Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.2.1
6.2.1 De ontwikkeling van de positie van het slachtoffer in het strafproces
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946209:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Groenhuijsen 2018, p. 170.
Buruma 2020, p. 4.
Van der Aa & Groenhuijsen 2012, p. 1 en Groenhuijsen 2018, p. 170.
Zie voor een meer uitgebreide beschouwing van de maatschappelijke ontwikkelingen die de aanzet vormen voor de veranderde positie van het slachtoffer in het strafproces: Buruma 2020, p. 3-6.
Zie voor een bespreking van die ontwikkeling onder meer: Langemeijer 2010, p. 4-6; Groenhuijsen 2018, p. 170-171; Buruma 2020, p. 6; Corstens 2021, p. 122 en Groenhuijsen 2021, p. 484-485.
Stcrt. 1986, 33.
Stcrt. 1987, 64.
Wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 29.
De vordering was tot dan toe wettelijk gemaximeerd op ƒ 1.500.- en die beperking verviel. Ook werd de schadevergoedingsmaatregel ingevoerd.
Dit werd al eerder gesignaleerd: zie Groenhuijsen 2021, p. 485.
Wet van 21 juli 2004, Stb. 2004, 382.
Wet van 17 december 2009, Stb. 2010, 1. Met deze wet wordt gevolg gegeven aan het Kaderbesluit nr. 2001/220/JBZ. Dit heeft dermate lang geduurd omdat de Nederlandse regering meende dat de bestaande wetgeving reeds voldeed. De Europese Commissie concludeerde dat dit niet het geval was, waarna de Nederlandse wet alsnog werd gewijzigd.
Kooijmans 2011, p. 31-32 met verwijzing naar Kamerstukken II 2004-2005, 30 143, nr. 3, p. 5-7 en 11.
Wet van 8 maart 2017, Stb 2017, 90. Zie tevens het Besluit van 24 augustus 2016, houdende regels voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten (Stb. 2016, 310) dat op hetzelfde moment in werking trad.
Wet van 14 april 2016, Stb. 2016, 160.
Van der Aa & Groenhuijsen 2021, p. 9-10; Groenhuijsen 2018, p. 180.
Wet van 21 april 2021, Stb. 2021, 220.
Groenhuijsen 2021, p. 485-486.
Zie bijvoorbeeld Harteveld & Simmelink 2021, p. 297-298. Zij spreken van “een niet aflatende politieke belangstelling voor slachtoffers” en signaleren dat secundaire victimisatie op de loer ligt waar gewekte verwachtingen niet worden waargemaakt. Zie tevens Otte 2021, p. 575-583 waarin aan de hand van een aantal voorbeelden de zorgen van Groenhuijsen aangaande “de politiek-publicitaire behoefte met slachtoffers te scoren” worden bevestigd.
Corstens 2021, p. 123-124.
De positie van het slachtoffer in het strafproces heeft een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. In de literatuur is wel gesteld dat het slachtoffer in het Wetboek van Strafvordering van 1926 nog als “de vergeten persoon” kon worden aangemerkt.1 De verdachte was bij uitsluiting van anderen de hoofdrolspeler in het strafproces.2 Een slachtoffer vervulde in die tijd slechts een functionele en faciliterende rol als aangever of getuige. Het strafproces diende hoofdzakelijk tot herstel van de publieke rechtsorde. Het belang van het slachtoffer kreeg in die procedure met name invulling via de mogelijkheid om een vordering tot schadevergoeding in te dienen.3
Halverwege de jaren ’80 van de vorige eeuw begint dit wezenlijk te veranderen. Die veranderingen kunnen worden verklaard vanuit de sociaalmaatschappelijke ontwikkelingen in die tijd. Er was sprake van een culturele revolutie waarbij meer waarde werd gehecht aan de persoonlijke vrijheid. Burgers stonden steeds kritischer tegenover de overheid en overheidsingrijpen. Zij werden mondiger, hadden meer oog voor het eigen belang en meenden dat de overheid een verantwoordelijkheid droeg bij de verwezenlijking van het persoonlijke belang. Die gedachte was het sterkst waar het ging om zwakkeren in de samenleving. Zo vroegen bijvoorbeeld vrouwenorganisaties aandacht voor de slachtoffers van zedenmisdrijven en pleitten zij voor betere hulpverlening. De veranderende maatschappelijke opvattingen werkten ook door in de rechtspleging. De rechter behoorde niet langer slechts oog hebben voor de verdachte die voor hem was gebracht. De rechter moest ook toetsen of de overheid daarbij binnen de wet had geopereerd en moest meer aandacht hebben voor de belangen van andere getroffen partijen. Mettertijd wint het inzicht dat wettelijke regelgeving de poort is naar emancipatie van slachtoffers, omdat dit maakt dat zij hun eigen belangen te gelde kunnen maken.4
De ontwikkelingen in de strafrechtspleging ten behoeve van het slachtoffer volgen elkaar vanaf de jaren ’80 in snel tempo op.5 In 1986 verschenen de Richtlijnen De Beaufort met daarin gedragsregels voor politie en justitie bij de bejegening van slachtoffers van seksuele geweldsmisdrijven. 6Een jaar later volgde de zogenoemde Richtlijn Vaillant waarin deze bejegeningsvoorschriften werden uitgebreid naar alle misdrijven. 7In de jaren ’90 volgt de Wet Terwee waarmee voor het eerst een aparte afdeling in het Wetboek van Strafvordering wordt gewijd aan de persoon die is benadeeld door het strafbare feit.8 Dit leidt tot een verbetering van de positie van de benadeelde partij, onder meer doordat de mogelijkheden voor de civielrechtelijke vordering in het strafproces worden verbreed.9 In de literatuur wordt de opmars van het slachtoffer in het strafproces vaak in verband gebracht met de Wet Terwee en daardoor ontstaat het beeld dat de opkomst verloopt via de civielrechtelijke rol die het slachtoffer reeds inneemt in de strafprocedure. Het is evenwel van belang om vast te stellen dat met de Richtlijnen De Beaufort en Vaillant al eerder stappen werden gezet ten behoeve van het slachtoffer die geen betrekking hebben op de rol van het slachtoffer als benadeelde partij en waarbij het financiële belang niet centraal staat. 10
