Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/4.13.2
4.13.2 De niet-gedagvaarde eerstegraads bestuurder en schorsing procedure eerstegraads bestuurder
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS298900:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Burgerlijk procesrecht / Eerste aanleg
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Wezeman 1998, p. 368; Slagter en Assink 2013, p. 273; Van den Ingh 2007.
Rechtbank Arnhem, 9 mei 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BW7724, met name r.o. 4.1.
Zie voor een ander voorbeeld uit de jurisprudentie waaruit blijkt dat niet alle bestuurders in rechte betrokken behoeven te worden: Rechtbank Utrecht 28 november 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BY5395 (Multi Business Solutions Holding c.s./Attitude Group c.s.), met name r.o. 4.6-4.8.
Zie Wezeman 1998, p. 356.
Vgl. art. 236 lid 1 Rv en Van Boom 1999, p. 217. Zie voor een voorbeeld van een zaak waarin de rechtbank zich aansluit bij andere uitspraken: Rechtbank Arnhem 1 april 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BI0060, r.o. 4.1 en 4.2.
Zo ook: Van Boom 1999, p. 225.
Rechtbank Arnhem, 9 mei 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BW7724, met name r.o. 4.1.
Vgl. Rechtbank Midden-Nederland 3 december 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:6198, r.o. 4.6. Zie ook: Wezeman 1998, p. 368; Slagter en Assink 2013, p. 273. Vgl. ook noot C.J.H. Brunner bij Rechtbank Rotterdam 18 januari en 6 december 1985, NJ 1988, 14.
Vgl. Wezeman 1998, p. 369 en Van Boom 1999, p. 244.
Evenzo: Van Boom 1999, p. 218 die er – terecht – op wijst dat in een verwant geding wel “vermoedens” kunnen worden ontleend aan het vonnis.
Rechtbank Amsterdam 13 november 1996, JOR 1997, 3 (Knol q.q./Holding Technical Management).
R.o. 6.2.
Rechtbank Breda, 20 april 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ2115 (Universal Leasing Benelux), met name r.o. 2.9.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 2 september 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6779/ JOR 2014, 295 (Goedewaagen/Kamer), m.n. r.o. 6.16.
Het Hof verwijst daarbij naar HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1204; JOR 2014, 229 en NJ 2014, 325 (Kok/mr. Maas q.q.) r.o. 3.3.2. In zijn noot bij dit arrest merkt Van Bekkum op dat de door het Hof gekozen route een mogelijke route is, maar dat het gekunsteld is om separaat de aansprakelijkheid vast te stellen van een rechtspersoon-bestuurder die geen partij is in de procedure en die – wat betreft de uitoefening van de bestuurstaak – volledig kan worden vereenzelvigd met de indirecte bestuurders die wel partij zijn in de procedure. In zo’n situatie mag naar de mening van Van Bekkum rechtstreeks art. 2:9 BW worden toegepast op de indirecte bestuurders. Hij verwijst daarbij naar HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1204; JOR 2014, 229 (Kok/mr. Maas q.q.) r.o. 3.3.5. Een alternatief is – aldus Van Bekkum – art. 6:162 BW rechtstreeks toe te passen op de indirecte bestuurders, waarbij dan de norm van art. 6:162 BW kan worden ingekleurd door de norm van art. 2:9 BW, inclusief de op basis van dat artikel ontwikkelde jurisprudentie. Van Bekkum merkt op dat inspiratie kan worden ontleend aan HR 2 maart 2007, NJ 2007, 240, JOR 2007,137 (Nutsbedrijf Westland), r.o. 3.4.6.
Rechtbank ’s-Gravenhage 16 september 2015, JOR 2016, 3.
Vgl. Roest 2016, nr. 5 en Wezeman 1998, p. 368.
Vgl. Wezeman 1996 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008/102.
