde dat de beschikkingsonbevoegdheid hem bekend werd, door de verkrijging niet gebaat was. Het voorgaande is woordelijk overgenomen. Zie hiervoor: art. 3:140 lid 3 BWC.
MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 13.
MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 8 en p. 13.
Zie ook: R.D. Vriesendorp, ‘Het Nederlandse goederenrecht en het Haagse Trustverdrag’, in: C.D. van Boeschoten & R.D. Vriesendorp, Het Haagse Trustverdrag in Nederlands perspectief/Het Nederlandse goederenrecht en het Haagse Trustverdrag (Preadvies uitgebracht voor de Vereniging voor Burgerlijk Recht 1994), Lelystad: Koninklijke Vermande 1994, p. 89-91.
Zie ook: J. de Boer, ‘De trust naar Curaçaos recht’, WPNR 2012/6926, p. 290-291 die het volgende betoogt: “Maar wat geldt goederenrechtelijk? De trusttitel bevat geen bijzondere bepalingen, zodat het algemene goederenrecht de weg moet wijzen. Zo wordt bij oneigenlijke vermenging – waarbij bijv. bankbiljetten of effecten niet identificeerbaar aanwezig zijn – vermoed dat de houder rechthebbende is behoudens tegenbewijs. Bij een trust bestaat echter de bijzonderheid dat een trustee in ten minste twee hoedanigheden houdt (als trustee en als privégerechtigde). Het is wenselijk hier van het (eufemistische) vermoeden uit te gaan dat de trustee in beginsel eerlijk is en houdt in hoedanigheid van trustee. Als argument voor dit vermoeden geldt ‘that, where a man does an act which may be rightfully performed, he cannot say that that act was intentionally and in fact done wrongly’.”.
Vgl. ook: W.H.M. Reehuis e.a., Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Kluwer 2019, p. 428, voetnoot 35.
De memorie van toelichting erkent evenwel dat “voor de begunstigde van belang [is] dat hij zijn recht op het trustvermogen jegens derden kan doen gelden.” Zie hiervoor: MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 3.
MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 13.
Art. 3:218 BWC, art. 5:95 BWC en art. 5:104 BWC. Zie ook: art. 3:125 BWC. Vgl. ook: C.J.J.M. Stolker, ‘commentaar op art. 5:2 BW’, in: H.B. Krans, C.J.J.M. Stolker & W.L. Valk, Tekst & Commentaar Burgerlijk Wetboek, Deventer: Kluwer 2021.
Met een ‘pseudo-revindicatierecht’ wordt in casu bedoeld de persoon die geen rechthebbende is van een vermogensrecht, doch wel de mogelijkheid heeft om het desbetreffende (relatieve) vermogensrecht goederenrechtelijk terug te vorderen.
S.E. Bartels & A.I.M. van Mierlo (m.m.v. H.D. Ploeger), Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 3. Vermogensrecht algemeen. Deel IV. Algemeen goederenrecht, Deventer: Kluwer 2021, nrs. 27 t/m 30. Vgl. ook: HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:92, NJ 2014/223, mn.t. S. Perrick; B. Bierens, Revindicatoire aanspraken op giraal geld. Enkele beschouwingen over geld, vermogensovergang en verhaalsregulering in de context van het girale betalingsverkeer (Recht en Praktijk, nr. FR3), Deventer: Kluwer 2009, par 1.1.1.
Zie ook: M.E. Koppenol-Laforce, ‘De ongehoorzame trustee’, WPNR 2009/6807, p. 639-640.
MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 10 en p. 13.
Statenstukken 2009/10, 2519, nr. 6 (Nota van wijziging Landsverordening trust), p. 15; M.F. Murray, De Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek: Tekst en toelichting op het Burgerlijk Wetboek, Den Haag: Bju 2016, p. 818.
MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 3. De Curaçaose wetgever geeft in de memorie van toelichting echter wel toe dat, ter bescherming van de belangen van de begunstigde, gerechtvaardigd is dat de in beginsel onbeperkte beschikkingsbevoegdheid van de trustee kan worden beperkt.
