Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/2.2.4.2
2.2.4.2 Het oordeel wanbeleid
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652396:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 juni 1997 (r.o. 4.4.2), NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Text Lite); OK 9 oktober 2006 (r.o. 3.1), JOR 2007/9, m.nt. C. de Groot (UMI Beheer).
OK 18 maart 1976, NJ 1978/317, m.nt. B. Wachter; TVVS 1976, p. 379, m.nt. C.A. Boukema (Sekisui); OK 21 juni 2013 (r.o. 2.4), ARO 2013/109 (Greenchoice). Vgl. ook HR 20 september 1996 (r.o. 3.1), NJ 1997/328, m.nt. G.R. Rutgers (Halcion). Zie ook Leidraad, bepaling 3.3.
OK 26 mei 1983, NJ 1984/481, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2022/56, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Linders/Hofstee).
OK 2 november 2015 (r.o. 3.5), JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde (Meavita).
Zie bijv. Onderzoeksverslag Xeikon, p. 71 (onder 170), p. 139 (onder 349) en p. 172 (onder 413); op p. 159 (onder 381) wijst de onderzoeker de kwalificatie wanbeleid ten aanzien van een deelaspect uitdrukkelijk af. De Ondernemingskamer keurde dit goed, zie OK 6 februari 2018 (r.o. 5.9), JOR 2018/94, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Xeikon), verbeterd bij OK 6 april 2018, ARO 2018/86 (Xeikon), en deels vernietigd bij HR 19 juli 2019, NJ 2019/335; JOR 2019/273, m.nt. R.M. Hermans; Ondernemingsrecht 2019/165, m.nt. P.H.M. Broere (Xeikon). Zie bijv. ook Onderzoeksverslag Cordial, waarin de onderzoeker de kwalificatie wanbeleid afwees; de Ondernemingskamer ging daarin mee, zie OK 20 juni 2007 (r.o. 3.5; 3.13), JOR 2007/203 (Cordial).
Van Solinge 2017, p. 501, onder verwijzing naar Onderzoeksverslag Slotervaartziekenhuis, p. 121 (onder 4.26). Volgens Van Solinge volgt uit het onderzoeksverslag niet uitdrukkelijk de conclusie wanbeleid, maar is wel duidelijk dat dit hier wordt gesuggereerd.
Zie bijv. Onderzoeksverslag Integrated Utility Holding, p. 16 (onder 10, ad 2.2.7; 2.2.8).
Zie bijv. OK 26 mei 1983, NJ 1984/481, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2022/56, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Linders/Hofstee); OK 23 juni 1983, NJ 1984/571, m.nt. J.M.M. Maeijer (Hyster); OK 8 maart 2001 (r.o. 4.12), JOR 2001/55, m.nt. M. Brink (Gucci). Na Gucci kwam die uitdrukkelijke opdracht niet meer voor, zie ook Geerts 2004, p. 147. Vgl. verder Uniken Venema 1995, p. 50-51.
Zie ook Van Solinge 2017, p. 500. Anders nog OK 10 januari 2002 (dictum), JOR 2002/27, m.nt. M. Brink (VIBA), waartegen Conclusie A-G Van Soest (nr. 1.6, voetnoot 7) voor HR 21 februari 2003, NJ 2003/181, m.nt. J.M.M. Maeijer (onder NJ 2003/182); JOR 2003/58, m.nt. M. Brink (VIBA).
Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 25, onder verwijzing naar Hermans 2003, p. 125; Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 17.
Van Solinge 1998, p. 58; De Kluiver (onder 10) in zijn annotatie bij EHRM 19 maart 2002, JOR 2002/127 (Text Lite); (deels) Van der Vlis 2000, p. 319-320; Hermans 2003, p. 126-127; Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 17 en p. 56; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/776; Beurskens 2011, p. 116; Buijn & Storm 2013, p. 1035; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013/365; Deelen 2016, p. 481; Hermans 2017, p. 232; Van Solinge 2017, p. 505; Storm 2018, p. 215; mijn annotatie (onder 3.2) bij OK 6 februari 2018, Ondernemingsrecht 2018/62 (Xeikon). Anders nog Smit 2002, p. 47-48; Geerts 2004, p. 146-147; Assink/Slagter 2013, p. 1726; Blanco Fernández 2019.
Vgl. Hermans 2017, p. 233.
Hermans 2003, p. 127; Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 17; Buijn & Storm 2013, p. 1035; Borrius 2016, p. 63; Hermans 2017, p. 232.