Sinds de start van deze eeuw is ook de Europese Unie meer nadrukkelijk gaan zorgdragen voor de belangen van slachtoffers. Zo volgde in 2001 een Kaderbesluit betreffende de status van het slachtoffer in de strafprocedure.11 Het besluit bevat normen aangaande de bejegening van slachtoffers van misdrijven, het recht van slachtoffers om te worden geïnformeerd over de strafzaak en de inbreng van slachtoffers in de strafprocedure. Daarnaast werd vanaf 2004 het slachtoffer van ernstigere feiten de mogelijkheid geboden tot het afleggen van een schriftelijke slachtofferverklaring, waarna in 2005 het spreekrecht werd ingevoerd.12 In 2011 is vervolgens een afzonderlijke titel in het Wetboek van Strafvordering gewijd aan de rechten van het slachtoffer. 13Dit markeert volgens Kooijmans de definitieve emancipatie van het slachtoffer in het strafproces. Daarbij spreekt hij van een “unieke doorbraak met grote symbolische waarde”, omdat het slachtoffer voor het eerst als zodanig – en niet in een afgeleide hoedanigheid als aangever, getuige, belanghebbende of benadeelde partij – wordt erkend als een betrokkene in het strafproces. Kooijmans merkt daarbij op dat de rechten die in deze titel aan het slachtoffer zijn toebedeeld concreet invulling moeten krijgen aan de hand van de meermaals in de memorie van toelichting verwoorde opdracht voor de overheid om in het strafproces voortdurend rekening te houden met de belangen van het slachtoffer.14 De groei van de positie van het slachtoffer stokt op dat moment niet. In 2012 volgt een Richtlijn van de Europese Unie waarin minimumnormen zijn voorgeschreven voor de rechten, ondersteuning en bescherming van slachtoffers van strafbare feiten.15 Deze voorschriften zijn per 1 april 2017 in de Nederlandse strafwet geïmplementeerd.16 Kort daarvoor is in 2016 ook het spreekrecht uitgebreid.17 Sindsdien mag het slachtoffer niet slechts spreken over de gevolgen van het delict, maar mag hij zich ook uitlaten over de vragen van art. 350 Sv.
De groeiende positie van het slachtoffer in het strafproces werd door procesdeelnemers en in de wetenschappelijke literatuur in eerste instantie met de nodige scepsis en terughoudendheid ontvangen. Inmiddels is de emancipatie van het slachtoffer in het strafproces echter geaccepteerd en wordt deze in haar algemeenheid positief gewaardeerd. Dat geldt echter niet voor alle ontwikkelingen. Met name op de ontwikkelingen in het laatste decennium is de nodige kritiek geuit. Vanuit de literatuur klinkt duidelijk het geluid dat méér slachtofferrechten niet steeds leidt tot een verbetering van de positie van het slachtoffer. Daarnaast kan het toebedelen van meer rechten afbreuk doen aan de werking van het strafproces in het algemeen en aan de rechten van de verdachte in het bijzonder.18 Onder meer het steeds verder uitdijende spreekrecht ondervindt de nodige kritiek. Dat geldt ook voor de meer recente wetswijziging waardoor verdachten kunnen worden verplicht om ter terechtzitting te verschijnen.19
Mede gelet op deze kritiek onderscheidt Groenhuijsen drie fases van de slachtofferemancipatie. De eerste periode loopt tot 1985. Tot dan toe werd binnen het strafrecht nauwelijks iets gedaan voor het slachtoffer. De tweede periode loopt vanaf 1985 tot 2010. In deze periode zijn diverse afgewogen voorzieningen getroffen om de strafrechtspleging slachtoffervriendelijker te maken. De derde fase start in 2010 en vanaf dat moment zijn volgens Groenhuijsen “alle remmen los”. De (wets)initiatieven ten behoeve van het slachtoffer ontberen zijns inziens steeds meer en steeds vaker een wetenschappelijke verantwoording en de motivatie om de totale hoeveelheid leed in het strafproces te minimaliseren – voor slachtoffer én verdachte – lijkt naar de achtergrond te verdwijnen. Groenhuijsen stelt dat het slachtoffer wordt geïnstrumentaliseerd en concludeert dat het: “beroep op hun belangen is gekaapt door politici die uit zijn op electoraal gewin en door andere belanghebbenden”.20 Deze kritiek wordt door diverse auteurs onderschreven.21
Die kritiek laat onverlet dat het slachtoffer inmiddels een wezenlijk andere positie in de strafrechtspleging inneemt dan tot de jaren ’80 van de vorige eeuw het geval was. Volgens Corstens is het minder “over u maar zonder u” en meer “over u en met u”. De strafrechtspleging was vooral gericht op het vinden en bestraffen van de dader en is steeds meer gericht op het in goede banen leiden van de schade die een strafbaar feit voor betrokkenen veroorzaakt. Daarmee zijn volgens Corstens de belangen van het slachtoffer veel directer gaan meetellen dan voorheen het geval was. 22