Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/6.3.1
6.3.1 De eigendomsverkrijging uit kracht der verbintenissen
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS384652:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Baudry-Lacantinerie I, nr. 1361 en Planiol & Ripert/Picard III, nr. 618. De Romeinsrechtelijke traditie is neergelegd in C. 2,3,20: ‘Eigendom wordt overgedragen door bezitsverschaffing en verkrijgende verjaring, nimmer door de werking van vormloze afspraken.’
Het beginsel is door Bigot de Préameneu geponeerd en heeft gedurende de totstandkoming van de Code civil niet ter discussie gestaan. De wetgever is op dit punt de natuurrechtelijke weg ingeslagen. Zie Planiol/Ripert & Boulanger I, nr. 2891 en Planiol & Ripert/Picard III, nr. 619.
Deze naar het Nederlands vertaalde wettekst is ontleend aan het Belgisch burgerlijk wetboek, dat evenals bijvoorbeeld de Italiaanse codificatie (art. 922) het Franse systeem van eigendomsverkrijging heeft overgenomen.
Als andere uitwerking van de regel van eigendomsverkrijging uit kracht der verbintenissen kan de in art. 938 Cc genoemde overdracht ten titel van schenking worden genoemd.
Het feit dat de overeenstemming tussen partijen voldoende is om de eigendom te doen overgaan, wordt in de literatuur wel aangeduid met het principe consensualisme of principe solo consenso. Zie Terré & Simler 2014, nr. 391 en Larroumet 2006, nr. 378. Men kan ook zeggen dat de verbintenis translatieve werking heeft.
Het feit dat er geen andere formaliteiten zijn vereist en de eigendomsoverdracht aldus onmiddellijk geschiedt, wordt het principe van transfer immédiat genoemd. Zie Planiol & Ripert/Picard III, nr. 620 en Larroumet 2006, nr. 382. Dit principe is een logisch gevolg van het principe van de transfer solo consenso.
In afwijking van de Romeinsrechtelijke traditie is naar Frans recht voor de verkrijging van eigendom geen levering vereist.1Art. 711 Cc bepaalt dat eigendom overgaat uit kracht van een daartoe strekkende verbintenis. Deze op de contractsvrijheid berustende wijze van eigendomsoverdracht werd als een redelijker systeem dan het Romeinse beschouwd.2 De zogeheten eigendomsovergang ‘par l’effet des obligations’ wordt in art. 1138 Cc nader uitgewerkt:
‘De verbintenis om een zaak te leveren is voltrokken door de enkele toestemming van de contracterende partijen. Zij maakt de schuldeiser tot eigenaar en heeft ten gevolge dat het risico van de zaak voor hem is, van het ogenblik dat deze moest geleverd worden, ook al heeft de overgave ervan niet plaatsgehad, […]’3
Naar de beginselen van Romeinse recht – waarnaar de Nederlandse wet in 1838 is teruggekeerd – gaat de eigendom pas over nadat bezitsverschaffing heeft plaatsgevonden ter uitvoering van die verbintenis. Het Franse recht heeft zich losgemaakt van de traditio als vereiste voor eigendomsverkrijging en maakt – bijvoorbeeld in het geval dat de eigendom overgaat door overdracht ten titel van koop4 – de koper eigenaar op het moment dat de koopovereenkomst is gesloten (art. 1583 Cc).5 De koper wordt vanaf dat moment onmiddellijk eigenaar van de zaak en de verkoper die de zaak voor de koper houdt, is dan nog slechts verplicht de feitelijke macht te verschaffen.6
In het feit dat de eigendom onmiddellijk bij de koper rust, maar de zaak nog onder de feitelijke macht van de verkoper, ligt het risico dat de verkoper de zaak nogmaals overdraagt. Naar Frans recht is dit een kwestie van een beschikkingsonbevoegde verkrijging door de tweede koper omdat op het moment van de tweede verkoop de eerste koper reeds eigenaar van de zaak was. Volgens de Romeinsrechtelijke leer berust de eigendom daarentegen door de enkele overeenkomst nog steeds bij de verkoper, waardoor de dubbele verkoop een zuiver verbintenisrechtelijke kwestie is. Om de vraag op welke wijze de verschillende kopers na een dubbele verkoop zich tot elkaar verhouden op een vanuit rechtsvergelijkend oogpunt passende manier te beantwoorden, komt hierna in een paragraaf die noch tot het goederenrecht noch tot het verbintenissenrecht kan worden gerekend, de dubbele verkoop van respectievelijk een onroerende zaak, een roerende zaak (lichamelijke zaken) en een vorderingsrecht (onlichamelijke zaak) aan bod.