De hoofdelijkheid van art. 2:11 BW brengt met zich dat de tweedegraads bestuurder kan worden aangesproken, ongeacht of bijvoorbeeld de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder wordt aangesproken. Voldoende is dat naar de mening van de rechter die zich over de betreffende kwestie buigt de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder voldoet aan de aansprakelijkheid vestigende elementen van de betreffende gehanteerde grondslag van bestuurdersaansprakelijkheid.1
Een voorbeeld van een zaak waarin dit aan de orde was, betreft een zaak van de Rechtbank Arnhem van 9 mei 2012.2 De rechtbank merkt in de betreffende zaak op dat de tweedegraads bestuurder had gesteld dat zonder vaststelling van de aansprakelijkheid van de eerstegraads bestuurder er geen sprake kan zijn van aansprakelijkstelling van hem, de tweedegraads bestuurder. Dit is – aldus de rechtbank – in zoverre juist, dat de aansprakelijkheid van een tweedegraads bestuurder als zodanig slechts vastgesteld kan worden als de aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder vaststaat. Daartoe behoeft deze echter – aldus de Rechtbank Arnhem – niet gedagvaard te zijn.3
Nadeel van het niet dagvaarden van een (eerstegraads) bestuurder is – dat wordt althans in het algemeen aangenomen4 – dat het vonnis dat gewezen wordt in de procedure tegen de gedagvaarde (tweedegraads) bestuurder geen bindende kracht heeft jegens de niet gedagvaarde (eerstegraads) bestuurder. Het vonnis komt geen gezag van gewijsde toe ten opzichte van de andere bestuurders.5 Dat zou zich namelijk niet verdragen met het beginsel van hoor en wederhoor.6 Anders gezegd: rechterlijke uitspraken binden slechts de procespartijen. Aangezien de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder zelf geen partij is bij de procedure – hij is in het gegeven voorbeeld immers niet gedagvaard – zijn voor hem geen rechtsgevolgen verbonden aan het rechterlijk oordeel in de betreffende zaak.7 De eerstegraads bestuurder kan in dat geval niet tot schadevergoeding veroordeeld worden.8 Alleen indien de eerstegraads bestuurder zelf partij is in een procedure kan worden beslist of – en zo ja, tot welk bedrag – hij aansprakelijk is voor de schade.9 Het behoeft geen betoog dat het feit dat de rechter op grond van eigen onderzoek beslist en niet gebonden is aan uitspraken van andere rechters tot tegenstrijdige uitspraken kan leiden.10 Voor de goede orde merk ik op dat de niet-gedagvaarde bestuurders geen rechten kunnen ontlenen aan een vonnis gewezen tegen een mede-bestuurder.11
In een zaak van de Rechtbank Amsterdam d.d. 13 november 1996 was sprake van een bestuurde vennootschap die in staat van faillissement was verklaard. Deze vennootschap werd bestuurd door een rechtspersoon-bestuurder, die op zijn beurt ook weer bestuurd werd door een rechtspersoon- bestuurder. Drie natuurlijke personen waren bestuurders van laatstgemelde tweedegraads rechtspersoon-bestuurder. Zowel de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder, als de tweede- en derdegraads bestuurders waren op grond van artt. 2:248 lid 1 BW jo. 2:11 BW als bestuurders van de in staat van faillissement verklaarde vennootschap aansprakelijk te houden. De curator heeft echter de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder en één van de derdegraads bestuurders niet gedagvaard. De rechtbank oordeelt dat de curator niettemin in zijn vordering jegens de wel gedagvaarde bestuurders kan worden ontvangen. De tekst en strekking van art. 2:248 BW bieden volgens de Rechtbank Amsterdam namelijk geen aanknopingspunten voor “processuele ondeelbaarheid van de vordering”.12 De tweedegraads rechtspersoon- bestuurder verdedigde in de betreffende zaak de opvatting dat ook de eestegraads bestuurder gedagvaard diende te worden. De rechtbank overweegt dat die opvatting tot tegenstrijdige en daarom onwenselijke consequenties leidt wanneer de gedagvaarde bestuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld op de voet van art. 2:11 BW.13 Met de door deze bepaling geschapen mogelijkheid om door een rechtspersoon heen te kijken, valt – aldus de rechtbank – een niet-ontvankelijkheidsverklaring op grond van het niet dagvaarden van die “doorzichtige” rechtspersoon (de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder) immers slecht te rijmen.
