Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/3.1
3.1 Inleiding
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Onder particuliere opsporing wordt niet verstaan de bijstand die burgers op verzoek van politie en OM aan de opsporing leveren. In deze context wordt onder meer gedoeld op de door het TCI op basis van art. 3 Politiewet gerunde informant, de niet of nauwelijks gebruikte stelselmatige burgerinformant van art. 126v Sv, de burgerinfiltrant van art. 126w Sv en de burgerpseudokoper van art. 126ij Sv.
Voor een uitgebreide uiteenzetting over de bedrijfsmatige particuliere opsporing zij verwezen naar A.B. Hoogenboom, Particuliere recherche: een verkenning van enige ontwikkelingen, Den Haag: Sdu Uitgevers 1988, J.D.L. Nuis e.a., Particulier speurwerk verplicht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2004 en W. van der Kolk, Particulier onderzoek en opsporing. Een (on)mogelijke combinatie?, Dordrecht: Stichting SMVP Producties 2006.
In dit hoofdstuk wordt de door de particuliere opsporing vergaarde startinformatie belicht. Onder het begrip particuliere opsporing wordt geschaard iedere burger die, al dan niet beroeps- of bedrijfsmatig, op eigen initiatief onderzoek verricht.1 Het gaat met andere woorden om handelingen van burgers die, wanneer de politie ze zou uitvoeren, als de toepassing van (bijzondere) opsporingsbevoegdheden hebben te gelden.2 Hierbij kan worden gedacht aan de onderzoeksjournalist die een observatie verricht of een werkgever die zijn personeel heimelijk filmt. In het kader van de bedrijfsmatige particuliere opsporing kan worden gedacht aan de door particuliere recherchebureaus, forensische accountants en interne rechercheurs van bankinstellingen verrichte rechercheactiviteiten.3 Een opsporende burger kan de door hem verkregen informatie verstrekken aan politie en OM en op basis hiervan kan een strafrechtelijk onderzoek worden gestart. Het verstrekken van dat soort informatie kan worden beschouwd als, of valt samen met, een aangifte.
Het gebruik van dit soort startinformatie in het strafproces brengt risico’s met zich. Zo kan de opsporende burger, al dan niet bewust, onware informatie aanleveren. Er bestaat zelfs de mogelijkheid dat gemanipuleerde gegevens door de opsporende burger worden verstrekt, waardoor de schijn van strafwaardig handelen wordt opgewekt. Vanwege de aard van dit type startinformatie, het heeft net als de aangifte de status van potentieel bewijsmiddel, kan dit tot gevolg hebben dat een burger ten onrechte wordt veroordeeld. Ook is het denkbaar dat de opsporende burger privacyschendende methoden toepast, die politie en OM in gelijksoortige gevallen niet (zo gemakkelijk) zouden mogen toepassen. Verder bestaat het risico dat deze methoden tot gevolg hebben dat de latere verdachte wordt geïnstigeerd tot het begaan van een strafbaar feit of dat de verdachte door de opsporende burger wordt gedwongen om belastende informatie af te geven. Niet volstrekt ondenkbaar is dat de politie (actief of passief) onderzoekshandelingen uitbesteedt aan de particuliere opsporing om op een gemakkelijkere manier in bezit te komen van potentieel belastende informatie: het zogenaamde outsourcen van opsporingsactiviteiten. In samenhang met het outsourcen kleeft ook een risico aan de (in de jurisprudentie zichtbaar wordende) tendens dat in sommige gevallen een procesdossier in overwegende mate wordt gebaseerd op de startinformatie van de particuliere opsporing. Onwenselijk gevolg is dat de officier van justitie de regie over een opsporingsonderzoek verliest. Dit gegeven is een bijzonderheid die dit type startinformatie kenmerkt.
Met het zojuist gestelde in het achterhoofd wordt bezien op welke manier vorm is gegeven aan de controle op dit type startinformatie. Onderzocht wordt in dit verband onder meer op welke manier de betrouwbaarheid van dit soort informatie wordt getoetst. Voorts wordt bekeken of het gebruikmaken van dat soort informatie tot enig in art. 359a Sv genoemd strafprocessueel gevolg leidt of dient te leiden in het geval een opsporende burger zijn informatie op onrechtmatige wijze heeft verkregen. In aansluiting op het eerder gestelde kan een onrechtmatigheid zich bevinden in de context van art. 8 EVRM, in die zin dat de opsporende burger gegevens heeft verzameld op een privacyschendende manier. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat de gegevens zijn verkregen doordat de opsporende burger de latere verdachte heeft geïnstigeerd of dwang heeft toegepast om de informatie te verkrijgen. In dat geval bevindt de onrechtmatigheid zich in de context van art. 6 EVRM. Onderzocht wordt of schendingen van de in deze artikelen neergelegde rechten zich alleen kunnen voordoen als politie en/of OM zich op enigerlei wijze hebben bemoeid met de informatieverzameling en, in het verlengde hiervan, of alleen dan de toepassing van art. 359a Sv in beeld komt. In het licht van het voorgaande wordt ten slotte onderzocht of de aard van de onrechtmatigheid van invloed is op de mogelijkheden dan wel de noodzaak van strafvorderlijke sanctionering.
Ten slotte wordt bekeken welke controle er bestaat op het handelen van de opsporende burger. In dit verband kan onder meer worden gedacht aan een strafrechtelijke vervolging van die burger. Deze controlemechanismen worden bekeken nu zij invloed kunnen hebben op de wijze waarop de opsporende burger zijn informatie vergaart of zal vergaren. Mogelijk kan dergelijke controle eveneens effect hebben op de toetsing van de door een opsporende burger verkregen informatie in het strafproces. Zo is het voorstelbaar dat een strafrechtelijke vervolging van die burger maakt dat de rechter minder snel strafprocessuele gevolgen verbindt aan het door politie en OM voor de start van een onderzoek gebruikmaken van materiaal dat onrechtmatig door hem is verkregen.