Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.5.6.1
2.5.6.1 Het hoofdregelstelsel
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS585072:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Krüger 2007, p. 2645.
Staudingers 2012, p. 567-568.
In interne relaties is de gezamenlijke aansprakelijkheid verdeeld tussen de verschillende debiteuren of de verschillende crediteuren, tenzij deze is aangegaan in het exclusieve belang van een van hen. De delen van elk worden verondersteld gelijk te zijn, tenzij ze verschillend zijn.
In de onderlinge relatie, neemt men aan dat schuldenaren en individuele schuldeisers in gelijke delen deelnemen in de schuld of krediet, zolang er een juridische relatie bestaat tussen beiden die niet resulteert in ongelijke delen, of dat één van beiden de last van de schuld draagt of voordeel heeft van het krediet.
In hun onderlinge rechtsverhouding zijn hoofdelijke schuldenaren aansprakelijk voor gelijke delen, tenzij anders is bepaald op grond van wet, rechtshandeling of aard van de verplichting.
Zie ook art. 1213 CC: L’obligation contractée solidairement envers le créancier se divise de plein droit entre les débiteurs, qui n’en sont tenus entre eux que chacun pour sa part et portion.
Zie art. 1213 B.W.: De verbintenis die hoofdelijk jegens de schuldeiser is aangegaan, is van rechtswege deelbaar tussen de schuldenaars, die onder elkaar slechts ieder voor zijn aandeel verbonden zijn.
Vredegerecht Zottegem, 3 januari 2013, RW 2014-2015, nr. 6, 11 oktober 2014; Van Gerven & Van Oevelen 2015, p. 560.
Cour de cassation 28 juni 1994, Bull. civ., IV, nr. 236.
Hof van Cassatie 29 oktober 1998, RW 1999-2000, nr. 7, 16 oktober 1999, m.nt. R. van Ransbeeck.
Van Ransbeeck 1999, nr. 7.
Van Ransbeeck 1999, nr. 5.
Brussel 28 oktober 1933, Pas. 1934, II, 109; Van den Broeck 2011; Vredegerecht te Zottegem, 3 januari 2013, RW 2014-2015, nr. 6, 11 oktober 2014; M. van Quickenborne, ·Hoofdelijkheid·, in: Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 43; Van Gerven & Van Oevelen 2015, p. 560-561.
Art. 1216 B.W.: Indien de zaak waarvoor de schuld hoofdelijk is aangegaan, slechts één van de hoofdelijke medeschuldenaars aangaat, is deze tot voldoening van de gehele schuld gehouden ten aanzien van de overige medeschuldenaars, die te zijnen opzichte slechts als zijn borgen beschouwd worden.
LG Gieûen 1 maart 2000, NJW-RR 2000, 1387.
OLG Köln 28 maart 2003, FamRZ 2003, 1839.
Staudingers 2012, p. 568.
Meier 2010, p. 385.
OLG Köln 2 augustus 1995, NJW-RR 1996, 557. Staudingers 2012, p. 582.
Het hoofdregelstelsel heeft navolging in het Duitse recht en verschillende andere codificaties. Regresbepaling § 426 BGB geeft als regelend recht de schuldenaar ten laste van wiens vermogen de hoofdelijke schuld boven zijn aandeel is gedelgd, naast een mogelijke grondslag uit hoofde van de onderlinge verhouding, twee grondslagen om zijn regresrecht op te baseren.1 Namelijk een (wettelijk) regresrecht krachtens § 426 I BGB en een regresrecht dat zijn grondslag vindt in de subrogatie van de vordering van de schuldeiser aan de presterende schuldenaar krachtens § 426 II BGB.2 Als uitgangspunt ter bepaling van de omvang van de draagplicht voorziet § 426 I BGB in Kopfteilsregres.
§ 426 I BGB: Die Gesamtschuldner sind im Verhältnis zueinander zu gleichen Anteilen verpflichtet, soweit nicht ein anderes bestimmt ist. Kann von einem Gesamtschuldner der auf ihn entfallende Beitrag nicht erlangt werden, so ist der Ausfall von den übrigen zur Ausgleichung verpflichteten Schuldnern zu tragen.
