Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 juni 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6027.
HR, 26-09-2025, nr. 23/03789
ECLI:NL:HR:2025:1407
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-09-2025
- Zaaknummer
23/03789
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑09‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1407, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑09‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:1853
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025092606
FutD 2025-1894
NDFR Nieuws 2025/1490
V-N 2025/42.11 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2025/403 met annotatie van R.T. Wiegerink
NTFR 2025/1762 met annotatie van mr. M.H.W.N. Lammers
NLF 2025/2125 met annotatie van Angelique Perdaems
FED 2025/101 met annotatie van P. van der Wal
BNB 2025/131 met annotatie van F.J.P.M. Haas
AB 2025/301 met annotatie van J.M.J.F. Jansen
JB 2025/196
Beroepschrift 26‑09‑2025
Onderwerp: Beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag d.d. 17-08-2023 met kenmerk(en) BK 21/01046 t/m 21/01070
Edelhoogachtbaar college,
Namens belanghebbende, [X] B.V., gevestigd te [Z], stel ik bij deze beroep in cassatie in, althans vul ik de gronden aan van het beroep tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag d.d. 17-08-2023 met kenmerk(en) 21/01046 t/m 21/01070.
In casu gaat het in beginsel om drie verschillende (hoger) beroepszaken welke separaat zijn ingediend. In hoger beroep is driemaal griffierecht geheven en betaald. De drie zaken zijn als zodanig op zitting behandeld.
Tot grote verbazing van belanghebbende zijn deze drie verschillende zaken in één uitspraak gevoegd, waardoor voor belanghebbende verwarring is ontstaan. Belanghebbende zal dit in middel 1 en verder toelichten.
1. Aangedragen middelen
Als middelen worden aangedragen:
Middel 1
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel doordat het Hof, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, zijn uitspraken in drie verschillende dossiers met drie verschillende uitspraken, in bezwaar en in beroep, tot één uitspraak heeft gevoegd, welke zorgdraagt voor verwarring bij belanghebbende en welke eveneens in strijd is met een goede procesorde.
Middel 2
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, geen inzicht heeft gegeven in de berekening van de in stand gelaten naheffing.
Middel 3
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat het Hofop onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, een onjuiste weergave van het onderzoek ter zitting heeft gegeven door in het proces-verbaal enkel de gemachtigde, verweerder en deskundige op te nemen. Daarbij heeft het Hof verzaakt de bijdragen van de Raadsheren alsook van de griffier te benoemen.
Middel 4
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist dat het taxatierapport van belanghebbende niet kan dienen.
Middel 5
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist dat belanghebbende de schade niet aannemelijk heeft gemaakt.
Middel 6
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 10, lid 8, sub a Wet Bpm j° artikel 110 VWEU doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van meer dan 72% schadeaftrek.
Middel 7
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist dat het Hof geen gebruik heeft gemaakt van het meest recente onderzoeksrapport VMS/Insight.
Middel 8
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 110 VWEU doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in geval van Eurotaxglass alle correctiefactoren toegepast kunnen worden.
Middel 9
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 110 VWEU doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in casu sprake is van fiscale discriminatie.
Middel 10
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 10, lid 8, sub a Wet Bpm j° artikel 110 VWEU doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een schadeverleden.
Middel 11
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel in combinatie met het Besluit proceskosten bestuursrecht doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, dat de aanwezigheid van een deskundige ter zitting niets heeft bijgedragen.
Middel 12
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel in combinatie met het Besluit proceskosten bestuursrecht doordat het Hofop onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, de proceskosten heeft gematigd.
2. Toelichting
Middel 1
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel, doordat het Hof op onjuiste gronden althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, zijn uitspraken in drie verschillende dossiers met drie verschillende uitspraken, in bezwaar en in beroep, tot één uitspraak heeft gemaakt welke zorgdraagt voor verwarring bij belanghebbende en welke eveneens in strijd is met een goede procesorde.
In casu is in hoger beroep driemaal griffierecht geheven en driemaal betaald. De reden hiervoor is dat deze zaken in bezwaar en beroep als zodanig, aldus separaat, zijn behandeld. De drie zaken zijn eveneens als zodanig (separaat) op zitting bij het Hof behandeld.
Het Hof heeft besloten deze drie zaken te voegen in één uitspraak, welke maakt dat dit in casu in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. In beginsel is het aan het Hof welke keuze hierin gemaakt wordt, maar in casu leidt dit tot verstoring van de goede procesorde, daar belanghebbende geen touw kan vastknopen aan de uitspraak.
Het Hof had aldus zijn oordelen uitzonderlijk van elkaar moeten uitspreken en afzonderlijk van elkaar in een uitspraak moeten neerleggen, omdat de voeging van de verschillende zaken tot een verwarrende en een onmogelijk te verifiëren uitspraak heeft geleid.
De uitspraak van het Hof is niet alleen verwarrend, maar ook slordig en onduidelijk. Uit de uitspraak is veelal niet te destilleren op welk voertuig het Hof zich baseert, of het ene oordeel bedoeld is voor alle drie de zaken of per zaak afzonderlijk. De volgorde van de uitspraak is eveneens niet te volgen.
In geval van bezwaar en beroep zijn in casu de consequenties van zowel gegrondverklaring danwel ongegrondverklaring expliciet in de uitspraken verwerkt, welke duidelijkheid biedt over hetgeen is geoordeeld. Nu het Hof eenzijdig heeft besloten om deze zaken te voegen in één uitspraak, is het belanghebbende geheel onduidelijk welke consequenties dit heeft voor de zaken separaat danwel tezamen. En dan rijst de vraag of de uitspraak van het Hof überhaupt rekenkundig juist is, waarover meer in middel 2.
Het oordeel van het Hof kan dan ook niet in stand blijven
Middel 2
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, geen inzicht heeft gegeven in de berekening van de in stand gelaten naheffing.
Belanghebbende heeft direct na ontvangst van de uitspraak een verzoek tot inzage van de berekening bij het Hof neergelegd om zodoende inzicht te krijgen hoe de berekening tot stand is gekomen. Het Hof heeft geweigerd een afschrift toe te zenden waaruit de (on) juistheid van de berekening blijkt.
Het is op deze wijze aldus niet mogelijk om de berekening van het Hof op (on) juistheid te controleren. Dit is een omissie van ongekende grootte daar het Hof verplicht is om een helder geformuleerde uitspraak te doen. Overlegging van de wijze van berekening zou een kleine moeite moeten zijn daar het Hof deze in bezit zou moeten hebben. Nu het Hof weigert de berekening te overleggen rijst de vraagt hoe het Hof tot deze berekening is gekomen.
De wijze waarop de uitspraak tot stand is gekomen is dan ook onbegrijpelijk. De bevindingen per auto op pagina 16 tot en met 18 zijn zeer summier weergegeven, waardoor belanghebbende niet kan berekenen hoe de bedragen tot stand zijn gekomen en hoe dit zich verhoudt naar de drie verschillende zaken.
Het Hof had het schema van de Rechtbank kunnen aanhouden en eventueel kunnen uitbreiden, waardoor belanghebbende zou kunnen contoleren welke bedragen aan schade door het Hof wel of niet zijn toegekend en/of wel of niet zijn teruggedraaid. Op deze wijze is het aldus niet mogelijk om een controle uit te voeren en aldus de (on) juistheid van de uitspraak te controleren.
Belanghebbende vraagt zich dan ook af waarom het Hof deze keuze heeft gemaakt. Het Hof had kunnen begrijpen dat deze uitspraak zich leent voor beroep in cassatie daar deze op meerdere gronden onbegrijpelijk is. Het Hof heeft mij, na weigering van mijn verzoek tot overlegging van de berekening, medegedeeld dat ik maar in cassatie moet gaan. Dit is een onbegrijpelijke reactie op een voor de hand liggend verzoek, daar belanghebbende recht heeft op inzage van de totstandkoming van de berekening.