Dat de Curaçaose wetgever bepaalt dat de onbeperkte beschikkingsbevoegdheid van de trustee bij trustakte kan worden beperkt, betekent niet dat er sprake is van een algemene beperking van de beschikkingsbevoegdheid. Indien niets bij trustakte is bepaald, dan blijft de beschikkingsbevoegdheid van de trustee onbeperkt. Hetgeen ik in het bovenstaande betoog moet in dier voege worden gelezen dat er sprake is van een algemene beperking van de beschikkingsbevoegdheid van de trustee die nader in de trustakte in specifieke gevallen kan worden uitgewerkt.
a. Vordering tot schadevergoeding
Heeft de trustee een ‘breach of trust’ gepleegd, dan is hij daarvoor persoonlijk aansprakelijk. De trustee is echter niet de enige persoon die persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld voor een ‘breach of trust’. Ook derden die betrokken zijn geweest bij een ‘breach of trust’ die door de trustee is gepleegd, kunnen schadeplichtig zijn indien kan worden bewezen dat zij deze schending hebben gefaciliteerd en de trust als gevolg hiervan schade heeft geleden. De (potentiële) beneficiary kan in het Anglo-Amerikaanse trustrecht in dat geval een vordering tot schadevergoeding tegen de derde instellen, hetzij op basis van onrechtmatige verkrijging van een trustgoed, oftewel ‘knowing or unconscionable receipt’, hetzij vanwege onrechtmatige bijstandsverlening, ook wel aangeduid als ‘dishonest assistance’.1 De eerstgenoemde categorie behelst aansprakelijkheid van derden in situaties waarin een derde (het bezit van) goederen die behoorden tot het trustfonds heeft verkregen, terwijl hij wist of behoorde te weten dat de trustee over deze goederen – in strijd met zijn trustrechtelijke verplichtingen – heeft beschikt. Voor de vestiging van aansprakelijkheid op deze grond is vereist dat de derde (het bezit van) het desbetreffende trustgoed op enig moment heeft verkregen.2 Van de laatstgenoemde categorie kan worden gesproken indien de derde wist of behoorde te weten dat hij op één of andere wijze – zonder trustgoederen te hebben verkregen – heeft meegewerkt aan een trustrechtelijke schending door de trustee. In beide categorieën gaat het om schadeveroorzakend handelen van een derde, waarbij deze wist of behoorde te weten dat zijn onrechtmatig handelen de gerechtvaardigde belangen van de (potentiële) beneficiary in het trustfonds, kon schaden. Aansprakelijkheid op basis van de genoemde categorieën betreft een secundaire aansprakelijkheid: de trustee is degene die primair aansprakelijk is voor de ‘breach of trust’. Pas op het moment dat de vestiging van aansprakelijkheid op de trustee niet tot de mogelijkheden behoort of de schade niet geheel op de trustee kan worden verhaald, mag de (potentiële) beneficiary overgaan tot de aansprakelijkstelling van de derde.
Bijzonder, doch misleideind is het adagium ‘liable to account as a constructive trustee’ dat in het Anglo-Amerikaanse trustrecht wordt gebezigd in verband met de vestiging van de aansprakelijkheid van een derde.3 Voor de continentale jurist kan dit wellicht veel vragen oproepen, gelet op het feit dat er in dit kader van een ‘constructive trustee’ wordt gesproken en de lijn wordt doorgetrokken waarbij verondersteld wordt dat een ‘constructive trust’ is ontstaan. Deze veronderstelling is echter onjuist. Het adagium ‘liable to account as a constructive trustee’ wordt uitsluitend gehanteerd teneinde de vestiging van aansprakelijkheid van een derde wegens ‘breach of trust’ uit te drukken. De derde is in dat geval persoonlijk aansprakelijk als ware hij een trustee van een ‘express’ trust. Dit duidt derhalve niet op het daadwerkelijk ontstaan van een trust waarvan een derde ‘constructive’ trustee is, doch het ziet op de vaststelling van persoonlijke aansprakelijkheid van de derde, waarbij de trust wordt gecompenseerd voor het geleden verlies, dan wel de gederfde winst.4
De Curaçaose memorie van toelichting behandelt de persoonlijke aansprakelijkheid van derden in gevallen van ‘breach of trust’ door de trustee niet. Mijns inziens ligt het voor de hand dat een (potentiële) begunstigde bij betrokkenheid van derden bij ‘breaches of trust’ een vordering tegen een derde kan instellen tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BWC.