Andere voorbeelden van codificaties die het hoofdregelstelsel toepassen zijn het Italiaanse recht, het Portugese recht en het Estse recht:
Italie: art. 1298 Codice Civile:Nei rapporti interni l’obbligazione in solido si divide tra i diversi debitori o tra i diversi creditori, salvo che sia stata contratta nell’interesse esclusivo di alcuno di essi.
Le parti di ciascuno si presumono uguali, se non risulta diversamente.3
Portugal: art. 516 Código Civil: Nas relações entre si, presume-se que os devedores ou credores solidários comparticipam em partes iguais na dívida ou no crédito, sempre que da relação jurídica entre eles existente não resulte que são diferentes as suas partes, ou que um só deles deve suportar o encargo da dívida ou obter o benefício do crédito.4
Estland: § 69 (1) LOA: Omavahelises suhtes peavad solidaarvõlgnikud kohustuse täitma võrdsetes osades, kui seadusest, lepingust või kohustuse olemusest ei tulene teisiti.5
Niet alleen nationale codificaties maken gebruik van het hoofdregelstelsel, ook pan- Europese initiatieven als de PECL en de DCFR passen het hoofdregelstelsel toe om inhoud en vorm te geven aan het regresrecht.
Art. 10:105I PECL: As between themselves, solidary debtors are liable in equal shares unless the contract or the law provides otherwise.
Art. III. – 4:106 I DCFR: As between themselves, solidary debtors are liable in equal shares.
Ook komt voor dat de toepasselijkheid van het hoofdregelstelsel niet volgt uit de wettelijke regresbepaling, maar uit de jurisprudentie. Dit is het geval bij de jurisprudentie inzake de Franse en de Belgische regresbepaling art. 1214 CC/B.W.
Frankrijk: art. 1214 CC: Le codébiteur d’une dette solidaire, qui l’a payée en entier, ne peut répéter contre les autres que les part et portion de chacun d’eux. Si l’un d’eux se trouve insolvable, la perte qu’occasionne son insolvabilité se répartit, par contribution, entre tous les autres codébiteurs solvables et celui qui a fait le paiement.6
België: art. 1214 B.W.: De medeschuldenaar van een hoofdelijke schuld, die de gehele schuld voldaan heeft, kan van de overige schuldenaars niet méér terugvorderen dan wat ieders aandeel bedraagt.
Indien een van hen onvermogend is, wordt het door zijn onvermogen veroorzaakte verlies naar evenredigheid omgeslagen over al de andere schuldenaars die in staat zijn om te betalen, en degene die de schuld voldaan heeft.7
In de bovenstaande Franse en de Belgische regresbepaling betreffende de ‘bedongen hoofdelijkheid’ (contractuele hoofdelijkheid), wordt het regres per medeschuldenaar begrensd door zijn aandeel in de schuld, zonder aan te geven op welke wijze de omvang van dit aandeel wordt bepaald. Het uitgangspunt dat volgt uit de jurisprudentie en de literatuur is de draagplichtverdeling in gelijke delen.8 Hierbij is de ‘onderscheiden belangtheorie’, die stelt dat rekening moet worden gehouden met de individuele belangen van de schuldenaren bij het vaststellen van de omvang van de draagplicht, uitdrukkelijk verworpen als maatstaf door het Franse Hof van Cassatie.9 Het Belgische Hof van Cassatie heeft zich aangesloten bij deze Franse zienswijze.10 Een criterium om specifiek en precies dit ‘onderscheiden belang’ te bepalen, ontbreekt in deze theorie. Zowel in de rechtspraak als in de literatuur is geponeerd dat het begrip dermate open voor interpretatie is dat het eindeloze twisten uitlokt over de betekenis van het begrip. Ook zullen rechtsgebruikers allerhande feitelijke argumenten naar voren brengen om op grond van hun ‘onderscheiden belang’ hun aandeel in de schuld zoveel mogelijk te beperken.11
Zowel het Belgische als het Franse Hof van Cassatie verwijzen naar het criterium van ‘veruiterlijkte wil’ ter bepaling van de interne draagplicht bij de contractuele hoofdelijkheid. Op grond van dit criterium kan hetgeen schuldenaren in de externe relatie afspreken met de schuldeiser, zijn weerslag hebben op de interne draag plicht. Ter zake van het criterium van de veruiterlijkte wil en de borgtocht stelt Van Ransbeeck:
‘Door zich als borg samen met andere borgen voor eenzelfde schuld of een gelijk bedrag te verbinden, plaatst deze borg zich jegens de schuldeiser op gelijke voet met de overige borgen en wordt naar de medeborgen ontegenzeglijk de schijn gewekt dat hij zich ook als een gelijke zal gedragen in het raam van de bijdrageplicht tussen de verschillende borgen. Het spreekt voor zichzelf dat de medeborgen op deze gewekte schijn moeten kunnen vertrouwen. Elke borg dient dus bij te dragen voor een gelijk deel, behoudens afwijkende overeenkomst.’12
Wat de bijdrageplicht inzake art. 1214 B.W. aangaat, wordt voor schuldenaren die zich op gelijke wijze hebben verbonden jegens een schuldeiser, in beginsel uitgegaan van een gelijke verdeling behoudens een andersluidend beding. Een ongelijke verdeling kan billijk zijn wanneer het belang van de schuldenaren bij de schuldvordering ongelijk is.13 Bijvoorbeeld wanneer de aangegane schuld maar één van de schuldenaren aangaat.14
In de codificaties waarbij het hoofdregelstelsel wordt toegepast, wordt over het geheel van zaken gezien niet buitensporig veel gebruikgemaakt van de maatstaf draagplicht voor gelijke delen. Zo geldt voor het Duits recht dat het Kopfteilsregres van § 426 I BGB gerelativeerd wordt door een soweit-regel. Het Kopfteilsregres geldt soweit nicht ein anderes bestimmt ist. Dit betekent dat het Kopfteilsregres ter zijde kan worden geschoven door bijvoorbeeld draagplichtafspraken.15 Afwijkingen van § 426 I BGB kunnen zelfs stilzwijgend worden overeengekomen.16 Bijvoorbeeld in het geval dat één van twee medehuurders de huurwoning verlaat en met goedkeuring van alle betrokkenen een nieuwe woning betrekt van dezelfde verhuurder. Daarmee geeft de achterblijvende huurder stilzwijgend te kennen dat hij in hun onderlinge verhouding de huur voor de voormalige gemeenschappelijke woning alleen draagt.17
Naast maatstaven die voortvloeien uit de partijbedoeling, hebben maatstaven die voortkomen uit met § 426 I BGB samenlopende wetsbepalingen ook voorrang op het Kopfteilsregres.18 Bijvoorbeeld maatstaven voortvloeiend uit arbeidsovereenkomst19, overeenkomst van opdracht20 of vennootschapsovereenkomst21. Bovendien beroept de Duitse rechtspraak zich, bij afwezigheid van een verdelingsnorm die volgt uit wet of overeenkomst, dikwijls op de Inhalt und Zweck des Rechtsverhältnisses of op de Natur der Sache.22 Hiermee wordt het gebruik van een andere maatstaf dan de draagplicht voor gelijke delen gerechtvaardigd.23
In feite is de primaire functie van § 426 I BGB om Kopfteilsregres mogelijk te maken. In het bijzonder wanneer de presterende schuldenaar, bij uit rechtshandeling voortvloeiende hoofdelijke aansprakelijkheid, geconfronteerd wordt met een niet te duiden of bewijsbare onderlinge rechtsverhouding.24 Ondanks de geringe toepassing in de praktijk heeft Kopfteilsregres wel grote invloed op de stel- en bewijsplicht. Een schuldenaar die een andere verdeling wenst, moet dit adstrueren.25 Het één en ander met de kanttekening dat wanneer de betreffende schuldenaar succesvol aantoont dat hem een ongelijk deel van de draagplicht toevalt, dit niet automatisch betekent dat andere schuldenaren ook een draagplicht voor ongelijke delen hebben. Tussen hen kan het resterende bedrag nog steeds naar gelijke delen worden toebedeeld.26
Andere codificaties en ontwerpen die gebruikmaken van het hoofdregelstelsel hebben een gelijke vorm en inhoud toegekend aan de draagplicht voor gelijke delen. De DCFR stelt bijvoorbeeld dat de ‘rule of equal sharing’ wordt gebruikt als algemene regel. Gelijk aan het Duitse recht zijn de mogelijkheden om van deze regel af te wijken ruim: ‘Unequal sharing may result from an express or implied provision of the contract or other juridical act or from the rule of law regulating the obligation’.27