Belanghebbende vraagt zich ook af waarom het Hof weigert de onderliggende berekening te overleggen, daar dit duidelijk in strijd is met een goede procesorde. Het is immers niet te controleren.
Het oordeel van het Hof kan dan ook niet in stand blijven.
Middel 3
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, een onjuiste weergave van het onderzoek ter zitting heeft gegeven door in het proces-verbaal enkel de gemachtigde, verweerder en deskundige op te nemen. Daarbij heeft het Hof verzaakt de bijdragen van de Raadsheren alsook van de griffier te benoemen.
Belanghebbende vindt het onbegrijpelijk dat het proces-verbaal incompleet is en vraagt zich af hoe het mogelijk is dat de bijdragen van de raadsheren alsmede de bijdrage van de griffier niet in het procesverbaal zijn opgenomen.
Tijdens de zitting hebben de raadsheren vragen gesteld aan procespartijen, standpunten van het Hof benoemd en met regelmaat hele gesprekken gevoerd met procespartijen. Het is dan ook bijzonder dat dit niet is opgenomen in het proces-verbaal. Het proces-verbaal wordt onder andere opgenomen om de voortgang van de zitting op te nemen en hetgeen procespartijen stellen, dus ook het Hof, vast te leggen.
Daarnaast is het voor de procespartijen een middel om te oordelen of de weergave van het procesverbaal overeenkomt met hetgeen op zitting is gebezigd. Nu het Hof de keuze heeft gemaakt om zijn eigen aandeel in het proces-verbaal buiten beschouwing te laten, wordt belanghebbende geschaad in zijn procesvoering. Immers, hoe valt te verifiëren hoe bepaalde standpunten voor het voetlicht zijn gebracht. De nuance van hetgeen ter berde is gebracht, ontbreekt dan ook volledig.
Het Hof heeft aldus in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel, nu het proces-verbaal incompleet is en de input van het Hof ter zitting niet te verifiëren is.
Het oordeel van het Hof kan dan ook niet in stand blijven.
Middel 4
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist dat het taxatierapport van belanghebbende niet kan dienen.
Belanghebbende wijst uw College op r.o. 5.3.4. waarin het Hof stelt twijfel te hebben aan de juistheid van het taxatierapport. Het Hof twijfelt aan het taxatierapport daar de tijdspanne van de inspectie niet overeenkomt met de regelgeving met betrekking tot taxatierapporten. Het Hof ziet 16:19 uur op de klok op het dashboard, dit is echter onjuist.
Het Hof stelt aldus dat de tijdspanne niet juist is, echter heeft het Hof de tijdspanne niet correct afgelezen van de foto, zie pagina 17 bovenaan van het taxatierapport. Het Hof leest 16:19 uur, terwijl er duidelijk een tijdspanne is te zien van 10:19 uur. Deze tijdspanne is geheel in lijn met de juiste volgorde, welke gevolgd dient te worden met betrekking tot het opstellen van een taxatierapport.
De reden voor twijfel bij het Hof had aldus niet hoeven te bestaan indien het Hof zorgvuldigheid had betracht.
Nu de onzorgvuldigheid van het Hof ten aanzien van het bekijken van de foto's is komen vast te staan, bestaat het vermoeden bij belanghebbende dat het Hof geenszins serieus naar de foto's heeft gekeken. Indien er wel serieus naar de foto's is gekeken, is er mogelijk sprake van slechtziendheid bij het Hof.
Hoe het ook zij, het vermoeden rijst dat het Hof niet in staat is gebleken om een gedegen onderzoek te verrichten naar de juistheid van de tijdspanne en de eventuele aanwezige schades én aldus is het Hof niet in staat om een juist oordeel te vellen over de taxatierapporten.
De taxateur, belanghebbende, de deskundige, ondergetekende en de Rechtbank hebben de schade immers wel kunnen vaststellen. De foto's uit het taxatierapport zijn helder en zeker niet over- of onderbelicht, zoals het Hof stelt.
Ondergetekende heeft het Hof meerdere malen verzocht om de foto's digitaal te bekijken in verband met het behouden van de kwaliteit daar de Belastingdienst het taxatierapport van belanghebbende per post krijgt toegestuurd, welke vervolgens door de Belastingdienst wordt ingescand, om vervolgens weer uitgeprint te worden. Vervolgens worden de rapporten per post naar het Hof gestuurd. Na dit proces hebben de foto's 70% aan kwaliteit verloren. Eveneens worden de taxatierapporten door de Belastingdienst in de meeste gevallen zwart/wit uitgeprint, waardoor de kwaliteit van de foto's nog verder verloren gaat en zelfs zodanig, dat er niets anders te zien is dan vage zwart/wit vegen.
De digitale rapporten zijn tijdig naar het Hof gestuurd, het is de vraag of het Hof gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid of toch de keuze heeft gemaakt om voor de foto's te kiezen welke verweerder per post heeft ingediend.
Linksom of rechtsom, uit dergelijke omissies moet volgen dat het oordeel van het Hof niet in stand kan blijven.
Middel 5
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist dat belanghebbende de schade niet aannemelijk heeft gemaakt.
In navolging van middel 4 concludeert belanghebbende dat het Hof onzorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van de beoordeling van de taxatierapporten.
Vast is komen te staan dat het Hof de tijdspanne niet correct heeft afgelezen.
In casu zijn alle taxatierapporten wettelijk toegestaan en heeft de taxateur conform de regelgeving gehandeld. Dat er twijfel is blijven bestaan over de schades in het rapport, omdat het Hof het simpelweg niet heeft gezien, danwel doordat het Hof niet kan beoordelen of er wel of geen schade is, is geheel toe te rekenen aan het Hof.
Dit houdt in dat belanghebbende in zijn procespositie is geschaad, de schades zijn immers evident aanwezig.
Het Hof kwalificeert de schade telkenmale anders, waardoor het voor belanghebbende erg verwarrend is wat er nu bedoeld wordt. Op pagina 16 tot en met 18 heeft het Hof zijn bevindingen in een schema gezet. Het ene moment is de ernst niet van de foto's af te lezen, het andere moment zijn het simpelweg gebruikerssporen, dan is het weer dat het standpunt van de Inspecteur dient te worden gevolgd. Wat wordt bedoeld met de opmerking ‘dat het Hof de ernst er niet van inziet’?
Het Hof had dit dienen te motiveren. Om welke reden wordt de Inspecteur gevolgd? Dit is ook niet gemotiveerd. Belanghebbende benadrukt dat de schades aanwezig waren ten tijde van de inspectie. De Rechtbank heeft enige schade toegekend daar zij wel enigszins zorgvuldigheid heeft betracht. Tevens heeft de Rechtbank de totstandkoming van de berekening inzichtelijk gemaakt. Het Hof heeft deze zorgvuldigheid echter niet betracht.
Ex-rental
In r.o. 5.2. oordeelt het Hof dat het huurverleden niet in geschil is en dat daarmee, voor de auto's 1 tot en met 21 en 23 al voldoende rekening is gehouden door de keuze voor de koerslijst X-Ray Rental. Het Hof gaat voorbij aan het geschil in deze. Belanghebbende heeft tijdig, reeds in de beroepsfase, gebruik gemaakt van Eurotaxglass en deze bij meerdere auto's toegepast.
In deze zaak ligt voor voertuig 22 ook géén koerslijst X-Ray ten grondslag aan de waardebepaling. In dat geval maakt belanghebbende derhalve nog steeds aanspraak op de toegepaste afwaardering wegens het gebruik als huurauto.
Uw College heeft dit aspect in zijn arrest van 28 februari 2020 bevestigd. In die zaak ging het om een belanghebbende die een i) koerslijstaangifte heeft ingediend en ii) een niet ex-rental wilde vergelijken met een ex-rental, waardoor de uitkomst is zoals hij is (en in die zin niet te vergelijken is met voorliggende casus).
