Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.4.2.1
13.4.2.1 De IB-onderneming
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232978:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In het bijzonder wijs ik in dit verband nog op de mogelijkheid dat de vermogenspositie van de STAK zodanig is dat het negatief worden van dat vermogen een mogelijkheid is. De context van een onderneming lijkt mij een situatie waarin zich dit voor kan doen. Indien de certificaathouder dan geen plicht tot aanvulling van een eventueel tekort heeft, kan hij naar mijn mening niet als economisch eigenaar beschouwd worden (zie nader paragraaf 13.3.1).
Zie artikel 3.4 Wet IB 2001.
Vergelijk artikel 3.61 Wet IB 2001.
Het certificering van een IB-onderneming als zodanig is uiteraard niet mogelijk, in aanmerking nemend dat deze vermogensrechtelijk geen eenheid is. Wel is, althans theoretisch, denkbaar dat de individuele tot de onderneming behorende vermogensbestanddelen en verplichtingen worden overgedragen aan c.q. overgenomen door de STAK. Ook is denkbaar dat een participatie in een personenvennootschap wordt ondergebracht in de STAK.
Indien de voorwaarden waaronder certificering plaatsvindt van zodanige aard zijn dat de certificaathouder als economisch eigenaar van het gecertificeerde vermogen beschouwd kan worden, en daarmee ook als fiscaal eigenaar hiervan,1 hoeft de certificering naar mijn mening niet tot de staking van de onderneming te leiden. Een aandachtspunt is echter dat men slechts IB-ondernemer kan zijn, indien men rechtstreeks verbonden wordt voor de verbintenissen van die onderneming.2 Aan dit vereiste wordt voldaan in geval van een eenmanszaak of bij een deelname in een personenvennootschap anders dan als commanditair vennoot. Van winst uit onderneming kan bovendien sprake zijn bij een medegerechtigdheid3, oftewel (in elk geval) bij een deelname als commandiet in een commanditaire vennootschap; in dit geval is rechtstreekse verbondenheid voor verbintenissen niet nodig en doet deze zich, gezien de aard van het commanditaire belang, in principe ook niet voor.
Voor zover men winst uit onderneming geniet als ondernemer en een rechtstreekse verbondenheid voor de verbintenissen van die onderneming vereist is, zal certificering leiden tot staking van de onderneming, ook als men economisch eigenaar blijft van de gecertificeerde goederen, indien de administratievoorwaarden niet tevens in een dergelijke verbondenheid voorzien. Een voor de hand liggende juridische vormgeving is dit naar mijn mening niet. Bij certificering van een medegerechtigdheid zou het behouden van de economische eigendom wel volstaan. Indien de certificaathouder echter geen economisch eigenaar is, leidt de certificering in ieder geval tot staking en daarmee in beginsel tot belastingheffing.4