Een andere zaak (van de Rechtbank Breda d.d. 20 april 201114) betrof het faillissement van een bestuurde rechtspersoon. De procedure tegen de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder was geschorst vanwege het faillissement van die bestuurder. De gedaagde tweedegraads bestuurder stelde zich op het standpunt dat om die reden niet in rechte kon worden beoordeeld c.q. kon worden vastgesteld of die eerstegraads rechtspersoon-bestuurder onrechtmatig had gehandeld en derhalve aansprakelijk is. Aangezien voor toepassing van art. 2:11 BW het bestaan van aansprakelijkheid van de (eerstegraads) rechtspersoon-bestuurder een noodzakelijke voorwaarde is, ontbreekt daarmee – aldus de gedaagde tweedegraads bestuurder – de voorwaarde voor toepassing van art. 2:11 BW. Volgens de betreffende gedaagde heeft dit tot gevolg dat de vordering tegen haar dient te worden afgewezen. De rechtbank verwerpt – terecht – dit verweer. De rechtbank overweegt dat de tweedegraads bestuurder weliswaar gelijk heeft waar hij stelt dat hij als bestuurder van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder niet aansprakelijk kan zijn indien de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder niet aansprakelijk is, maar dat deze aansprakelijkheidsvraag niet noodzakelijkerwijs alleen in een procedure tegen de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder behoeft te worden beantwoord. Zou dat anders zijn, dan zou volgens de rechtbank een tweedegraads bestuurder aan zijn aansprakelijkheid op grond van art. 2:11 BW kunnen ontkomen wanneer om welke reden dan ook een procedure tegen de bestuurde rechtspersoon en de eerstegraads bestuurder niet mogelijk zou zijn. Dit zou in strijd zijn met de strekking van art. 2:11 BW: het voorkomen dat bestuurders zich achter “een rechtspersoonlijkheid” verschuilen. Volgens de rechtbank moet een schuldeiser dan ook in staat zijn om een op art. 2:11 BW gegronde zelfstandige vordering tegen een tweedegraads bestuurder in te stellen. Aangezien het gaat om hoofdelijke aansprakelijkheid, ligt het – aldus de rechtbank – voor de hand dat de procedure zowel tegen de bestuurde rechtspersoon en de eerstegraads bestuurder, als tegen de tweedegraads bestuurder wordt aangespannen. Indien ten gevolge van het faillissement van de bestuurde rechtspersoon en de eerstegraads bestuurder de procedure wordt geschorst en er geen zicht is op voortzetting van die procedure – bijvoorbeeld omdat de curator de vorderingen op de lijst van voorlopig erkende concurrente crediteuren heeft geplaatst15 – heeft de schuldeiser er alle belang bij dat de procedure tegen de tweedegraads bestuurder wordt voortgezet en zijn aansprakelijkheid komt vast te staan. Dat de aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder in de procedure tegen de tweedegraads bestuurder wordt vastgesteld, ligt volgens de rechtbank ook voor de hand, omdat het in de meeste gevallen de tweedegraads bestuurder is die de feitelijke handelingen heeft verricht op grond waarvan de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder wordt verweten onrechtmatig te hebben gehandeld.