Zoals uw College terecht en begrijpelijk heeft beslist:
‘2.3.5
De omstandigheid dat in de handel aan het verhuurverleden van een personenauto een waardedrukkende invloed wordt verbonden, brengt, anders dan middel I betoogt, niet mee dat met die waardedrukkende invloed ook rekening moet worden gehouden bij personenauto's zonder verhuurverleden. In zoverre is immers niet sprake van gelijksoortige personenauto's als hiervoor in 2.3.4 bedoeld. Evenmin brengt het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU mee dat de belastingplichtige die ervoor kiest de waarde van de te registreren personenauto te bepalen aan de hand van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst, een aanvullende vermindering in aanmerking mag nemen op grond van een factor die in deze koerslijst niet staat.’
Zeer recent nog, op 17 november jl., heeft uw College dit bevestigd in de nummers 21/05016 en 21/05017.
Nogmaals voorop gesteld dat niet in geschil is dat het om ex-rentals gaat. Het Hof stelt in r.o. 5.2. dat op de facturen die aan belanghebbende zijn uitgereikt niet vermeld staat dat het om auto's gaat met meer dan normale gebruikerssporen dan van gebruikelijke sporen van gebruik als het om een huurauto zou gaan. Dit is echter geen constitutief vereiste, uw College verbindt deze voorwaarde hier ook niet aan.
Het staat vast dat de auto meer dan normale gebruikerssporen heeft, deze hoeven niet vermeld te worden op de factuur. De extra voorwaarde welke het Hof er nu aan verbindt, is in strijd met hetgeen uw College heeft geoordeeld. Het gegeven dat het een huurauto betreft, is voldoende om hiervoor de waardevermindering toe te passen. Het Hof heeft dit miskend.
Het oordeel van het Hof kan niet in stand blijven.
Middel 6
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 10, lid 8, sub a Wet Bpm j° artikel 110 VWEU doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van meer dan 72% schadeaftrek.
De voertuigen van belanghebbende variëren in leeftijd van 5 maanden tot ten hoogste 14 maanden. Elke auto heeft een laag kilometrage. Daarmee komt op grond van de 72% norm de waardevermindering in casu uit op 97,2%. Dit is in alle gevallen een hoger percentage dan door het Hof is toegepast.
Voor voertuig 21 heeft het Hof zelfs de waardevermindering teruggedraaid. Het Hof gaat voorbij aan het oordeel van twee taxateurs, aldus van zowel de taxateur van belanghebbende als van DRZ. Dit bevreemdt belanghebbende, het Hof is immers niet deskundig in deze.
Voor zover de norm 72% al als legitiem kan worden gezien (quod non!), is daar — ook gezien de jurisprudentie — gemotiveerd en met recht van afgeweken. Ik wijs graag op de volgende uitspraak:
‘ Gerechtshof 's‑Hertoeenbosch 14-07-2016. ECLI:IML:GHSHE:2016:2998
4.5.
Naar het oordeel van het Hof is het bedrag van de getaxeerde schade niet per definitie gelijk aan de waardevermindering van een auto als gevolg van de schade. Om die reden acht het Hof het door de besluitgever in onderdeel 3.5 van Bijlage I opgenomen bewijsvermoeden, dat de waardevermindering 72 % van het getaxeerde schadebedrag bedraagt, dan ook aanvaardbaar, in het bijzonder, omdat de regeling een mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs bevat.
Het Hof hecht geloof aan het in onderdeel 3.5 van Bijlage I vermelde, dat de 72 %-norm tot stand is gekomen op basis van door het Verbond van Verzekeraars verzamelde gegevens betreffende schadegevallen, maar dringt er bij de besluitgever op aan om inzicht te verschaffen in de wijze, waarop het percentage van 72 tot stand is gekomen. Het verschaffen van een dergelijk inzicht zal de legitimiteit en de acceptatie van de regeling immers bevorderen.
4.6.
In dit specifieke geval acht het Hofbelanghebbende geslaagd in het leveren van tegenbewijs, dat de waardevermindering van de auto gelijk is aan het getaxeerde schadebedrag. Het betreft in dit geval een auto van 20 maanden oud met slechts 4.904 kilometer op de teller. De schade aan de voorzijde van de auto is als aanzienlijk te kwalificeren; de foto's gevoegd bij het taxatierapport getuigen daarvan. Niet alleen het lakwerk en de carrosserie zijn blijkens het taxatierapport zwaar beschadigd, maar ook de wielophanging, de aandrijving en de elektrische installatie verkeren in een beschadigde staat. Het getaxeerde schadebedrag is ten opzichte van de historische nieuwprijs van de auto eveneens aanzienlijk te noemen: bijna 25 %. Aangezien de auto, met inachtneming van de leeftijd en de kilometerstand, praktisch als een nieuwe auto heeft te gelden, veronderstelt het Hof dat de auto hersteld zal worden naar nieuwstaat. Nu niet in geschil is dat de auto na een zodanig herstel een handelsinkoopwaarde heeft van € 12.597 en dat de kosten van herstel € 7.158 belopen, leidt dit naar het oordeel van het Hof tot de conclusie dat de prijs die een willekeurige handelaar voor de auto in de beschadigde staat zou betalen, niet meer beloopt dan het saldo tussen € 12.597 en € 7.158, dat is € 5.439, en dat derhalve in dit specifieke geval het getaxeerde schadebedrag gelijk is aan de waardevermindering van de auto. Het Hof acht belanghebbende in het onderhavige geval geslaagd in het leveren van tegenbewijs dat de waardevermindering van de auto gelijk is aan het getaxeerde schadebedrag.’
Wat betreft het vetgedrukte gedeelte wijdt belanghebbende graag wat woorden aan de legitimiteit, ook gezien de expliciete vraag van het Hof aan de Belastingdienst. De norm zou steunen op informatie van het Verbond van Verzekeraars. Welnu, [A] heeft aldaar zijn licht opgestoken en wat blijkt? Men weet van niets! Afschrift van de correspondentie breng ik in als productie 1. Dit is reden (te meer) om te concluderen dat de bodem onder de norm van 72% wegvalt en deze niet gebruikt kan worden, maar er per geval beoordeeld moet worden wat het percentage is. Zoals de taxateur van belanghebbende gemotiveerd heeft gedaan.
Na vaststelling van de schade heeft belanghebbende gemotiveerd aangegeven hoe groot de waardevermindering is waarbij rekening is gehouden met de acceptabele gebruiksschade welke reeds in de koerslijstwaarde zit verdisconteerd.
Het Hof zegt te kijken naar leeftijd, de kilometerstand en eventueel naar de status van een ex-rental. Zoals gesteld zijn alle voertuigen tussen de 5 en 14 maanden, aldus zeer jong. Daarnaast zijn de kilometerstanden zeer laag, waardoor ervan uitgegaan mag worden dat deze voertuigen er in goede staat bijstaan. Het Hof miskent dit en gaat in tegen de bestendige jurisprudentie zoals ook van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 april 2021, maar ook tegen hetgeen het zelf eerder oordeelde.
Het Hof wijst belanghebbende er tevens op dat kopers die geen krassen, vegen en kleine oneffenheden willen, beter een nieuwe auto kunnen kopen. Deze motivering verbaast belanghebbende daar dit totaal niet relevant is en noch kant noch wal raakt. Het voegt helemaal niets toe, behoudens dat de kijk van het Hof op de autowereld en die van de consument, totaal onrealistisch is. Het gaat immers om zeer jonge voertuigen met meer dan normale gebruikersschade.
Ook zal een koper van een jonge tweedehands auto in de regel hogere eisen stellen dan een koper van een tweedehands auto van een aantal jaren oud, welke een logisch gevolg is.
Het Hof stelt tevens dat na reparatie van de auto's, de auto's als ongebruikt de weg op kunnen. Ten eerste heeft de auto een leeftijd, een kilometerstand en een eerdere bezitter. De auto kan aldus nimmer als ongebruikt de weg op. De auto's zijn immers aangemerkt als gebruikt. Daarbij zullen bepaalde sporen immer te zien zijn. Ook dit oordeel van het Hof raakt kant noch wal.