b. Goederenrechtelijke opvorderingsactie en wettelijk zekerheidsrecht
Een (potentiële) begunstigde heeft – zoals reeds in het bovenstaande uiteen is gezet – goederenrechtelijke remedies die hij kan inroepen tegen de trustee die een ‘breach of trust’ heeft gepleegd. Dezelfde goederenrechtelijke remedies heeft een (potentiële) beneficiary in het Anglo-Amerikaanse trustrecht tot zijn beschikking, wanneer een derde-verkrijger trustgoederen die in ‘breach of trust’ door de trustee aan hem zijn overgedragen, om niet c.q. niet te goeder trouw heeft verkregen.5 Aan de (potentiële) beneficiary komt aldus in het Anglo-Amerikaanse trustrecht – afhankelijk van de omstandigheden van het geval – of een goederenrechtelijke opvorderingsactie, en/of een wettelijk zekerheidsrecht toe.6
Zowel de opvordering van trustgoederen als het doen gelden van het wettelijke zekerheidsrecht geschiedt op dezelfde wijze zoals reeds is beschreven bij de inroeping van beide remedies tegen de trustee. Dit impliceert dat de (potentiële) beneficiary aan moet tonen dat hij een belang heeft in de trust en dat het goed dat aan de derde-verkrijger is overgedragen, tot het trustfonds heeft behoord. Alvorens te bepalen welke goederenrechtelijke remedie de (potentiële) beneficiary kan aanwenden om het trustfonds te herstellen, dient aan de hand van het proces van ‘following’, dan wel ‘tracing’ te worden aangetoond waar, en of het desbetreffende (gesubstitueerde) goed al dan niet in het bezit is van de derde-verkrijger. Staat – op basis van de omstandigheden van het geval – de opvordering van de desbetreffende goederen of het wettelijke zekerheidsrecht de (potentiële) beneficiary ten dienste, dan is inroeping – behoudens derdenbescherming – mogelijk ongeacht of de beschikkingsbevoegdheid van de trustee al dan niet op één of andere wijze is beperkt. Van derdenbescherming is sprake indien de derde-verkrijger het desbetreffende (gesubstitueerde) trustgoed te goeder trouw en anders dan om niet heeft verkregen.7 De derde-verkrijger die te goeder trouw, doch om niet heeft verkregen wordt niet beschermd. Geniet de derde-verkrijger bescherming, dan kan het (gesubstitueerde) trustgoed niet op worden gevorderd, dan wel bezwaard worden met een wettelijk zekerheidsrecht. De derde-verkrijger verkrijgt het goed derhalve vrij van trustverband.
Ook in het kader van de opvorderingsactie wordt de terminologie van ‘constructive trust’ veelvuldig gebezigd. In continentale rechtssystemen gaat de continentale jurist naar ik meen – vanwege de taalkundige interpretatie van Anglo-Amerikaanse leerstukken door continentale juristen en de bijzondere wijze van uitleg van Anglo-Amerikaanse juristen – er ten onrechte, doch niet onbegrijpelijk – van uit dat bij een trustrechtelijke schending door de trustee een echte trust in het leven wordt geroepen. De termen ‘constructive trust’ en ‘constructive trustee’ verwijzen in deze specifieke context naar de inroeping van de goederenrechtelijke opvorderingsactie als remedie en de zorgplicht van de derde-verkrijger niet te goeder trouw c.q. om niet. Is vastgesteld dat de derde-verkrijger geen derdenbescherming geniet en de (potentiële) beneficiary (gesubstitueerde) trustgoederen kan opvorderen, dan heeft de derde-verkrijger – als ‘constructive trustee’ – een zorgplicht ten aanzien van het (gesubstitueerd) trustgoed dat hij in zijn bezit heeft, totdat gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot opvordering en het goed terugkeert naar de trust. Van echte trustrechtelijke verplichtingen en bevoegdheden zoals een ‘express’ trustee heeft, is evenwel geen sprake.
