Regres bij concernfinanciering
Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.5.7:2.5.7 Kosten en rente
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.5.7
2.5.7 Kosten en rente
Documentgegevens:
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS588564:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast hun aandeel in de schuld dienen schuldenaren bij te dragen in de door één van hen in redelijkheid gemaakte kosten, tenzij deze kosten een schuldenaar persoonlijk aangaan.1 Bijdrage in deze kosten geschiedt naar evenredigheid van het gedeelte van de schuld dat ieder van de schuldenaren aangaat. De verplichting tot het bijdragen in kosten is los van art. 6:10 lid 2 BW geregeld. De verplichting hoort ook los te staan van de voorwaarden die art. 6:10 lid 2 BW stelt. Immers, het kan voorkomen dat een schuldenaar kosten maakt zonder dat de schuld is gedelgd. Bijvoorbeeld de kosten van inbewaringstelling.2
Uit art. 6:10 lid 3 BW3 blijkt niet om welke kosten het precies gaat. Evenmin volgt uit de wet een typering van de relatie tussen enerzijds de gemaakte kosten en anderzijds de hoofdelijke prestatie.4 De parlementaire geschiedenis geeft wel aanwijzingen voor die gevallen waarin de hoofdelijke schuldenaren ook voor gemaakte kosten hoofdelijk verbonden zijn jegens de schuldeiser. Ter zake stelt de parlementaire geschiedenis:
‘Dit [de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de kosten] kan zowel rechtstreeks uit hun overeenkomst of andere rechtsverhouding met de schuldeiser voortvloeien, als ook uit art. 6.1.9.8 lid 1, dit laatste echter alleen indien alle hoofdelijke schuldenaren voor de door deze kosten ontstane schade aansprakelijk zijn, hetgeen […] niet steeds het geval behoeft te zijn. De kosten waarvoor alle schuldenaren hoofdelijk aansprakelijk zijn, vallen onder artikel 4 lid 2, zodat, indien een der schuldenaren ze aan de schuldeiser voldoet, de anderen verplicht zijn daarin bij te dragen.’5
Ook volgt uit de parlementaire geschiedenis dat schuldenaren intern moeten bijdragen aan kosten die zijn gemaakt voor zaken waar de gehele sociëteit van schuldenaren belang bij heeft. Bijvoorbeeld bij een veroordeling tot betaling van de proceskosten in een geschil dat de schuldenaar, ook in het belang van zijn medeschuldenaren, tegen de schuldeiser heeft aangespannen. Gaat de zaak alleen de procesvoerende schuldenaar aan dan is er geen bijdrageplicht voor de proceskosten.
De hoofdelijk schuldenaar die meent recht te hebben op een interne bijdrage van de door hem gemaakte kosten, moet conform art. 150 Rv stellen en bewijzen dat de door hem gemaakte kosten redelijk zijn. Aan de hand van deze redelijkheidstoets wordt medebepaald of de medeschuldenaren daadwerkelijk moeten bijdragen. Het staat de aangesproken medeschuldenaar vrij om te stellen en te bewijzen dat de gevorderde kosten hem niet aangaan omdat de kosten de vorderende schuldenaar geheel of gedeeltelijk persoonlijk betreffen.6
Rente
Hoewel rente niet als zodanig wordt genoemd in art. 6:10 BW wordt aangenomen dat de bedongen rente tot de schuld moet worden gerekend. Voor de wettelijke rente geldt een andere situatie. Vanwege de zelfstandigheid van vorderingsrechten is het verzuim van een schuldenaar voor zijn eigen rekening en risico. Uitzondering hierop kan bijvoorbeeld het regres ex art. 6:102 jo 101 BW met zich meebrengen. Immers, wanneer hoofdelijke schuldenaren door de schuldeiser gezamenlijk in gebreke worden gesteld voor het niet betalen van een geldbedrag, komt de verplichting tot betaling van wettelijke rente op ieder van de schuldenaren te rusten.7 Hierbij moet in acht worden genomen dat afwijkingen van de wettelijke rente in de zin van art. 6:119 lid 3 BW voor rekening komen van de betreffende schuldenaar. Het kan namelijk voorkomen dat één schuldenaar een hoger rentepercentage afspreekt met de schuldeiser. Voor het verschil tussen de gezamenlijke renteschuld en het hogere rentepercentage kan deze schuldenaar geen regres nemen op zijn medeschuldenaren. Ook in het geval dat één, maar niet alle hoofdelijk aansprakelijke schuldenaren in verzuim zijn, moet worden gekeken wie van de schuldenaren de wettelijke rente aangaat. Het bepalen van de draagplicht voor de wettelijke rente moet dan los van de draagplicht voor de hoofdelijk verschuldigde prestatie worden vastgesteld. Het kan daarom voorkomen dat alle schuldenaren draagplichtig zijn voor de hoofdelijke prestatie, maar dat sommige van deze schuldenaren niet draagplichtig zijn voor de wettelijke rente.8