Daarbij betekent reparatie niet dat de auto weer in nieuwstaat zal verkeren, immers wordt er door de taxateur rekening gehouden met de normale gebruikerssporen, waardoor de aftrek in geen enkel geval 100% is. De facturen voor reparatie zijn dat daarentegen wel, wat in principe al aangeeft dat alles onder de 100% niet realistisch is. Immers, belanghebbende krijgt de volledige factuur en niet zoals het Hof stelt, een factuur met aftrek tot 72%. Het Hof heeft dit in zijn geheel miskend.
Dit oordeel kan dan ook niet in stand blijven en dient te worden vernietigd.
Middel 7
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, geen gebruik heeft gemaakt van het meest recente onderzoeksrapport VMS/Insight.
Het Hof heeft geoordeeld geen gebruik te willen maken van het meest recente onderzoeksrapport van VMS/Insight, echter ontbreekt een motivering hiervoor.
Belanghebbende stelt dat deze werkwijze van het Hof strijdig is met een goede procesorde. Immers is dit recente rapport een essentieel onderdeel van het proces, daar verweerder deze als tiendagenstuk heeft ingebracht.
Verweerder heeft op deze wijze willen ‘bewijzen’ dat de 72% norm eerder te hoog dan te laag zou zijn vastgesteld. Immers, de voorgenomen norm van 31%, welke nu naar alle waarschijnlijkheid wordt opgenomen in de nieuwe regelgeving vanaf 1 januari 2024, zou volgens verweerder eerder van toepassing zijn.
Belanghebbende heeft met het horen van de samenstellers willen aantonen dat het rapport op drijfzand is gebaseerd, gelijk aan het rapport welke ten grondslag ligt aan de 72% norm. De deskundige, [A] ter zitting, heeft zich jaren ingezet om te achterhalen welke grondslagen zijn gebruikt om tot de 72% norm te komen. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat er aldus geen grondslag is voor de 72%.
Uw College heeft in 2014 geoordeeld dat de norm jaarlijks herijkt diende te worden. De herijking en daarmee de grondslag heeft nimmer plaatsgevonden. In plaats daarvan wordt er een nieuwe norm opgesteld die nog kant nog wal raken.
Aldus, nu verweerder een nieuw rapport inbrengt, tien dagen voor de zitting, is het een logisch gevolg dat de samenstellers van het nieuwe rapport worden gehoord. Temeer omdat het rapport aan alle kanten kraakt en piept en gebaseerd is op total loss auto's en aldus niet op auto's met ‘gewone’ schade.
De samenstellers sluiten het rapport zelfs af met de conclusie dat er twijfel bestaat of dit rapport überhaupt gebruikt kan worden daar de grondslag in beginsel niet deugt. Aangifte op basis van een taxatierapport is immers een mogelijkheid indien er sprake is van schade welke niet als gebruikersschade kan worden gekwalificeerd. De auto's die ten grondslag liggen in het rapport van VMS/Insight zijn allemaal total loss auto's en daarmee is de conclusie dan ook dat dit rapport niet kan dienen.
Dit tezamen moet tot de conclusie leiden dat de samenstellers wel gehoord hadden moeten worden.
Het Hof heeft ervoor gekozen om dit achterwege te laten en heeft ongemotiveerd geoordeeld dat er geen gebruik is gemaakt van het rapport.
Dit oordeel kan dan ook niet in stand blijven en dient te worden vernietigd.
Middel 8
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 110 VWEU doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in geval van Eurotaxglass alle correctiefactoren toegepast kunnen worden.
Belanghebbende maakt aanspraak op een tweetal correcties op de koerslijstwaardering Eurotaxglass conform het arrest van uw College van 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783:
‘2.4.1
Met het oog op de behandeling van de klachten stelt de Hoge Raad het volgende voorop. Artikel 110, eerste alinea, VWEU beoogt te waarborgen dat de binnenlandse belastingen volstrekt neutraal zijn voor de mededinging tussen producten die zich reeds op de binnenlandse markt bevinden en producten die vanuit andere lidstaten worden binnengebracht. Daarom verbiedt deze bepaling elke lidstaat om op producten van de overige lidstaten hogere binnenlandse belastingen te heffen dan de belastingen die op gelijksoortige nationale producten worden geheven. Een schending van artikel 110 VWEU doet zich bij een belasting als de bpm voor wanneer het bedrag aan belasting ter zake van de registratie van een gebruikt voertuig dat uit een andere lidstaat afkomstig is, hoger is dan het restbedrag van de belasting dat is begrepen in de waarde van een gelijksoortig, reeds op het nationale grondgebied geregistreerd, gebruikt motorvoertuig.
2.4.2
De hiervoor in 2.4.1 bedoelde volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen vereist dus dat bpm zo wordt geheven dat deze de handel in nationale gebruikte voertuigen op de binnenlandse markt niet begunstigt, waardoor het binnenbrengen van gelijksoortige gebruikte voertuigen zou worden ontmoedigd. De voorde auto in aanmerking te nemen afschrijving als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet mag daarom in geen geval lager zijn dan de afschrijving die zich voordoet bij een gelijksoortig in Nederland geregistreerd, gebruikt motorvoertuig.
2.4.3
In dit geding zijn partijen en het Hof kennelijk ervan uitgegaan dat de koerslijst die hier is gehanteerd, een koerslijst is die in de handel algemeen wordt toegepast bij de inkoop van gebruikte motorvoertuigen door wederverkopers in Nederland. De Hoge Raad zal eveneens uitgaan van dit — in cassatie niet bestreden — uitgangspunt, dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Aangenomen moet worden dat alle in een dergelijke koerslijst gespecificeerde factoren van invloed kunnen zijn op de prijs die een wederverkoper bereid is te betalen bij de inkoop van een particulier van een in Nederland geregistreerd, gebruikt motorvoertuig. Tot de factoren waarmee de koerslijst van Eurotaxglass's rekening houdt, behoort de ‘marktsituatie handelaar’. Bij toepassing van deze koerslijst mag met die factor rekening worden gehouden, omdat anders niet is uitgesloten dat een uit een andere lidstaat afkomstig gebruikt motorvoertuig bij registratie in Nederland wordt onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die in bepaalde gevallen nog rust op gelijksoortige in het binnenland verhandelde, geregistreerde motorvoertuigen. Dat zou niet verenigbaar zijn met artikel 110 VWEU. Anders dan waarvan het Hof kennelijk bij zijn hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen is uitgegaan, hoeft een belastingplichtige in dit verband geen verder bewijs te leveren. De klachten slagen.’
Belanghebbende stelt voorop dat zowel de Inspecteur als het Hof normaliter deze tweetal correctiemogelijkheden wel toestaat, óók in het geval van een taxatie. Daarmee is het beleid van de Belastingdienst en het oordeel van het Hof om deze correcties toe te passen. Belanghebbende verwijst naar enkele gepubliceerde uitspraken, waaronder ook een uitspraak van het Hof Den Haag.1
- —
Gerechtshof Den Haag 15 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1405 , r.o. 12;
- —
Gerechtshof 's‑Hertogenbosch 17 juni 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1848, r.o. 4.24.
- —
Rechtbank Noord-Nederland 28 juli 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021,3222, r.o. 4.2.
‘4.2
Daarnaast is niet in geschil dat in de gevallen waarin bij de berekening van de BPM een koerslijst van Eurotaxglass's is gebruikt en de koerslijst in het geval van dat voertuig bruikbaar is (een voldoende vergelijkbare auto betreft), de daaruit voortvloeiende basiswaarde met 15% verminderd dient te worden.’
