Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/3.3.4
3.3.4 Centrale leiding
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648807:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1979/80, 16326, nr. 3, p. 42 en Kamerstukken II 1986/87, 18813, punt 14.
Zie o.a. Dorresteijn, aantekening 3 bij art. 24b, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 261 en Van Achterberg 1989, p. 77-82.
Krol 2015.
Voor een uitgebreidere beschouwing over het begrip ‘centrale leiding’ verwijs ik naar de literatuur. Zie bijvoorbeeld Maeijer Bundel NV en BV, p. IXq-40; Timmerman 1988-II, p. 54 e.v. en Van Achterberg 1989, p. 34, 51 en 82.
Gedacht kan worden aan situaties waarin geen sturing wordt gegeven maar wel de mogelijkheid bestaat om in bepaalde situaties de macht over te nemen.
Hoewel centrale leiding niet als zelfstandig element is opgenomen in artikel 2:24b BW, blijkt uit de wetsgeschiedenis1 dat de aanwezigheid van centrale leiding van essentieel belang is voor de kwalificatie als groep.2 Het element centrale leiding kan als zelfstandig element worden beoordeeld maar kan ook worden geacht te zijn gevangen in de elementen organisatorische verbondenheid en economische eenheid. Het element centrale leiding kan niet los worden gezien van deze twee elementen. Betoogd wordt dat er zonder een centrale leiding geen sprake kan zijn van organisatorische verbondenheid welke tot een economische eenheid kan leiden.3
Van centrale leiding kan worden gesproken indien sprake is van een hiërarchie en er een gemeenschappelijke strategie wordt gevoerd ten aanzien van het beleid van de onderliggende groepsmaatschappijen.4 Het kan zijn dat de centrale leiding vanuit een rechtspersoon wordt gevoerd maar aangenomen wordt dat de centrale leiding binnen een groep ook kan worden gevoerd vanuit meerdere rechtspersonen gezamenlijk.
Onduidelijk is of er bij centrale leiding sprake moet zijn van een situatie waarbij de zeggenschap daadwerkelijk wordt uitgeoefend of dat er sprake moet zijn van het kunnen uitoefenen van zeggenschap.5 In die laatste situatie zou ook sprake kunnen zijn van centrale leiding als er power to control is, in die zin dat toezicht over de vennootschap wordt uitgeoefend en dat het beleid zo nodig van hogerhand wordt bijgestuurd. Artikel 1 van de Zevende EEG-richtlijn spreekt van de mogelijkheid om overheersende invloed uit te kunnen oefenen. Niet duidelijk is of er overheersende invloed moet kunnen worden uitgeoefend op alle vlakken.