Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/2.3.3.2
2.3.3.2 Een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180092:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 23 024, Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, nr. 3 (MvT), p. 3.
Kamerstukken 21 287, Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, nr. 3 (MvT), p. 11.
W.L.P.A. Molengraaff, herzien door C.W. Star Busmann en Chr. Zevenbergen, met medewerking van G.H.C. Bodenhausen, Leidraad bij de invoering van het Nederlandse Handelsrecht, Haarlem: De Erven F. Bohn 1953, negende druk, p. 51 en T.J. Dorhout Mees, Nederlands handels- en faillissementsrecht. I: Inleiding en ondernemingsrecht, Arnhem: Gouda Quint 1978, achtste druk, p. 50.
C.H. Pastoor, De grondbegrippen van ons handelsrecht (diss. Utrecht), Arnhem: G.W. van der Wiel & Co 1942, p. 44.
Nieuw is dat niet alleen een ieder die een bedrijf uitoefent maar ook een ieder die zelfstandig een beroep uitoefent, per 1 januari 1994 verplicht is een administratie te voeren. Ook voor deze uitbreiding werd verwezen naar de parlementaire geschiedenis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Deze uitbreiding van de civielrechtelijke administratieplicht wordt afgedaan met de enkele opmerking dat in aansluiting op het aanhangige voorstel voor de wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de administratie- en bewaarplicht mede wordt betrokken op degene die zelfstandig een beroep uitoefent.1 Ook in de Memorie van Toelichting inzake de Algemene wet inzake rijksbelastingen is op dit punt verder weinig toelichting te vinden, hetgeen kan worden verklaard uit het feit dat op grond van artikel 53a AWR reeds een verplichting tot het voeren van een administratie bestond voor een ieder die een beroep uitoefent. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen was het voorstel voor het nieuwe artikel 52 dan ook geen uitbreiding van de administratieplichtigen.2
Voor de civielrechtelijke administratieplicht is dat anders. Ten tijde van het verschijnen van de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen was er nog geen civielrechtelijke verplichting voor een ieder die zelfstandig een beroep uitoefent om een administratie te voeren op grond van artikel 6 WvK. Die uitbreiding werd beoogd bij de wetswijziging per 1 januari 1994. Deze uitbreiding van de civielrechtelijke administratieplicht met een ieder die zelfstandig een beroep uitoefent, heeft per 1 januari 1994 zonder veel toelichting of discussie plaatsgevonden.
Uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 3:15a BW wordt niet duidelijk wat moest worden verstaan onder zelfstandig een beroep uitoefenen. In de juridische literatuur werd beroep omschreven als iedere vaste werkkring3 of een geregelde maatschappelijke werkzaamheid, gericht op het verkrijgen van geldelijk inkomen.4 Duidelijk werd wel dat de beroepsbeoefenaren die bij de toepasselijkheid van artikel 6 WvK nog buiten de boekhoudverplichting vielen, met deze wijziging ook verplicht werden een administratie te voeren.