Tot de factoren waarmee de koerslijst van Eurotaxglass's rekening houdt, behoort de ‘markt- en dealersituatie’. Bij toepassing van deze koerslijst mag aldus met die waardeverminderende factoren rekening worden gehouden, hetgeen betekent dat een correctie in aanmerking wordt genomen. Belanghebbende hoeft hier aldus geen verder bewijs te leveren dat in haar geval een nadere correctie op de volgens deze koerslijst vastgestelde waarde toegepast kan worden.
Op grond van het arrest van Uw College wordt artikel 110 VWEU geschonden voor zover een belastingplichtige geen aanspraak kan maken op de lagere waardering als gevolg van de tweetal correctiemogelijkheden. Indien belanghebbende deze mogelijkheid niet zou hebben, zou dat ertoe leiden dat belanghebbende voor een voertuig mét schade méér bpm betaalt dan op hetzelfde voertuig rust (met de tweetal correctiemogelijkheden) zónder schade. Of zoals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft beslist:
‘4.16
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de koerslijst Eurotaxglass's de handelsinkoopwaarde vóór aftrek wegens schade dient te worden verminderd met 15% in verband met bijstelling vanwege de ‘dealer- en marktsituatie. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hofenkel hiertegen ingebracht dat, indien bij de aangifte een taxatierapport is opgemaakt, er naderhand geen beroep meer kan worden gedaan op de koerslijst Eurotaxglass's. Het Hof volgt het betoog van de Inspecteur niet (vgl. HR 18 maart 2016, nrs. 14/04111 en 14/04112, ECLI:NL:HR:2016:421 en 422).’ 2.
Belanghebbende stelt zich derhalve op het standpunt dat een beroep op de tweetal correctiemogelijkheden toegestaan dient te worden. Hetzij op grond van het gelijkheidsbeginsel, dan wel op grond van artikel 110 VWEU.
Het Hof heeft dit miskend en heeft daarmee strijdig geoordeeld met artikel 110 VWEU.
Middel 9
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 110 VWEU doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in casu sprake is van fiscale discriminatie.
Uit gegevens van het kentekenregister blijkt dat er van onderhavige voertuigen gelijksoortige voertuigen zijn geregistreerd met een lagere bruto bpm vermelding in het kentekenregister.
Recente jurisprudentie3. toonde een falend beroep op de herleidingsmethodiek als onderdeel van het taxatierapport. Volgens het Hof valt uit de vermelde herrekende bruto bpm de handelsinkoopwaarde op aangifte niet af te leiden. Hoewel belanghebbende zich hier op het standpunt stelt dat de (herrekende) bruto bpm als vermeld in het kentekenregister reeds voldoende moet zijn als bewijsvoering voor de overtreding, licht belanghebbende de terugrekening naar de handelsinkoopwaarde op aangifte (HOA) volgende uit weergave van de herrekende bpm, wellicht ten overvloede, toe:
HOA = Rest bpm op aangifte / Oorspronkelijk bruto bpm * oorspronkelijke nieuwprijs
De HOA, als gegeven om de gelijksoortigheid te bepalen, kan niet bepalend zijn. De HOA is gerelateerd aan de leeftijd van het voertuig en de mate en de wijze van afwaardering ervan. HOA's kunnen derhalve onderling, zowel positief als negatief, verschillen zonder dat deze afdoen aan een beoordeling van gelijksoortigheid.
De weergave in het overzicht van de ‘Betaalde BPM’ volgt uit het forfaitaire rest bpm percentage in verhouding tot de weergegeven ‘Her(rekende) Bruto BPM’. De formule daarvoor luidt:
Betaalde BPM = Her. Bruto BPM *forfaitair rest BPM %
Nu deze bruto bpm vermeldingen te herleiden zijn aan zowel gelijksoortigheid (de voertuigen zijn merk en type identiek en hebben een identieke type en variant code4.) als aan een handelsinkoopwaarde op aangifte (H.O.A.), is middels de overzichten, Productie 2, hier bijgesloten af te leiden dat van vermelde kentekens sprake is van een verboden fiscale discriminatie.
De vergelijking is daarbij maximaal specifiek opgezet en toegepast en niet, zoals het Hof betoogd (r.o. 5.13.2) slechts ‘op merk en andere kenmerken’. Het oordeel dat de opgevoerde voertuigen geen gelijksoortige voertuigen is niet deugdelijk gemotiveerd, onjuist en volgt niet de uitleg van het EU HvJ omtrent de beoordeling van gelijksoortigheid.
Nadrukkelijk bepleit belanghebbende daarbij aldus niét de ‘herleidingsmethodiek’ maar doet hij een beroep op vergelijkbare/soortgelijke voertuigen met daarbij behorende bruto bpm bedragen5..
Het Hof heeft belanghebbende niet gevolgd in zijn standpunt en voert aan dat de voertuigen niet gelijksoortig zijn en oordeelt dat dit niet de juiste methode is. Belanghebbende betwist dit en is van oordeel dat er sprake is fiscale discriminatie.
Deze reeds aan het Hof voorgelegde toegelichte fiscale discriminatie ter zitting door de deskundige, is door het Hof zelfstandig en op onjuiste wijze uitgelegd. Het hof had deze benadering dienen te toetsen aan Europese rechtspraak. Dat heeft het Hof nagelaten.
Het EU HvJ heeft de beoordeling van ‘gelijksoortigheid’ immers ook reeds uitgelegd: Hof van Justitie, 27 februari 1980, Commissie/Franse Republiek, EU:C:1980:51;
2.
Artikel 95, eerste alinea, moet ruim worden uitgelegd, zodat alle fiscale regelingen die inbreuk kunnen maken op de gelijkheid van behandeling of in geïmporteerde producten eronder vallen; de uitdrukking ‘gelijksoortige producten’ moet dus voldoende soepel worden uitgelegd.
Als gelijksoortig dienen te worden aangemerkt de producten die uit verbruikersoogpunt, aldus de consument, soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen. Voor de bepaling van het toepassingsgebied van artikel 95, eerste alinea dient dus niet de volstrekte identiteit, maar het soortgelijke en vergelijkbare gebruik als maatstaf te worden gehanteerd.
Hiermee is sprake van een Acte Clair waaraan het Hof duidelijk en onrechtmatig is voorbij gegaan.
Belanghebbende heeft in het kentekenregister gezocht naar voertuigen die soortgelijk zijn met de ongeveer dezelfde nieuwprijzen. Ook heeft belanghebbende gekeken naar de Co2-uitstoot en de verschillende opties. Deze zijn niet geheel identiek, doch komen de kenmerken veelal overeen waaruit volgt dat de voertuigen uit het kentekenregister vergelijkbaar zijn met de voertuigen van belanghebbende.
Het is niet van belang of de voertuigen uit het kentekenregister dezelfde mate van slijtage hebben en dezelfde kilometerstanden. Immers, voor vergelijkbare voertuigen ten behoeve van een aangifte tot bpm wordt dit ook niet relevant geacht.
Voorts acht het Hof de juistheid van de in het kentekenregister voor de opgevoerde voertuigen vermelde bpm niet juist. Dit verbaast belanghebbende daar de Belastingdienst juist gebruikt maakt van het kentekenregister en ervan uitgaat dat de gegevens juist zijn. Het kentekenregister zou dan leidend moeten zijn.
Het Hof oordeelt tevens dat het niet duidelijk is of de op aangifte betaalde bedragen conform de regelgeving en jurisprudentie zijn berekend of door de Inspecteur zijn gecontroleerd en aanvaard. Dit is juist hetgeen wat het Hof diende te onderzoeken, doch heeft nagelaten.
Het oordeel van het Hof kan dan ook niet in stand blijven.
Middel 10
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 10, lid 8, sub a Wet Bpm j° artikel 110 VWEU doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een schadeverleden.