Voor wat betreft goederenrechtelijke remedies van de (potentiële) begunstigde in het Curaçaose trustrecht heeft de Curaçaose wetgever een andere benadering gekozen ten opzichte van het Anglo-Amerikaanse trustrecht. Het lijkt erop dat de Curaçaose wetgever logischerwijs een systeem in het leven heeft willen roepen, waarbij een goederenrechtelijke remedie voor de (potentiële) begunstigde wordt gecreëerd die een gelijksoortig effect heeft als in het Anglo-Amerikaanse trustrecht, doch wel binnen het Curaçaos goederenrechtelijk stelsel past. Desalniettemin is naar huidig Curaçaos recht – als gevolg van de wetssystematiek en het gebrek aan verduidelijking van de voornoemde materie in de memorie van toelichting – niet altijd duidelijk in hoeverre en op welke wijze de (potentiële) begunstigde van de voor hem beschikbare goederenrechtelijke remedies gebruik kan maken en wat de consequenties hiervan zijn. Teneinde toch duidelijkheid hieromtrent te scheppen, zal in het navolgende worden getracht de goederenrechtelijke remedies in een samenhangend geheel uiteen te zetten.
Wanneer een trustee naar Curaçaos recht in strijd met zijn trustrechtelijke verplichtingen trustgoederen aan een derde heeft vervreemd, bezwaard of ingebruikgegeven, is het antwoord op de vraag of de (potentiële) begunstigde via goederenrechtelijke remedies kan optreden tegen een derde, afhankelijk van de volgende factoren:
de beschikkings(on)bevoegdheid van de trustee;
de goede trouw van de derde en de daarbij behorende derdenbescherming;
en
de verkrijging om niet, dan wel anders dan om niet.8/9
In het onderstaande zal kort aan de hand van deze factoren het Curaçaose systeem worden uiteengezet, met dien verstande dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de situatie waarin de beschikkingsbevoegdheid van de trustee in de trustakte wordt beperkt en het geval waarin de trustee volledig bevoegd is beschikkingshandelingen te verrichten.10
I. De beschikkingsbevoegdheid van de trustee wordt in de trustakte beperkt
1. Derde-verkrijger is niet te goeder trouw en verkrijgt anders dan om niet
Op het moment dat de trustee met een derde handelt, dient hij zijn hoedanigheid, behoudens een aantal uitzonderingen11, aan de derde kenbaar te maken.12 Is de derde bekend met de hoedanigheid van de trustee en verkrijgt hij anders dan om niet, dan wordt de derde door de bekendheid met het trustverband geacht de beschikkingsonbevoegdheid van de trustee te kennen, indien deze is ingeschreven in het handelsregister c.q. de openbare registers.13/14 Wanneer de trustee in strijd met zijn trustrechtelijke verplichtingen beschikkingshandelingen verricht, terwijl hij beschikkingsonbevoegd is, vindt er geen geldige eigendomsoverdracht (lees ook: vestiging van een beperkt recht) plaats.15 Dientengevolge wordt de derde-verkrijger die niet te goeder trouw is en anders dan om niet heeft verkregen niet beschermd tegen een dergelijke ongeldige overdracht.16 In een dergelijk geval is het trustverband op het desbetreffende goed blijven rusten en komt aan de (potentiële) begunstigde naar Curaçaos recht – tenzij in de trustakte anders is bepaald – een goederenrechtelijke opvorderingsactie toe. De (potentiële) begunstigde is dan bevoegd om de tot het trustfonds behorende goederen die zich onder de derde bevinden terug te vorderen in geval van een ‘breach of trust’, met dien verstande dat de goederen zo spoedig mogelijk worden afgedragen aan een trustee, die niet is de trustee die zijn verplichtingen heeft geschonden.17 Onder ‘de tot de trust behorende goederen’ wordt in beginsel tevens verstaan de goederen die geacht moeten worden in de plaats van de oorspronkelijke trustgoederen te treden.18
Ik moge voorts wijzen op het feit dat – hoewel de memorie van toelichting hierover zwijgt – een vierde-verkrijger die te goeder trouw en anders dan om niet heeft verkregen van een derde-verkrijger die niet te goeder trouw is, thans in het Curaçaose trustrecht niet wordt beschermd tegen een ongeldige eigendomsoverdracht ex art. 3:88 lid 1 BWC. Deze wetsbepaling bepaalt per slot van rekening dat voor een beroep op derdenbescherming de onbevoegdheid die voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht, niet het gevolg was van de onbevoegdheid van de toenmalige vervreemder. De Curaçaose wetgever heeft om hem moverende redenen de derdenbescherming voor de voornoemde situaties helaas niet verruimd. In paragraaf 3.4.10 wordt hiervoor een oplossing aangedragen.