Hermans 2003, p. 127; Hermans 2017, p. 232-233. Zie bijv. ook OK 2 november 2015 (r.o. 3.5), JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde (Meavita).
Deelen 2016, p. 481; Hermans 2016; Hermans 2017, p. 233, p. 398 e.v. en p. 465 e.v. Zie ook Makkink & Prins 2020, p. 19.
Van der Vlis 2000, p. 319.
Zie bijv. OK 18 maart 1976, NJ 1978/317, m.nt. B. Wachter; TVVS 1976, p. 379, m.nt. B. C.A. Boukema (Sekisui); OK 24 januari 2020 (r.o. 3.1.7; 5.27), JOR 2020/171, m.nt. C.D.J. Bulten (DeSeizoenen). Zie ook Onderzoeksverslag DeSeizoenen, p. 70 (onder 241).
Hermans 2003, p. 127; Hermans 2017, p. 233-234.
Zie bijv. Onderzoeksverslag DeSeizoenen, p. 13 (onder 43).
Van Solinge 2017, p. 505.
Vgl. Bekkers 2005, p. 51.
Zie ook OK 27 oktober 2020 (r.o. 4.10), ARO 2020/193 (Setay Polyethersnijderij). Kennelijk anders nog Conclusie A-G Assink (nr. 2.22) voor HR 6 november 2020, NJ 2020/418; JOR 2021/108, m.nt. C.D.J. Bulten (Sirowa).
Makkink & Prins 2020, p. 19.
Een en ander is ook voorgesteld door Hermans 2017, p. 373.
Broere 2019b, p. 690. Zie ook Perquin-Deelen 2020, p. 174; Sinninghe Damsté & Kemp 2020, p. 67; Hanegraaf 2021, p. 231.
De Ondernemingskamer moet op basis van het onderzoeksverslag (inclusief bijlagen) oordelen op een verzoek tot de vaststelling van wanbeleid. Zij mag daarnaast acht slaan op hetgeen voorts in de procedure wordt gesteld en blijkt, zie par. 2.2.3.2. De kwalificatie van een bepaald beleid of een bepaalde gang van zaken als wanbeleid is aan de Ondernemingskamer.1
Hoewel de onderzoeker in beginsel vrij is in de inrichting van het onderzoek en de wijze waarop hij dat onderzoek uitvoert,2 staat het hem niet vrij ter voorlichting van de Ondernemingskamer te oordelen over wanbeleid, zo volgt uit de Leidraad, waarover ook hierna.
In het verleden was dit anders. Uit Linders/Hofstee volgde dat de onderzoeker zich volgens de Ondernemingskamer moet uitlaten over de kwalificatie wanbeleid,3 en uit de tot 9 juli 2019 geldende AAS volgde dat het de onderzoeker vrijstond om zijn opvatting over mogelijk wanbeleid weer te geven in het onderzoeksverslag. De AAS schreven in bepaling 4.5 voor dat de onderzoeker zijn oordeel dienaangaande dan waar mogelijk moest scheiden van zijn weergave van feitelijke bevindingen. In Meavita overwoog de Ondernemingskamer ook dat het voor de hand ligt dat de onderzoeker zich mede uitlaat over of zich mogelijk strijd voordoet met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap (‘wanbeleid’).4 Sommige onderzoekers lieten zich in het verleden ook uit over of bepaald beleid al dan niet als wanbeleid kan worden gekwalificeerd,5 al dan niet op meer indirecte wijze,6 althans gaven zich er rekenschap van die vrijheid te hebben.7 De Ondernemingskamer bepaalde voorheen ook wel uitdrukkelijk dat de onderzoeker het tot zijn taak mocht rekenen zich uit te laten over de vraag of sprake is van wanbeleid.8 Laat de onderzoeker zich uit over wanbeleid, dan is de Ondernemingskamer aan dat oordeel niet gebonden. De Ondernemingskamer vormt zich een eigen oordeel over wanbeleid; het gaat daarbij niet enkel om een beoordeling van wat volgens de Ondernemingskamer uit het onderzoeksverslag blijkt.9
In de parlementaire geschiedenis is echter opgemerkt dat de onderzoeker er verstandig aan doet zich te richten op een beschrijving van de feiten en omstandigheden, zonder te oordelen over de vraag of sprake is van wanbeleid.10