Dat een schadeverleden leidt tot een waardevermindering, is algemeen bekend en mede gezien het arrest van uw College van 13 december 1963 evident.6. Zie ook de vele uitspraken hieromtrent.7. Zo heeft Gerechtshof 's‑Hertogenbosch onder meer het volgende overwogen:
‘3.8
De omstandigheid dat een auto een schadeverleden heeft behoort naar het oordeel van het hof in beginsel tot de feiten die een verkoper van een auto bij verkoop moet mededelen aan de koper. Een schadeverleden kan van relevante (en wellicht zelfs doorslaggevende) betekenis zijn bij de onderhandelingen over de aankoop van een occasion, zeker wanneer het een aanrijdingschade aan de voor- of achterzijde betreft. Door geen mededeling te doen over de omstandigheid dat de aangeboden auto na een schade was hersteld, onthoudt de verkoper de belangstellende koper de mogelijkheid om vanwege het schadeverleden af te zien van aankoop ofzelfeen (nader) onderzoek te verrichten naar de staat van de aangeboden auto en eventueel daarmee samenhangende risico's. Op dit punt kan mogelijk anders geoordeeld worden wanneer het slechts een geringe schade betreft, maar in het onderhavige geval is achteraf gebleken dat sprake is geweest van een niet geringe aanrijdingschade van achteren.’8.
Zo heeft ook gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beslist in een bpm procedure.9. Opmerking verdient tevens dat het Hof de waardevermindering op basis van de hierna volgende tabel aannemelijk heeft geacht. Op 20 april 2021 heeft gerechtshof Arnhem-Leeuwarden nogmaals dit aspect bevestigd, waarbij wederom de hierna volgende tabel is geaccepteerd (r.o. 4.11).10. Later heeft Hof Arnhem-Leeuwarden nogmaals bevestigd dat een schadeverleden leidt tot een waardevermindering.11.
Het Hof stelt in r.o. 5.3.5. dat belanghebbende voor de auto's 22, 24 en 25 niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een schadeverleden en dat een bedrag van € 1.193 aldus niet wordt toegewezen. Daarbij stelt het Hof, dat er behoudens de schade aan de carrosserie van auto 24, geen schade is vastgesteld. Dit is echter onjuist daar de taxatierapporten een duidelijke weergave van de schades aangeven. De foto's spreken voor zich en eerder heeft belanghebbende vast kunnen stellen dat
het Hof niet beschikt over enige deskundigheid betreft het beoordelen van de foto's. Het aflezen van de juiste tijd op de klok op het dashboard is reeds te lastig gebleken voor het Hof.
Daarbij heeft de taxateur de motivering van het schadeverleden helder weergegeven. De taxateur heeft gebruik gemaakt van een lakdiktemeter, DRZ beschikt niet over een lakdiktemeter, waardoor zij de controle niet heeft kunnen uitvoeren en daar aldus geen oordeel over heeft kunnen vellen. Dit geldt dus ook voor het Hof, waardoor het oordeel van het Hof onjuist is. Het verschil in lakdikte is relevant voor de weergave van het schadeverleden en is blijkens de heldere foto's toonbaar aanwezig. Het Hof heeft dit miskend.
Belanghebbende maakt aldus aanspraak op de correctie, afkomstig van de federatie TMV.12.

Dit oordeel van het Hof kan dan ook niet in stand blijven.
Middel 11
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel in combinatie met het Besluit proceskosten bestuursrecht doordat het Hofop onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, dat de aanwezigheid van een deskundige niets heeft bijgedragen.
Belanghebbende heeft ter zitting een deskundige meegenomen om een nadere toelichting te geven op onder andere de schades. Eigenlijk stond de zitting reeds gepland op 17 november 2022, maar deze heeft niet plaatsgevonden in verband met wraking van het Hof.
De wraking kwam voort uit de mededeling van het Hof dat een deskundige niet gewenst was, althans medebrenging van een deskundige zou nutteloos zijn daar het Hof de rapporten reeds had beoordeeld. Zoals eerder vastgesteld door belanghebbende, is het Hof niet in staat gebleken om de rapporten op de juiste merites te beoordelen.
In casu is sprake van drie verschillende zaken met in totaal 25 auto's. Op elke auto is iets anders van toepassing, van koerslijst, ex-rental, 72% norm, schadeverleden tot schades. Belanghebbende kon zich dan ook niet verenigen met het verzoek van de griffier om de deskundige thuis te laten.
Het vreemde van deze gang van zaken is dat verweerder één dag eerder het verzoek bij het Hof had neergelegd om de deskundige te weren. Deze gang van zaken bevreemdde belanghebbende temeer, omdat ondergetekende door de griffier werd gebeld, met het verzoek om de deskundige thuis te laten.
Nadat de wraking ongegrond was verklaard, heeft het Hof een nieuwe datum vastgesteld. De deskundige is reeds tijdig aangekondigd en is aldus ter zitting verschenen. Belanghebbende stelt voorop dat de deskundige ter zitting meerder malen een nadere toelichting heeft gegeven. Dit zou moeten blijken uit het proces-verbaal ter zitting, welke helaas incompleet is, en nu niet meer te verifiëren is, welke aldus in strijd is met een goede procesorde.
Het Hof stelt, ten onrechte, dat de deskundige niets heeft bijgedragen ter zitting. Dit is pertinent onjuist en belanghebbende betwist dit dan ook ten zeerste. Indien het Hof een juiste weergave van de zitting had weergegeven in het proces-verbaal, en aldus de eigen vragen aan de deskundige had opgetekend, dan was vast komen te staan dat de aanwezigheid van de deskundige wel van belang is geweest. Nu het Hof dit heeft nagelaten, is dit niet te verifiëren en dat is laakbaar.
Het Hof stelt eveneens dat de deskundige de auto's niet heeft gezien en hij aldus geen oordeel kan geven. Dit bevreemdt belanghebbende daar het Hof de auto's ook niet heeft gezien, maar als niet-deskundige daar wel iets van kan vinden en zelfs op bepaalde onderdelen ingaat tegen twee onafhankelijke taxateurs.
De wet gaat er immers vanuit dat het bewijs in de eerste plaats wordt geleverd met een taxatierapport. Uiteindelijk is sprake van een kwestie van bewijswaardering. De deskundige heeft niet alleen de taak de rapporten van eiseres eventueel nader toe te lichten, maar ook om de stellingen van DRZ te ontkrachten. De deskundige doet dus meer dan verwijzen naar de rapporten.
Het is niet nodig voor een deskundige om de auto's zelf te zien13.. Aan de hand van het taxatierapport kan een deskundige op basis van zijn expertise, helderheid geven. In casu heeft de deskundige per auto uitleg gegeven en de schades gemotiveerd. Het Hof stelt dat de gemachtigde dit eveneens had gekund, echter is de gemachtigde -net zo min- als het Hof deskundig op dit gebied. De samenhang tussen de gemachtigde en deskundige ontbreekt dan ook.
Nu de vragen en opmerkingen van het Hof in het proces-verbaal bijna geheel ontbreken, dient dit voor rekening te komen voor het Hof, daar het achteraf niet te verifiëren is of de deskundige een relevante bijdrage heeft gevormd.
Dit oordeel kan dan ook niet in stand blijven en dient te worden vernietigd.
Middel 12
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel in combinatie met het Besluit proceskosten bestuursrecht doordat het Hofop onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, danwel onvoldoende gemotiveerd, de proceskosten heeft gematigd.
Het Hof past factor 1 met een wegingsfactor van 0.25 toe, daar het enkel een rekenfout van de Rechtbank betreft. Dit is echter onjuist daar dit niet de enige gegrondverklaring is.
In r.o. 5.3.6. oordeelt het Hof namelijk dat de Rechtbank onjuist heeft geoordeeld met betrekking tot het ontbreken van het Nederlands boekenpakket en oordeelt terecht dat dit een waardedruk tot gevolg heeft. Conform de taxatierapporten staat het Hof een waardevermindering van € 85 exclusief btw toe.
Op basis van dit oordeel van het Hof is het hoger beroep in zaak 1 en zaak 2 reeds gegrond verklaard. Dit staat aldus geheel los van de rekenkundige fout van de Rechtbank daar het totaal een ander geschil betreft.