2. Derde-verkrijger is te goeder trouw en verkrijgt anders dan om niet
Zoals in de voorgaande alinea reeds is besproken, dient de trustee in beginsel zijn hoedanigheid aan een derde kenbaar te maken. Kent de derde de hoedanigheid van de trustee niet en verkrijgt hij anders dan om niet, dan kan het zijn dat de beschikkingsonbevoegdheid van de trustee niet in het handelsregister c.q. de openbare registers is ingeschreven. Wanneer de trustee zijn trustrechtelijke verplichtingen schendt, terwijl de beschikkingsonbevoegdheid van de trustee niet in het handelsregister c.q. de openbare registers is ingeschreven, dan wordt de derde-verkrijger ondanks een ongeldige eigendomsoverdracht beschermd.19 Dientengevolge heeft de derde het desbetreffende trustgoed verkregen vrij van trustverband. De (potentiële) begunstigde verliest daardoor het recht op terugvordering van het desbetreffende goed. De (potentiële) begunstigde kan in dat geval trachten de tegenprestatie die door de trustee is ontvangen en die in de plaats van het oorspronkelijke trustgoed is getreden, van hem terug te vorderen.20
In tegenstelling tot het bovengemelde hoeft de trustee – indien in de trustakte anders is bepaald of zulks naar verkeersopvattingen niet van de trustee kan worden gevergd, dan wel naar het toepasselijke recht onmogelijk of verboden is – zijn hoedanigheid niet kenbaar te maken.21 Heeft de derde geen wetenschap van de hoedanigheid van de trustee en verkrijgt hij anders dan om niet, dan leidt een schending door de trustee van zijn trustrechtelijke verplichtingen tot dezelfde gevolgen als de situatie waarin de beschikkingsonbevoegdheid van de trustee niet in het handelsregister c.q. de openbare registers is ingeschreven. Dit impliceert aldus dat de derde verkrijger het desbetreffende trustgoed vrij van trustverband verkrijgt en dat de (potentiële) begunstigde daardoor geen gebruik van zijn goederenrechtelijke opvorderingsactie kan maken.
3. Derde-verkrijger is te goeder trouw en verkrijgt om niet
In het vorenstaande is reeds gemeld dat de trustee niet zijn hoedanigheid bekend hoeft te maken.22 Maakt de trustee zijn hoedanigheid niet kenbaar aan de derde, terwijl de derde om niet verkrijgt, dan kan de beschikkingsonbevoegdheid in het geval van een ‘breach of trust’ tóch aan de derde-verkrijger worden tegengeworpen, behoudens een wettelijke uitzondering.23 Onder deze omstandigheden kan er niet gesproken worden van een geldige eigendomsoverdracht en wordt de derde-verkrijger als gevolg hiervan niet beschermd.24 Dit leidt ertoe dat het trustverband op het desbetreffende goed blijft rusten. De (potentiële) begunstigde beschikt derhalve – zoals ook het geval is bij de situatie waarin de derde-verkrijger niet te goeder trouw is en anders dan om niet verkrijgt – over een goederenrechtelijke opvorderingsactie die hij kan aanwenden om tegen de derde op te treden, tenzij in de trustakte anders is bepaald.
II. De beschikkingsbevoegdheid van de trustee wordt in de trustakte niet beperkt
Zolang de beschikkingsbevoegdheid van de trustee niet impliciet, dan wel expliciet in de trustakte wordt beperkt, is de trustee naar Curaçaos recht volledig bevoegd om beschikkingshandelingen te verrichten, ongeacht of de derde op het moment van de beschikkingshandeling bekend was met de hoedanigheid van de trustee.25
Wanneer de trustee in strijd met zijn trustrechtelijke verplichtingen een beschikkingshandeling verricht, heeft de schending in beginsel géén goederenrechtelijk effect, doch slechts obligatoire gevolgen.26 Dit komt doordat het handelen in het belang van de (potentiële) begunstigde geen aanvullend vereiste vormt voor de eigendomsoverdracht (lees ook: vestiging van een beperkt recht) ex art. 3:84 lid 1 BWC.27 Is het voorgaande het geval, dan kunnen de verbintenisrechtelijke remedies voor de (potentiële) begunstigde uitkomst bieden.
