Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/6.2.4
6.2.4 Algemeen verbintenissenrecht
Eric Tjong Tjin Tai & Jaap van Slooten, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Eric Tjong Tjin Tai & Jaap van Slooten1
- JCDI
JCDI:ADS288441:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Jaap van Slooten is als advocaat betrokken bij sommige in dit artikel genoemde platforms en heeft zich om die reden afzijdig gehouden van de passages die op die platforms betrekking hebben.
Met name art. 3:15d, 6:227a-227c, 6:230a-230v BW. Zie thans in het bijzonder de Richtlijn Consumentenrechten 2011/83/EU.
Zie ook Goanta & Mulders2019 over de toepassing van de Wet OHP op apps en websites (m.b.t. gebruik van data).
Afkorting van ‘business to consumer’, d.w.z. een onderneming tegenover een consument.
Hierover Tjong Tjin Tai 2016; Verkade 2016, nr. 26; zie ook Goanta & Mulders 2019.
HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3717, NJ 2006/289 (Safe Haven) en HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3399, NJ 2016/245 (ABN AMRO/St. Gedupeerde Beleggers vd B).
Vgl. Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2018/337 over financiële toestand.
Wellicht houdt dit verband met de aansturing via een app c.q. algoritmes.
Tot slot is er de vraag of het algemene verbintenissenrecht additionele bescherming kan bieden. Het voert te ver om alle regels van het verbintenissenrecht na te lopen. De meest relevante punten zijn de volgende.
informatieplichten jegens de werkende. De wet bevat, op basis van Europese Richtlijnen, veel informatieplichten voor elektronische dienstverlening en overeenkomsten op afstand, die echter vooral de consumentenbescherming dienen.2 Deels gelden zij ook jegens bedrijfsmatige handelende personen. Verder kunnen ook op basis van algemeen verbintenissenrecht (zoals dwaling) informatieplichten worden aangenomen, vergelijk bij franchise. De problematiek rond platforms heeft echter weinig van doen met informatieplichten. Ook als alle verplichte informatie is gegeven kunnen werkenden in de knel komen, nu zij door het netwerkeffect weinig serieuze alternatieven hebben en geen andere voorwaarden kunnen afdwingen. Dat de informatie meestal niet wordt gelezen, is juridisch niet relevant: dit is ook bij consumenten het geval.
toetsing van algemene voorwaarden (art. 6:231-247 BW). Hoewel deze vooral de bescherming van consumenten dienen, kunnen zij reflexwerking hebben ten aanzien van het mkb. De expliciete regels op dit punt betreffen echter vooral kwesties die voor eindafnemers van belang zijn, niet voor dienstverleners. De algemene norm van ‘onredelijk bezwarend’ (art. 6:233 BW) is, voor zover hier van belang, ook al geïmpliceerd in de regels inzake oneerlijke handelspraktijken (zie hierna).
oneerlijke handelspraktijken (art. 6:193a-193j BW, een implementatie van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken 2005/29).3 Hoewel deze merendeels de precontractuele verhouding betreffen, is een deel hiervan ook gericht op de contractsuitvoering. Hoewel deze regels primair de b2c4-verhouding betreffen, kunnen zij reflexwerking hebben op werkenden. Zie vooral de rol van professionele zorgvuldigheid, waar wij hierna op ingaan.
Deze leerstukken bieden dus weinig relevants. Wel van belang zijn enkele leerstukken die een basis zouden kunnen bieden voor hogere eisen aan het handelen van het platform.
Allereerst zijn er normen die strekken tot bescherming tegen misbruik door het platform. In het bijzonder is er een algemene norm die ten grondslag ligt aan de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken 2005/29: het vereiste dat het handelen in overeenstemming is met ‘professional diligence’, professionele zorgvuldigheid.5 Deze norm valt naar Nederlands recht grotendeels samen met de algemene contractuele zorgplicht en/of de redelijkheid en billijkheid, en de zorgplicht bij de opdracht, agentuur e.d. Het vereist onder meer dat een partij zich bij zijn handelen mede laat leiden door de belangen van de wederpartij. Deze norm kan een grondslag bieden voor de regulering van de relatie tussen platform en platformwerker (zoals is gebeurd bij franchise), maar heeft als nadeel dat zij vooralsnog geen concrete inhoud heeft. Het voordeel van deze norm is dat zij zich mede richt op de uitvoering van de overeenkomst, en het lijkt vooral in die fase te zijn dat de meeste problemen zich voordoen. Het zou bijvoorbeeld een grens kunnen stellen aan uitbuiting door te hoge courtage, onredelijke eisen aan beschikbaarheid van de werkende, te verstrekkende eisen aan de uitvoering van de overeenkomst. Dit vereist echter nogal wat creativiteit en durf van de rechter, nu er nauwelijks richtinggevende regelgeving of jurisprudentie is op dit punt.