Het Hof heeft kennelijk ‘interne compensatie’ toegepast, waardoor het te betalen eindbedrag aan bpm, welke verweerder heeft berekend, vreemd en bijzonder genoeg exact op hetzelfde eindbedrag uitkomt. Belanghebbende heeft het vermoeden dat het Hof ‘interne compensatie’ heeft toegepast, echter is er in de uitspraak niets terug te vinden over toepassing van hiervan.
Dit geeft wederom aan hoe onzorgvuldig de uitspraak tot stand is gekomen. Het geeft wederom aan dat het Hof incompleet en onduidelijk heeft geoordeeld.
Het Hof stelt dat tevens er sprake is van een gemiddeld gewicht van zaken, aangezien sprake is van dezelfde geschilpunten. Tevens stelt het Hof dat de aangevoerde standpunten veelvuldig voorkomen in bpm-procedures. Belanghebbende stelt dat dit wel heel algemeen wordt gesteld door het Hof en betwist dit dan ook.
Er is geen sprake van inhoudelijke samenhang, omdat elke auto afzonderlijk moet worden beoordeeld. Ondergetekende heeft veel tijd gestoken in de 25 dossiers en betwist dan ook dat het om een samenhang gaat.
De insinuatie van het Hof dat de bpm-procedures veelal hetzelfde zijn, werpe ik ver van mij. De wijze hoe het Hof dit uitspreekt getuigt van weinig nuance en dat is kwalijk. Uiteraard komen er veelal dezelfde geschillen aan bod, doch zijn het verschillende auto's met elk een taxatierapport en elk een naheffing en deze dienen elk bestudeerd te worden.
De forfaitaire bedragen uit het Besluit proceskosten bestuursrecht komen niet eens in de buurt van de werkelijke proceskosten. Een factor 1 met een wegingsfactor van 0.25 is in casu dan ook een belediging.
Bij vier voertuigen of meer wordt er doorgaans, door de Rechtspraak, uitgegaan van factor 1,5. In casu gaat het aldus om drie dossiers met in totaal 25 auto's.
Ervan uitgaande dat het Hof de zaken ten onrechte heeft gevoegd tot één uitspraak, komt belanghebbende tot de slotsom dat van het volgende uitgegaan moet worden.
Nu het hoger beroep in zaak 1 gegrond is, mede door het toekennen van de Nederlandse onderhoudsboekjes, had het Hof, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht, voor de door mij verleende rechtsbijstand minimaal wegingsfactor 1.5 tot 2 dienen toe te passen (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting)
Nu het hoger beroep in zaak 2 gegrond is, mede door het toekennen van de Nederlandse onderhoudsboekjes, had het Hof, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de door mij verleende rechtsbijstand een wegingsfactor 1 dienen toe te passen (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).
Indien later blijkt dat zaak 3 ook gegrond is, dient daar dezelfde overweging worden gemaakt als bij zaak 2.
Het oordeel van het Hof kan dan ook niet in stand blijven.
Tussenconclusie
Concluderend dat het Hof op meerdere vlakken in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- en doeltreffendheidsbeginsel.
Concluderend dat het Hof drie verschillende zaken in één uitspraak heeft gevoegd, waardoor niet te verifiëren is of deze überhaupt rekenkundig klopt, welke in strijd is met de goede procesorde.
Concluderend dat het Hof de goede procesorde heeft geschaad door weigering van de berekening te overleggen, welke ten grondslag ligt aan de bestreden uitspraak.
Concluderend dat het Hof belanghebbende heeft geschaad in zijn procesvoering doordat het Hof een incompleet proces-verbaal heeft overlegd.
Concluderend dat het Hof de proceskosten, in strijd met het Besluit proceskosten bestuursrecht, onterecht heeft gesteld op factor 1 met een weging van 0.25.
3. Proceskosten
Het Hof stelt de proceskosten onder punt 5.17 tot 6.1 vast.
Het Hof verklaart het eerste hoger beroep gegrond en verklaart de overige twee hoger beroepen ongegrond en voegt deze tezamen in één uitspraak. Om die reden wordt door het Hof een factor één met een wegingsfactor van 0.25 voor de samenhang aangenomen.
Zoals breed uitgemeten in middel 12 verzoekt belanghebbende uw College om de proceskosten op de juiste wijze vast te stellen.
4. Conclusie
Op grond van het voorgaande verzoekt belanghebbende uw College:
De uitspraak van het gerechtshof Den Haag d.d. 17 augustus 2023 met kenmerk(en) BK 21/01046 t/m 21/01070 te vernietigen, behoudens de beslissing tot vergoeding van het griffierecht;
- —
Primair: de naheffingsaanslag te vernietigen;
- —
Subsidiair: de proceskosten voor de hoger beroepsfase vast te stellen op grond van drie separate zaken;
- —
Meer subsidiair: de proceskosten voor de hoger beroepsfase vastte stellen op factor 2 met een weging van 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting;
- —
Subsidiair: de zaak terug te verwijzen naar een ander Gerechtshof;
- —
De proceskosten te vergoeden, met in achtneming van punt 3 van dit beroepschrift.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 26‑09‑2025
2 Een code welke door registrerende instanties als de RDW wordt herkend en gebruikt om voertuigen te classificeren naar gelijksoortigheid.
Controle op fiscale discriminatie
Hoge Raad 13 december 1963, ECLI:NL:HR:1963:61, NJ 1964/449.
O.a. Gerechtshof's‑Hertogenbosch 28 februari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:821; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1618; Gerechtshof's‑Hertogenbosch 24 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4624; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:664.
Gerechtshof 's‑Hertogenbosch 24 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4624.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6889.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3825.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 juni 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:5706.
https://www.federatie-tmv.nl/motorvoertuigen-2/, laatst bezocht op 3 augustus 2021.
Uitspraak 26‑09‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/03789
Datum 26 september 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 17 augustus 2023, nrs. BK-21/01046 tot en met BK-21/010701., op de hoger beroepen van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 20/5530 tot en met SGR 20/5552, SGR 20/5771 en SGR 20/5799) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij geven beschikkingen inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door H. van Dam, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft ter zake van de registratie van gebruikte personenauto’s in het Nederlandse kentekenregister op aangifte bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan. Belanghebbende heeft de in de aangiften vermelde handelsinkoopwaarden gebaseerd op taxatierapporten van [C] , waarbij voor elke personenauto een bedrag aan schade in aanmerking is genomen.De Inspecteur heeft naar aanleiding van controles naar de juistheid van de aangiftegegevens zich op het standpunt gesteld dat die gegevens niet juist of niet volledig zijn en dat belanghebbende voor elk van de personenauto’s te weinig bpm heeft voldaan. Hij heeft ter zake van die auto’s naheffingsaanslagen opgelegd.
2.2.1
De Rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende betreffende de naheffingsaanslagen ter zitting van 30 juni 2021 behandeld. Op die zitting zijn volgens het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting namens belanghebbende verschenen haar gemachtigde T.B. Vriesema, bijgestaan door [A] en [B] .
2.2.2
De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en elk van de naheffingsaanslagen gedeeltelijk verminderd. In verband daarmee heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.Belanghebbende had de Rechtbank ook verzocht om vergoeding van de kosten van [A] omdat deze volgens belanghebbende beroepsmatig taxateur van personenauto’s is en daarom als deskundige in de zin van artikel 1, letter b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) is aan te merken.
2.2.3
De Rechtbank heeft de verzoeken van belanghebbende om vergoeding van de kosten voor deskundigenbijstand afgewezen. De hiervoor in 2.1.1 bedoelde taxatierapporten zijn niet uitgebracht ten behoeve van de bezwaar- en beroepsfase maar ten behoeve van de aangifte. Voor vergoeding van de kosten voor de aanwezigheid van de deskundige ter zitting heeft de Rechtbank geen aanleiding gezien omdat niet is voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 8:60, lid 4, Awb. Hierbij heeft de Rechtbank gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT2808.Dat ter zitting is verklaard dat een deskundige een toelichting kan geven op de taxatierapporten leidt niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de Rechtbank lijkt de aanwezigheid van de deskundige aldus vooral te zijn ingegeven door de wens de positie van de gemachtigde te versterken voor het geval er vragen zouden worden gesteld over de taxatierapporten. Dat is onvoldoende reden voor vergoeding van daarmee gemoeide kosten, aldus de Rechtbank. In dit verband heeft de Rechtbank gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD1529.