III. Natrekking, zaaksvorming of (oneigenlijke) vermenging trustgoederen met goederen derde-verkrijger
Zoals in het vorenstaande reeds is aangestipt, kan de (potentiële) begunstigde – wanneer de derde-verkrijger niet te goeder trouw is en anders dan om niet heeft verkregen, dan wel de derde-verkrijger te goeder trouw is, doch om niet heeft verkregen, bij de beperking van de beschikkingsbevoegdheid van de trustee in de trustakte – in beginsel door middel van een goederenrechtelijke opvorderingsactie optreden tegen de derde ter handhaving van de trust. Worden oorspronkelijke of gesubstitueerde goederen opgevorderd, dan kan dit goederenrechtelijk op een relatief eenvoudige wijze geschieden. Complexer is de situatie waarin trustgoederen en goederen van de derde-verkrijger worden samengevoegd en er wijzigingen in de eigendomsverhoudingen plaatsvinden als gevolg van natrekking, zaaksvorming of (oneigenlijke) vermenging. De Curaçaose wetgever heeft voor dit soort situaties geen lex specialis in de wet opgenomen.28 Het antwoord dient dan te worden gezocht in het algemene Curaçaose goederenrecht.29
Het fundamentele probleem dat ten grondslag ligt aan de toepassing van de bepalingen ter zake natrekking, zaaksvorming en (oneigenlijke) vermenging in het algemeen goederenrecht is dat er een reëel risico bestaat dat de eigendom van de trustgoederen – door middel van originaire verkrijging – overgaat op de derde-verkrijger. Het verlies van de trustgoederen in dergelijke gevallen leidt ertoe dat de (potentiële) begunstigde uiteindelijk gebruik moet maken van het verbintenissenrecht, terwijl het goederenrechtelijk effect van het trustverband en de daarmee corresponderende goederenrechtelijke remedies juist één van de wezenlijke kenmerken is van de werking van de trust en de bescherming van de trustgoederen. Het is naar mijn overtuiging zonder meer te betreuren dat de Curaçaose wetgever aan dit soort situaties geen enkele aandacht heeft besteed, dan wel een toelichting heeft gegeven over zijn keuze om geen bijzondere bepalingen op te nemen.
Voorts zij opgemerkt dat het concept van ‘following’ en ‘tracing’ in het Anglo-Amerikaanse trustrecht, in het Curaçaose (en het Nederlandse recht) mijns inziens de facto niet nieuw is. Zowel bij het opvorderen van bezit van een zaak als bij zaaksvervanging in het Curaçaose goederenrecht zou men kunnen spreken van een zeker droit de suite, teneinde te bepalen in welke handen de desbetreffende zaak is geweest, dan wel het nieuwe goed te identificeren dat het oorspronkelijke goed heeft vervangen.30 Naar mijn mening is het verschil met het Anglo-Amerikaanse trustrecht enkel gelegen in het feit dat beide genoemde processen in het Curaçaose recht onlosmakelijk zijn gekoppeld aan de uitoefening van de goederenrechtelijke opvorderingsbevoegdheid of de toepassing van zaaksvervanging. Hoewel het resultaat van ‘following’ en ‘tracing’ in het Anglo-Amerikaanse recht op het eerste gezicht vreemd lijkt voor de continentale jurist, kent het Curaçaose goederenrecht aldus in mijn ogen op dit punt een soortgelijk effect.
