Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.7.3
6.7.3 Het hoorrecht van gepensioneerden
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687285:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 18, p. 18-19.
Hof Amsterdam (OK) 16 mei 2011, ARO 2011/93, PJ 2001/92, m.nt. L.H. Blom, Ondernemingsrecht 2011/119, m.nt. H. Koster (Deelnemersraad Pensioenfonds Fluor Nederland/Pensioenfonds Fluor Nederland).
Ook in het kader van het standpuntbepalingsrecht van de NV-OR (waar ook een nakomingsbepaling ontbreekt) is door de wetgever overwogen dat nakoming kan worden gevorderd: Kamerstukken I 2009/10, 31877, C, p. 5.
R.J.G. Veugelers, ‘Hoe verzilveren gepensioneerden hun rechten (effectieve medezeggenschap?)’, in: De positie van gepensioneerden, Amersfoort: Sdu 2006, p. 33-34.
Rb. Midden-Nederland 23 januari 2019, PJ 2019/41, m.nt. T. Huijg (Vereniging van Gepensioneerden Wilma Pensioenfonds/BAM Groep).
Handelingen II 2006/07, nr. 4, p. 149.
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 24, p. 43-44 en Kamerstukken I 2006/07, 30413, C, p. 47; Handelingen II 2005/06, 30413, nr. 62, p. 34.
F.C. Kollen, De vereniging in de praktijk, Deventer: Kluwer 2007, p. 2, vat het recht samen met dat niemand kan worden gedwongen zich te identificeren met een bepaalde organisatie, noch zich de behartiging van zijn belangen door een organisatie te laten aanleunen. Uitgebreid ook: F. Dorssemont, ‘De vakverenigingsvrijheid ex artikel 11 EVRM, méér dan alleen een sequeel van de vrijheid van vereniging’, ArA 2006/2.
Met de invoering van de Pw per 1 januari 2007 volgde een grote stap: de vereniging van gepensioneerden kreeg een wettelijk hoorrecht, of beter gezegd een oordeelsrecht, op grond van artikel 22 Pw. De vereniging van gepensioneerden kreeg daarmee een enigszins duaal karakter; enerzijds een belangenvereniging, anderzijds een soort medezeggenschapsorgaan. Het oordeelsrecht over voorgenomen besluiten door werkgevers ten aanzien van verzekerde pensioenregelingen werd in ieder geval aan meerdere voorwaarden verbonden: (a) het besluit moet van invloed zijn op de uitvoering of hoogte van de pensioenrechten van de gepensioneerden, (b) de som van het aantal werknemers en het aantal gepensioneerden dat een pensioenovereenkomst heeft gesloten met de werkgever dient gelijk te zijn of meer dan 250, (c) de vereniging moet volledige rechtsbevoegdheid genieten, (d) de vereniging moet als statutair doel hebben in ieder geval het behartigen van de belangen van de gepensioneerden die in dienst zijn geweest bij de werkgever, (e) ten minste 10% van alle gepensioneerden die in dienst zijn geweest bij de werkgever dient lid te zijn van de vereniging en (f) de vereniging moet haar bestaan hebben gemeld bij de werkgever en verzekeraar. Als voldaan is aan vereiste (f) kan de werkgever de statuten en een ledenlijst opvragen om na te gaan of de vereniging voldoet aan vereisten (c) tot en met (e).1 De verzekeraar dient de gepensioneerden over het bestaan van een vereniging te informeren. Met de tweede nota van wijziging is overigens de benaming van de vereniging van gepensioneerden vervangen door die van de ‘vereniging van pensioengerechtigden’, om zo naast de personen die ouderdomspensioen ontvangen ook diegenen te omvatten die arbeidsongeschiktheid- of nabestaandenpensioen ontvangen.2 Ik zal desondanks hier gemakshalve blijven spreken van gepensioneerden.
Het oordeelsrecht beoogde gepensioneerden de kans te geven om de werkgever bij zijn besluitvorming te beïnvloeden.3 Uitoefening van hun medezeggenschap werd echter alleen praktisch mogelijk geacht als zij zich hadden verenigd.4 Allereerst valt daarbij op dat de ex-werknemer van wie het pensioen nog niet is ingegaan (de slaper), is uitgesloten van deze vorm van medezeggenschap, terwijl de initiatiefwet van Giskes/Van Veen daar wel in voorzag. Ten tweede valt op dat uit de wettekst niet duidelijk blijkt hoe het oordeelsrecht zich verhoudt tot de instemmingsprocedure van de OR ex artikel 27 WOR. In 2004 stelde de staatssecretaris nog dat de werkgever verplicht zou zijn om de opvattingen van de gepensioneerden nadrukkelijk te betrekken bij en te presenteren aan zijn OR.5 Voor de hand had dan gelegen een bepaling op te nemen met een vergelijkbare strekking als opgenomen over de verhouding van het oordeel van vakbonden tot de OR in de SER Fusiegedragsregels 2015, te weten de verplichting dat de OR in staat moet worden gesteld voorafgaand aan zijn instemming rekening te houden met het oordeel van de gepensioneerden. Ten derde valt op dat op het eerste gezicht geen sanctie is gesteld op het niet vragen van een oordeel, aangezien er geen bestuurlijke boete op staat (artikel 176 Pw) en de Pw een algemene nakomingsbepaling vergelijkbaar aan artikel 36 lid 2 WOR mist ten aanzien van bij of op grond van de wet geregelde verplichtingen. Over dit laatste gebrek in de Pw liet de OK zich al uit voor de (toenmalige) deelnemersraad, in die zin dat nakoming van wettelijke verplichtingen kan worden gevorderd bij de burgerlijke rechter.6 Ik zie niet in waarom dit voor een vereniging van gepensioneerden anders zou liggen.7 Praktisch probleem daarbij is wel dat verenigingen van gepensioneerden vaak onvoldoende financiële middelen hebben voor dit soort juridische stappen.8 Wel kan het wel of niet vragen van een oordeel ex artikel 22 Pw meewegen in een redelijkheidsoordeel over de vraag of een doorgevoerde wijziging redelijk is.9
Tot slot valt op dat het oordeelsrecht afhankelijk is van het toevallig bestaan van een vereniging van gepensioneerden. Precies deze vrijblijvendheid was de reden voor het amendement Verbeet/Depla10, waarmee het oprichten van een vereniging verplicht werd gesteld voor werkgevers die voldeden aan de eis van 250 pensioenovereenkomsten. Het amendement redde het niet.11 De wetgever vond dat als partijen medezeggenschap belangrijk genoeg vinden, zij wel zelf zouden overgaan tot oprichting van een vereniging van gepensioneerden.12 Dat is op zich dogmatisch zuiver gelet op het recht op negatieve verenigingsvrijheid ex artikel 11 EVRM: het is de keuze van de ex-werknemer wel of niet lid te worden van een vereniging van gepensioneerden, en een verplichting voor een werkgever een dergelijke vereniging op te richten doet daar niets aan af.13 Bij de keuze een dergelijke vereniging niet op te richten of geen lid te worden heeft de ex-werknemer dan te aanvaarden dat hij geen medezeggenschap kan uitoefenen. Dat neemt niet weg dat het de ex-werknemer praktisch wel erg moeilijk wordt gemaakt zonder een dergelijke verplichting voor de werkgever; lid worden is immers makkelijker gedaan dan een vereniging oprichten.