2.3.1
Voor het Hof was in geschil of de Rechtbank de naheffingsaanslagen op de juiste bedragen heeft vastgesteld. Verder was onder meer in geschil of de Rechtbank terecht de verzoeken om vergoeding van de kosten van de taxateur heeft afgewezen.
2.3.2
Het Hof heeft de hoger beroepen van belanghebbende behandeld ter zitting van 6 juli 2023. Op die zitting zijn volgens het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting namens belanghebbende verschenen haar gemachtigde H. van Dam en tot bijstand taxateur [A] .
2.3.3
Het Hof heeft belanghebbende wat betreft een van de naheffingsaanslagen gedeeltelijk in het gelijk gesteld en die naheffingsaanslag verder verminderd. Het Hof heeft de Inspecteur veroordeeld in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van de hoger beroepen heeft gemaakt.
2.3.4
Wat betreft het hiervoor in 2.3.1 weergegeven geschil over de vergoeding van de kosten van de taxateur [A] voor de fase van beroep en het door belanghebbende aan het Hof gedane verzoek om vergoeding van diens kosten ter zake van de hoger beroepen, heeft het Hof als volgt overwogen:
“Het Hof wijst net als de Rechtbank het verzoek om vergoeding van de kosten van de deskundige af. De Rechtbank heeft geen gebruik gemaakt van de aangeboden toelichting van de deskundige [A] . De Rechtbank heeft geoordeeld dat de deskundige bijstand heeft verleend aan de gemachtigde en volstaan met vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand volgens het forfait. Het Hof heeft de deskundige [A] ter zitting meer ruimte gegeven, maar komt tot dezelfde conclusie als de Rechtbank over de aard van de werkzaamheden. Het Hof stelt voorop dat [A] de onderhavige auto’s niet heeft gezien. [A] heeft ter zitting uitsluitend de bevindingen van de taxateurs herhaald en gewezen op de foto’s in het dossier. Hij heeft hierbij enige algemene opmerkingen gemaakt over schadeauto’s en hoe hij aankijkt tegen de Nederlandse praktijk rond de invoer van gebruikte auto’s in het algemeen en het in aanmerking nemen van normale gebruikssporen en het daaraan gekoppelde percentage van 72 in het bijzonder. Ook heeft hij aandacht besteed aan de strijd van de parallelimporthandel om bepaalde vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en zo de Commissie te dwingen diverse inbreukprocedures tegen Nederland te starten. Het Hof acht een dergelijke toelichting niet heel waardevol voor zover het de onderhavige auto’s betreft. De algemene opmerkingen hadden ook door de gemachtigde H. van Dam kunnen worden gemaakt. Het Hof komt tot de conclusie dat de werkzaamheden van de deskundige en de gemachtigde in samenhang moeten worden bezien, en kwalificeren als rechtsbijstand. Daarvoor zal het Hof een passende vergoeding toekennen.”
2.4
Middel 11 is gericht tegen de hiervoor in 2.3.4 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel voert aan dat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, dan wel onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de aanwezigheid van de deskundige niets heeft bijgedragen. Het middel voert daartoe aan dat belanghebbende de deskundige tijdig heeft aangekondigd en dat deze aldus ter zitting is verschenen met niet alleen de taak de hiervoor in 2.1 bedoelde taxatierapporten nader toe te lichten maar ook om eventueel stellingen van de Inspecteur over die taxatierapporten te ontkrachten en in die zin dus meer te doen dan verwijzen naar die taxatierapporten. Aan de hand van het taxatierapport kan de deskundige op basis van zijn expertise helderheid geven. Het Hof stelt dat de gemachtigde dit eveneens had gekund, maar de gemachtigde is, aldus het middel, niet deskundig op dit gebied.
2.5.1
Voor een veroordeling tot vergoeding van de kosten van een deskundige is nodig vast te stellen dat de belanghebbende ten tijde van het inroepen van de hulp van de deskundige, gezien de feiten en omstandigheden op dat moment, ervan mocht uitgaan dat die deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor de belanghebbende gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Voor het toekennen van een vergoeding van de kosten van een deskundige is niet van belang of de deskundige daadwerkelijk heeft bijgedragen aan de beslissing van de rechter dat het (hoger) beroep gegrond is.2.
2.5.2
De hiervoor in 2.3.4 weergegeven overwegingen en oordelen van het Hof kunnen niet anders worden begrepen dan dat het Hof – met de vaststelling dat het de deskundige [A] ter zitting meer ruimte heeft gegeven dan de Rechtbank – taxateur [A] als deskundige in de zin van artikel 1, letter b, van het Besluit heeft aangemerkt. In de hiervoor in 2.3.4 weergegeven gronden waarop het Hof de afwijzing van de vergoeding van de kosten van deze deskundige heeft gebaseerd, ligt als rechtsopvatting van het Hof besloten dat de kosten van een deskundige niet voor vergoeding in aanmerking komen indien de deskundige niet heeft bijgedragen aan de beslissing (gegrondbevinding van het (hoger) beroep) van de rechter. Die rechtsopvatting is onjuist, evenals de opvatting van het Hof dat de rechter bevoegd is het optreden van een deskundige ter zitting aan te merken als optreden tot bijstand van de gemachtigde en niet als optreden als deskundige. Met deze opvattingen heeft het Hof, gelet op hetgeen hiervoor in 2.5.1 is overwogen, een onjuiste maatstaf aangelegd voor de beoordeling of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten van de taxateur.Middel 11 slaagt daarom met betrekking tot de kosten van de aanwezigheid van de deskundige ter zitting van het Hof.
2.5.3
Voor zover middel 11 inhoudt dat aan belanghebbende ten onrechte niet een vergoeding is toegekend voor de kosten van de aanwezigheid van de deskundige ter zitting van de Rechtbank, overweegt de Hoge Raad als volgt. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:60, lid 4, Awb aan de Rechtbank mededeling heeft gedaan van de door haar naar de zitting mee te brengen deskundige. Anders dan de Rechtbank heeft aangenomen, staat die omstandigheid echter niet eraan in de weg dat de kosten van een door die belanghebbende onaangekondigd naar de zitting meegebrachte deskundige op de voet van artikel 1, letter b, van het Besluit niettemin voor vergoeding in aanmerking kunnen komen wanneer die deskundige ter zitting is gehoord. Ook in zoverre geven ook de hiervoor in 2.2.3 weergeven oordelen van de Rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft – in cassatie niet bestreden – geoordeeld dat de Rechtbank tijdens het onderzoek ter zitting de deskundige niet heeft gehoord. Het Hof heeft daarom terecht geen aanleiding gezien voor het toekennen van een vergoeding van de kosten voor de aanwezigheid van de deskundige ter zitting van de Rechtbank. Middel 11 kan daarom in zoverre niet tot cassatie leiden.
2.6
De Hoge Raad heeft ook de klachten van de overige middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.7
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.5.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De overige klachten van middel 11 behoeven geen behandeling. Belanghebbende heeft op grond van artikel 1, letter b, van het Besluit in samenhang gelezen met artikel 8:36, lid 2, Awb recht op vergoeding van de kosten van de door haar naar de zitting van het Hof meegebrachte deskundige. Terugwijzing moet volgen voor het vaststellen van de hoogte van die vergoeding.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing omtrent de proceskosten,
- wijst het geding terug naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 548 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.628 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑09‑2025
Vgl. HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1382, rechtsoverweging 3.5.