Dit is ook de heersende opvatting in de literatuur.11 De onderzoeker mag toetsen of sprake is van onzorgvuldig of laakbaar gedrag, maar of dat gedrag ook voldoende ernstig is dat het strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap – wanbeleid – oplevert is aan de Ondernemingskamer.12 Verschillende auteurs menen dat de onderzoeker die beleid beoordeelt als wanbeleid ‘op de stoel van de Ondernemingskamer gaat zitten’.13 Ook zonder de kwalificatie wanbeleid door de onderzoeker kan de Ondernemingskamer oordelen of sprake is geweest van wanbeleid.14 Verder is wel gewezen op het risico van cognitive biases: als de onderzoeker zich reeds over wanbeleid heeft uitgelaten, is het voor de Ondernemingskamer moeilijker zich hieraan te onttrekken.15 De praktijk wijst uit dat de Ondernemingskamer de onderzoeker doorgaans volgt.16 Slechts in enkele gevallen trekt de Ondernemingskamer een andere conclusie dan de onderzoeker.17 Hiernaast kan het onderzoeksverslag worden gebruikt in andere procedures of in de publiciteit.18 Als een tweede fase verzoek uitblijft en het onderzoeksverslag voor eenieder ter inzage ligt of uitlekt, kan de kwalificatie wanbeleid door de onderzoeker een eigen leven gaan leiden. Daaraan doet waarschijnlijk weinig af dat de onderzoeker in zijn onderzoeksverslag opmerkt dat de bevindingen en kwalificaties in het onderzoeksverslag geen betekenis hebben buiten de enquêteprocedure.19 De onderzoeker lijkt ook minder goed geëquipeerd om zich uit te laten over wanbeleid: hij is geen rechter. Van Solinge betoogt dat het vellen van een rechterlijk oordeel over wanbeleid moet plaatsvinden in een college van daarin getrainde juristen, na afweging van alle relevante belangen, gehoord het partijdebat en met inachtneming van de regels van een eerlijk proces.20 Verder is de onderzoeker vermoedelijk minder kwetsbaar voor aansprakelijkstelling indien de kwalificatie van informatie uitblijft.21
In bepaling 7.5 van de Leidraad is inmiddels opgenomen dat van de onderzoeker geen kwalificaties worden verwacht in de juridische begrippen ‘wanbeleid’ en ‘strijd met elementaire beginsel van verantwoord ondernemerschap’.22 De belangrijkste reden voor deze koerswijziging is volgens Makkink en Prins:
‘dat zodanige oordelen [oordelen over wanbeleid, verantwoordelijkheid daarvoor, te treffen voorzieningen en kostenverhaal, PB] van de onderzoeker eerder afbreuk doen aan de functie van het onderzoek dan dat zij daaraan bijdragen. De vraag of aan de hand van de bevindingen in het verslag en hetgeen bij de behandeling van het tweede faseverzoek blijkt, wanbeleid kan worden vastgesteld, is primair voorwerp van debat tussen partijen. Dat debat wordt pas na deponering van het onderzoeksverslag gevoerd en de onderzoeker is geen deelnemer aan dat debat. De Ondernemingskamer dient zich bij haar oordeelsvorming en bij de motivering van haar beslissing te richten op hetgeen partijen hebben aangevoerd. De Ondernemingskamer zou zich niet geroepen moeten voelen om in haar beschikking uit te leggen waarom zij tot een andere (of dezelfde) waardering van de gebeurtenissen is gekomen dan de onderzoeker voor juist houdt. Dat zou slechts afleiden van haar wettelijke motiveringsplicht die eruit bestaat adequaat te responderen op stellingen van partijen.’23
In preambule G van de Leidraad is opgenomen dat het kan voorkomen dat de onderzoeker afwijkt van de Leidraad, waarbij het aanbeveling verdient dat de onderzoeker wezenlijke afwijkingen van de Leidraad toelicht in het onderzoeksverslag.24 Wanneer sprake is van wezenlijke afwijkingen, of aan de hand waarvan dit moet worden vastgesteld, vermeldt de Ondernemingskamer niet. Sommige bepalingen uit de Leidraad lenen zich naar mijn mening in het geheel niet voor afwijking. Bepaling 7.5 is zo’n bepaling.25 De onderzoeker mag zich mijns inziens niet uitlaten over de kwalificatie wanbeleid, en dient zich te beperken tot de beoordeling van informatie als eerste stap van toetsing aan de norm wanbeleid, waarover par. 2.2.3.2.