IV. De tekortkomingen in het Curaçaose systeem
Hetgeen de Curaçaose wetgever voor ogen had met de introductie van een goederenrechtelijke remedie en het systeem hieromtrent in het trustrecht is naar mijn mening een unicum en zeer innovatief. Echter, in de uitwerking en vervolgens in de uitvoering hiervan, is de Curaçaose wetgever mijns inziens jammer genoeg de mist ingegaan. Allereerst is de toekenning van goederenrechtelijke bevoegdheid aan de (potentiële) begunstigde tot het opvorderen van trustgoederen afhankelijk gemaakt van de trustakte. Zoals meermalen is gemeld, behoren de uit het recht van de begunstigde voortvloeiende remedies, waaronder in casu de goederenrechtelijke opvorderingsactie, tot één van de meest elementaire beginselen van het trustrecht. Het voorgaande lijkt aan de Curaçaose wetgever voorbij te gaan. Het regelend karakter van art. 3:156 lid 3 BWC doet afbreuk aan het recht van de begunstigde in het Curaçaose trustrecht en de effectieve wijze van handhaving van de Curaçaose trust.31
Voorts vermeldt de memorie van toelichting dat “in beginsel alle goederen terugvorderbaar [zijn]”.32 Uit het aangehaalde citaat distilleer ik dat de Curaçaose wetgever met het begrip ‘goederen’ vermoedelijk zowel zaken als vermogensrechten heeft bedoeld. Zou dat voor andere interpretatie vatbaar zijn, dan had de Curaçaose wetgever zijn keuze moeten beargumenteren. Bij de uitoefening van de bevoegdheid tot opvordering van zaken levert dit – ondanks het feit dat de (potentiële) begunstigde geen eigenaar is van (rechten op) de zaak – in beginsel geen problemen op. Een soortgelijke bevoegdheid aan niet eigenaren kent het Curaçaose goederenrecht al voor onder andere de vruchtgebruiker, de erfpachter en de opstaller.33 Een bijzondere complicatie doet zich echter voor op het moment dat de begunstigde zijn bevoegdheid tot opvordering uitoefent ten aanzien van (relatieve) vermogensrechten, in het bijzonder vorderingsrechten.34 Op basis van hetgeen de memorie van toelichting vermeldt, lijkt het erop dat de begunstigde die geen partij is bij de betreffende rechtsverhouding tussen een trustee en de derde, op grond van de wet een goederenrechtelijk ‘pseudo-revindicatierecht’ verkrijgt om vorderingsrechten terug te vorderen.35 Dit is een merkwaardige situatie, gezien het feit dat het toekennen van een dergelijk recht in strijd is met het Curaçaose goederenrechtelijk stelsel.36 Het bovenstaande laat derhalve zien dat de Curaçaose wetgever onbewust een ‘pseudo-revindicatierecht’ ten aanzien van (relatieve) vermogensrechten, in het bijzonder de vorderingsrechten, in het trustrecht heeft willen introduceren.
Nauw verwant aan de bovengenoemde problematiek is daarnaast het hiaat in de Curaçaose trustwetgeving ter zake van de publieke kenbaarmaking van de beperking in de beschikkingsbevoegdheid van de trustee.37 De trustee is – zoals eerder is uiteengezet – in beginsel verplicht de derde in kennis te stellen van zijn hoedanigheid als trustee. De derde die handelt met de trustee dient zich bovendien te informeren over het trustverband door de raadpleging van het handelsregister c.q. de openbare registers, teneinde later een beroep te kunnen doen op de derdenbescherming wegens onbekendheid met de beschikkingsonbevoegdheid van de trustee als zodanig, zo schrijven leden 4 en 5 van art. 3:140 BWC voor. Bekendheid met het trustverband, impliceert aldus de bekendheid met de beperking in de beschikkingsbevoegdheid van de trustee zolang een inschrijving in het trustregister of de openbare registers heeft plaatsgevonden. De Curaçaose wetgever zegt in de memorie van toelichting het volgende:
“Ter bescherming van het trustvermogen en in het belang van de begunstigde is het van belang dat eventuele beperkingen ook goederenrechtelijk gelden jegens verkrijgers die de beschikkingsonbevoegdheid kennen of, mede in verband met het bestaan van het trustregister, geacht worden deze te kennen (derde tot en met vijfde lid) [van art. 3:140 – toevoeging KRF] .[…] Het tweede lid [van art. 3:156 BWC – toevoeging KRF] betreft de goederenrechtelijke vordering betreffende hetgeen door de trustee in strijd met zijn openbaar gemaakte bevoegdheden of zijn verplichtingen zijn vervreemd. In beginsel zijn alle goederen terugvorderbaar; degene die bewust met de trustee handelt dient diens bevoegdheid te verifiëren in het trustregister. Wel geldt de uit artikel 141 [artikel 140 in plaats van artikel 141 – aanpassing KRF] en uit het algemene vermogensrecht voortvloeiende bescherming van verkrijgers die de beschikkingsonbevoegdheid niet kennen of geacht worden deze te kennen. […].”38
Frappant is dat het trustregister waarnaar de Curaçaose wetgever in de memorie van toelichting verwijst, bij de invoering van de Landsverordening trust is geschrapt.39 Tevens ontbreekt in de Curaçaose trustwet, de Handelregisterverordening 2009, het Handelsregisterbesluit 2009 of enig andere wet een wetsbepaling die de publiciteitseis omvat. Het is naar mijn mening moeilijk verteerbaar dat de Curaçaose wetgever deze ernstige tekortkoming over het hoofd heeft gezien. Deze omissie in de genoemde wetten heeft tot consequentie dat de Curaçaose wetgever indirect een beroep van een derde-verkrijger op derdenbescherming faciliteert. Het achterwege laten van het publiciteitsvereiste in de wet zal veelvuldig leiden tot onbekendheid met de beperking in de beschikkingsbevoegdheid van de trustee en daarmee een geslaagd beroep op derdenbescherming, daar waar de beperking heeft plaatsgevonden bij trustakte. De goederenrechtelijke positie van de (potentiële) begunstigde bij een ‘breach of trust’ en zijn recht worden enorm verzwakt, aangezien de kans dat trustzaken met succes kunnen worden teruggevorderd, nogal wordt gereduceerd. Daarenboven bepaalt art. 3:154 lid 2, 2e volzin BWC het volgende:
“De trustee geldt als degene tegen wie de desbetreffende rechten en bevoegdheden worden uitgeoefend.”
