Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/12.2.3.6:12.2.3.6 Andere afwijkende belastingverdragen
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/12.2.3.6
12.2.3.6 Andere afwijkende belastingverdragen
Documentgegevens:
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS300792:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In een aantal belastingverdragen komen sterk afwijkende bepalingen voor. Zo bevat de dividendbepaling in het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland geen definitie van de term ‘dividend’. Wel bepaalt punt 10 ad art. 5, 7 en 13 van het slotprotocol bij dit verdrag dat inkomsten uit ‘aandelen, (...), aandeelbewijzen en soortgelijke effecten (...)’ als dividenden worden aangemerkt. Art. 14, lid 3, merkt als interest aan ‘inkomsten uit leningen, obligaties, wissels of uit enige andere vorm van schuldenaarschap. Voor inkomsten uit converteerbare obligaties en winstdelende obligaties vindt artikel 13, eerste, tweede, derde en vijfde lid, toepassing’. Voor de uitleg van de term ‘winstdelende obligaties’ wordt verwezen naar paragraaf 12.2.3.3.
Art. 9 van het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland heeft betrekking op inkomsten uit roerend kapitaal. Deze term omvat volgens het slotprotocol ad art. 9 zowel dividenden als andere inkomsten uit roerend kapitaal. De uitdrukking ‘dividenden’ omvat onder meer inkomsten uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen en andere door effecten vertegenwoordigde vennootschappelijke rechten. Inkomsten uit overheidsleningen en obligaties behoren tot de andere inkomsten uit roerend kapitaal, ongeacht of daaraan een recht op een aandeel in de winst is verbonden. Met deze bepalingen is naar mijn mening beoogd om inkomsten uit winstdelende obligaties als bedoeld in art. 3, lid 1, onderdeel f, Wet DB 1965 onder het rentebegrip te brengen.1
De BRK definieert de term ‘dividend’ niet. Wel is in art. 2, lid 5, bepaald dat de opbrengst van winstbewijzen en winstdelende obligaties als dividend wordt aangemerkt. De uitdrukking ‘winstdelende obligaties’ omvat naar mijn mening de obligaties die zijn bedoeld in de pre-2002 versie van art. 3, lid 1, onderdeel f, Wet DB 1965.
In art. 11, lid 7, van het belastingverdrag tussen Nederland en Mexico zijn ten opzichte van art. 11, lid 5, NSV de woorden ‘gelet op de schuldvordering terzake waarvan deze wordt betaald’ vervangen door ‘om welke reden dan ook’. Uit de parlementaire toelichting op deze bepaling blijkt dat hiermee is beoogd om voor de toepassing van de rentebepaling te verduidelijken dat een correctie van de rente niet alleen is toegestaan als de overeengekomen rente zakelijk gezien te hoog of te laag is, maar ook als de hoofdsom van de lening hoger is dan de hoofdsom die tussen onafhankelijke partijen zou zijn overeengekomen.2
Ook in art. 8, lid 4, van het belastingverdrag tussen Nederland en de voormalige Sovjet-Unie en in art. 11, lid 4, van het belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk komen de woorden ‘gelet op de schuldvordering ter zake waarvan deze wordt betaald’ niet voor. In deze bepalingen is vastgelegd dat de vergelijking met hetgeen tussen derden zou zijn overeengekomen zowel betrekking kan hebben op de voorwaarden als op het bedrag van de schuldvordering.
Uit art. 10, lid 3, van het belastingverdrag tussen Nederland en IJsland en de parlementaire toelichting op deze bepaling blijkt dat het IJslandse fiscale systeem voorziet in een beperkte aftrekbaarheid van uitgekeerde dividenden.3 In verband daarmee is bepaald dat de IJslandse dividendbelasting niet wordt gereduceerd tot nihil maar tot 15% wanneer de uiteindelijke gerechtigde tot de dividenden een Nederlands lichaam is dat onmiddellijk ten minste 10% van het kapitaal in het IJslandse lichaam bezit.