Een tweede punt is de verantwoordelijkheid van het platform om te beschermen tegen risico’s. Het platform kan, onder bepaalde omstandigheden, gehouden zijn om te waarschuwen tegen bepaalde risico’s en deze tegen te houden: het platform zou als ‘poortwachter’ fungeren. De jurisprudentie hierover heeft tot nog toe vooral betrekking op banken.6 Het lijkt op het eerste gezicht een stap te ver om ook van platforms zo’n verstrekkende mate van controle te eisen. Moet de bemiddelaar letten op slechte klanten? Toch is zo’n verantwoordelijkheid wel degelijk aanvaard bij de agentuur ten aanzien van de financiële toestand van de wederpartij.7 Zou dit bij platforms op basis van een ongeschreven zorgplicht kunnen worden aangenomen? Hiervoor kan zeker reden zijn als het platform de indruk wekte dat zij controles uitvoerde. Dit zou onrechtmatig kunnen zijn, bij analogie met art. 6:193c lid 1 sub b: een handelspraktijk is ook oneerlijk als de consument wordt misleid over ‘de voornaamste kenmerken van het product, zoals (…) risico’s, uitvoering, (…) of de resultaten en wezenlijke kenmerken van op het product verrichte tests of controles’. Verder zou het platform misschien, zoals bij de agentuur, verplicht zijn om te compenseren als de platformwerker te weinig opdrachten krijgt.
Hieraan gerelateerd is de aansprakelijkheid van het platform jegens de platformwerker om bedrijfsrisico’s op te vangen (zoals personenschade en zaakschade, maar ook claims van afnemers). Normaal gesproken zal een zelfstandige opdrachtnemer zijn eigen risico’s moeten dragen als deze binnen de gewone bedrijfsrisico’s vallen (art. 7:406 lid 2 BW, hierboven). Hieronder lijken ook claims van de afnemer op de platformwerker te vallen. Er is alleen aansprakelijkheid jegens het platform in geval van wanprestatie door het platform. Dit zou bijvoorbeeld zo kunnen zijn als het platform bepaalde controles had moeten uitvoeren en dit heeft nagelaten, of bepaalde voorzorgsmaatregelen had moeten treffen. Op dit moment lijkt het nog niet gebruikelijk dat een platform zelf zulke verplichtingen opneemt in de overeenkomst. Dan is de vraag of er op grond van de redelijkheid en billijkheid toch zulke verplichtingen moeten worden ‘ingelezen’ in de overeenkomst. Zie ook de alinea hierboven ten aanzien van controles en hetgeen in paragraaf 6.3 aan de orde komt bij de aansprakelijkheid voor letselschade van de platformwerker.
Het bijzondere aan platforms van het type c is dat zij een veel sterkere invloed op de uitvoeringsfase hebben dan gebruikelijk bij franchise of agentuur,8 waardoor er eigenlijk vooral een nominale zelfstandigheid van de platformwerker is. Dit kan erin uitmonden dat in feite het platform de dienstverlener is (vgl. Uber). Die machtsverhouding kan tevens via het mededingingsrecht genormeerd worden. In het privaatrecht kan deze macht worden beperkt door de algemene open normen, zoals de redelijkheid en billijkheid. De gewone assumptie in het recht, dat je kunt opzeggen als het je niet bevalt, werkt niet in een markt met een dominante partij wegens netwerkeffecten. Dit zou kunnen leiden tot beperkingen aan de mogelijkheid van tussentijdse wijzigingen (vgl. de franchiseregels) of de opzeggingsregeling.
Er is dus reden om op basis van de aangegeven algemene normen, en geïnspireerd door de bijzondere regels besproken in paragraaf 6.2.1-6.2.3, additionele beschermingsregels te aanvaarden. Deze zouden platformwerkers beschermen op een vergelijkbare wijze als franchisenemers en principalen/handelsagenten. De huidige regels bieden hooguit enige bescherming bij ongevallen op basis van art. 7:406 BW. Wij komen hier in paragraaf 6.4 op terug.