In deze gedachtegang is de trustee aldus volgens de Curaçaose wetgever de enige persoon jegens wie de (potentiële) begunstigden kunnen optreden. Dat is categorisch onjuist en zonder meer tegenstrijdig. Uit de eerdere analyse is reeds duidelijk gebleken dat (potentiële) begunstigden onder omstandigheden evenzeer jegens derden de aan hun recht van begunstigde verbonden remedies kunnen inroepen. Waarom de Curaçaose wetgever tot deze conclusie komt en dit vervolgens in de wet opneemt, is onbegrijpelijk. Deze onzorgvuldigheden beletten de correcte toepassing van de Curaçaose trustwet.
Ten slotte is het feit dat thans de hoofdregel in de Curaçaose trustwet is die bepaalt dat de trustee onbeperkte beschikkingsbevoegdheid heeft, mijns inziens problematisch.40 Zoals meermalen is uiteengezet, bepaalt de strekking van het trustverband de werking van de trust en daarmee de rechten, verplichtingen en bevoegdheden van de trustee en de (potentiële) begunstigden die uit het trustverband voortvloeien. Dit betekent dat het trustverband – als gevolg van het goederenrechtelijke effect hiervan – tevens bepaalt op welke wijze de trustrechtelijke rechtsverhouding tussen de trustee en de (potentiële) begunstigde wordt vormgegeven. Deze bijzondere rechtsverhouding verplicht de trustee om de trustgoederen te beheren ten behoeve van de (potentiële) begunstigde, hetgeen impliceert dat de trustee immer in het beste belang van de (potentiële) begunstigde dient te handelen. Handelt de trustee niet in overeenstemming hiermee, dan heeft dat naar mijn mening tot gevolg dat zijn beschikkingsbevoegdheid ten aanzien van de trustgoederen wordt aangetast. Hieruit moet naar ik meen worden afgeleid dat de trustrechtelijke rechtsverhouding tussen de trustee en de (potentiële) begunstigde naar Curaçaos recht een algemene beperking van de beschikkingsbevoegdheid van de trustee met zich meebrengt.41 De trustee zal in het kader van de trust dan ook bevoegd zijn om over de trustgoederen te beschikken, voor zover hij het beste belang van de (potentiële) begunstigde in acht neemt. Het feit dat de Curaçaose wetgever in de trustwet heeft opgenomen dat de trustee onbeperkt beschikkingsbevoegd is – zonder rekening te houden met de uit het algemene trustrecht voortvloeiende verplichting van de trustee om te allen tijde de trustgoederen ten behoeve van de (potentiële) begunstigde te beheren – is mijns inziens in strijd met het Curaçaose trustrecht en botst met het karakter van de trust.42 Door de thans geldende hoofdregel in het Curaçaose trustrecht in stand te laten, wordt mijn inziens indirect een deel van de goederenrechtelijke werking van het trustverband, terstond na de totstandkoming van de trust, ontnomen en heeft dat tevens negatieve consequenties voor de uitoefening van de goederenrechtelijke remedies door de (potentiële) begunstigde.
Voor alle in het bovenstaande besproken tekortkomingen worden in paragrafen 4.3.8, 4.3.10, 4.3.11 en 4.3.13 alternatieve regelingen voorgesteld.