In de zaak die ten grondslag ligt aan een arrest van het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden d.d. 2 september 201416 was sprake van een eerstegraads rechtspersoon-bestuurder, een tweedegraads rechtspersoon-bestuurder en een derdegraads natuurlijk persoon-bestuurder. De eerstegraads rechtspersoon-bestuurder was niet mede in het geding betrokken. De bestuurde rechtspersoon had zich rechtstreeks gewend tot de tweedegraads en derdegraads bestuurders. Het Hof overweegt dat aansprakelijkheid van de tweede- en derdegraads bestuurders ex art. 2:9 BW uitsluitend kan worden aangenomen langs de weg van art. 2:11 BW, waarbij in de eerste plaats aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder ex art. 2:9 BW dient te komen vast te staan. In de stellingen van appellanten acht het Hof – zij het impliciet en mede gelet op betrokkenheid van de derdegraads natuurlijk persoon- bestuurder bij de bestuurde rechtspersoon en bij de eerste- en tweedegraads bestuurders – niettemin voldoende kenbaar besloten liggen dat zij de aansprakelijkheid van de tweede- en derdegraads bestuurders baseren op aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder jegens de bestuurde rechtspersoon ex art. 2:9 BW. Het Hof beziet daarom eerst of vastgesteld kan worden dat op de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder (als bestuurder van de bestuurde rechtspersoon) aansprakelijkheid rust.17 Bestaat er op grond van art. 2:9 BW geen aansprakelijkheid van de eerstegraads bestuurder, dan kunnen de tweede- en derdegraads bestuurders ook niet aansprakelijk zijn ex art. 2:11 BW. Voor de aansprakelijkheid van tweedegraads bestuurders ex artt. 2:9 jo. 2:11 BW hangt dus alles af van het al dan niet ernstig verwijtbaar handelen van de eerstegraads bestuurder ex art. 2:9 BW.Vgl. Van Roessel 2014.
Indien een procedure jegens een eerstegraads rechtspersoon-bestuurder wordt geschorst, ontstaat een situatie die sterk lijkt op de situatie waarin de eerstegraads bestuurder in het geheel niet in de procedure was betrokken. Indien een procedure gericht tegen een eerstegraads rechtspersoon-bestuurder en een tweedegraads bestuurder wordt geschorst vanwege het faillissement van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder, dient de rechter mijns inziens nog steeds – indien de vordering mede is gebaseerd op art. 2:11 BW – op inhoudelijke gronden een oordeel te vellen over de vraag of de eerstegraads rechtspersoon- bestuurder als bestuurder aansprakelijk is. De aansprakelijkheid via art. 2:11 BW is een (quasi-)afgeleide aansprakelijkheid. Pas indien de aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder vaststaat, komt de aansprakelijkheid van de tweedegraads bestuurder aan de orde. Enigszins vreemd is dan ook een vonnis van de Rechtbank ’s-Gravenhage d.d.16 september 2015, waarin de rechtbank veronderstelt dat de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder die in staat van faillissement is komen te verkeren aansprakelijk is.18 Mijns inziens dient de rechtbank echter vast te stellen – niet slechts te veronderstellen – dat van een dergelijke aansprakelijkheid sprake is. Voor de eerstegraads rechtspersoon- bestuurder zijn aan het oordeel dat hij aansprakelijk is overigens geen gevolgen verbonden. Het betreffende vonnis krijgt namelijk jegens die eerstegraads rechtspersoon-bestuurder geen gezag van gewijsde.19
De gedagvaarde (en tot betaling veroordeelde) bestuurders kunnen jegens de niet-gedagvaarde bestuurders regres uitoefenen (op grond van art. 6:10 BW). Materieel bezien, behoeven de gedagvaarde bestuurders dan ook geen nadeel te ondervinden van het feit dat de overige bestuurders niet gedagvaard zijn. De niet-gedagvaarde (eerstegraads) bestuurder kan overigens betrokken raken in/ bij een procedure gericht tegen een gedagvaarde (tweedegraads) bestuurder doordat laatstgenoemde hem oproept in vrijwaring (ex art. 210 e.v. Rv.).20