Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.2.2.2
2.2.2.2 Wetgeving: de Wet op stichtingen en Boek 2 BW
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232220:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Al verzuchtte Van Zeben in 1963 nog dat het jammer is dat de praktijk aan de vermogensafzondering vasthoudt, C.J. van Zeben, ‘Ervaringen met de Wet op stichtingen’, WPNR 1963/4770. Een voorbeeld van het gelijk van Van Zeben is de formulering van de uiterste wilsbeschikking te kennen uit Rechtbank Limburg 23 oktober 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:9515, JERF 2019/348.
Asser/Rensen 2-III 2017/304. Voor de bepalingen die wel gewijzigd zijn, zie J.A.Th.J.M. Duynstee, ‘Nieuwe voorstellen van wettelijke stichtingsbepalingen’, WPNR 1971/5120. Bij het ontwerp van de Wet op stichtingen was al rekening gehouden met de overbrenging van de wet in het nieuw Burgerlijk Wetboek, Kamerstukken II 1954-1955, 3463, nr. 4, p. 13-14.
Het gewoonterecht schreef voor dat een stichting werd opgericht door vermogensafzondering. Met de invoering van de Wet op stichtingen werd in 1957 met deze traditie gebroken.1
Artikel 1 lid 1 Wos luidde:
‘Een stichting is een door een rechtshandeling in het leven geroepen rechtspersoon, welke geen leden kent en beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een bepaald doel te verwezenlijken.’
en artikel 3 lid 1 Wos:
‘Een stichting moet onder de levenden worden opgericht bij notariële akte en na dode bij openbare uiterste wil; bij een andere uiterste wil opgericht, wordt de beschikking aangemerkt als een aan de erfgenaam opgelegde last om de stichting in het leven te roepen. Indien bij uiterste wil een last is opgelegd om een stichting in het leven te roepen, heeft het openbaar ministerie bij de rechtbank, binnen welker rechtsgebied het in artikel 7, lid 1, bedoelde openbaar centraal register wordt gehouden, een vordering tot nakoming van de last tegen de erfgenaam.’
De Wet op stichtingen kende daarmee ook de bij dode opgerichte stichting.
Artikel 5 Wos bepaalde nog dat als een bij dode opgerichte stichting het gehele vermogen van de erflater of een evenredig deel daarvan verkreeg, dit gebeurde door het enkele feit van overlijden. Betrof de begunstiging een bepaalde zaak, dan was levering nodig.
Bij de invoering van Boek 2 BW zijn veel bepalingen uit de Wet op stichtingen materieel ongewijzigd overgebracht naar dit wetboek.2 Dit geldt ook voor de huidige inhoud van artikel 2:286 BW en artikel 4:135 BW, de enige bepalingen waarin expliciet de bij dode opgerichte stichting aan de orde komt. Deze bepalingen vormen daarmee de kernbepalingen voor de bij dode opgerichte stichting. Voor het begrip van de stichting in Nederland is de literatuur en wetsgeschiedenis ten aanzien van de Wet op stichtingen daardoor nog steeds van belang. Hoofdstuk 3 staat geheel in het teken van de artikelen 4:135 en 2:286 BW.