Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/2.2.2.4
2.2.2.4 Art. 13 EVRM
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS614265:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. EHRM 27 september 1999, nr. 33985/96 en 33986/96 (Smith en Grady v. Verenigd Koninkrijk) en EHRM 28 januari 2003, nr. 44647/98 (Peck v. Verenigd Koninkrijk).
Vgl. Franken 2004, p. 17.
Zie EHRM 28 januari 2003, nr. 44647/98 (Peck v. Verenigd Koninkrijk).
Vgl. Prakken 2005, p. 507.
Zie Barkhuijsen 1998, p. 115 en Cromheecke & Staelens 2004, p. 119.
Vgl. Ölçer 2013, p. 380.
Zie daarover nader par. 8.3.2 en 8.4.2.
Zie bijv. EHRM 25 september 2001, NJ 2003/670 m.nt. Dommering (P.G. & J.H. v. Verenigd Koninkrijk).
In dat verband kan worden gewezen op de rechtspraak van de HR over schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM, welke rechtspraak in par. 4.1 aan de orde komt. Ook kan worden gewezen op de zaken waarin, in een herzieningsprocedure na veroordeling van Nederland wegens schending van art. 8 EVRM, rechtsherstel in de zin van art. 41 EVRM werd geboden door vermindering van de opgelegde straf. Zie daarover par. 7.1.4.
Vgl. Baaijens-van Geloven 2004, p. 342 en zie bijv. HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR: 2004:AP2257, NJ 2004/608.
Een belangrijke waarborg voor een ieder wiens door het EVRM gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, biedt art. 13 EVRM dat recht geeft op een ‘effective remedy’ voor een nationale instantie; een daadwerkelijk rechtsmiddel. Dat vraagt volgens de rechtspraak van het EHRM om een instantie die bevoegd is zich inhoudelijk te buigen over de klacht dat van een dergelijke schending sprake is en die daarvoor op een passende wijze compensatie kan bieden.1 Het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel betekent niet dat een aanspraak bestaat op een voordelig resultaat.2 Art. 13 EVRM schrijft ook niet een bepaalde vorm van compensatie voor. In dat opzicht hebben de verdragsstaten een margin of appreciation om aan de uit art. 13 EVRM voortvloeiende verplichtingen te voldoen.3 Als de zittingsrechter deze functie niet vervult, is daarvoor een ander forum nodig.4 Dat hoeft niet per se een tot de rechterlijke macht behorende instantie te zijn,5 als voor het slachtoffer van een EVRM-schending maar een effectief rechtsmiddel bestaat.
Afhankelijk van het verdragsrecht waarop inbreuk is gemaakt, ligt meer of minder voor de hand dat de op grond van art. 13 EVRM vereiste effective remedy binnen het strafproces wordt geboden. Een schending van art. 6 EVRM zal – in het bijzonder als het gaat om de verdedigingsrechten – veelal binnen het strafproces gecompenseerd moeten worden: anders is het proces ‘as a whole’ niet eerlijk in de zin van deze bepaling. Voor een schending van art. 8 EVRM hoeft niet binnen het strafproces het rechtsmiddel te worden geboden dat tot een effectieve remedie kan leiden.6 Heel goed is mogelijk om compensatie van de verdachte voor de op zijn privacy gemaakte inbreuk in een andere procedure te bieden.
Het verdragsrecht waarop inbreuk is gemaakt is ook tot op grote hoogte bepalend voor het antwoord op de vraag waaruit de effective remedy dient te bestaan. Bij schendingen van art. 3 EVRM en bij bepaalde schendingen van art. 6 EVRM schrijft het EHRM bewijsuitsluiting voor.7 Bij schendingen van art. 8 EVRM is toepassing van dat rechtsgevolg niet verplicht. De remedie die het EHRM zelf biedt als het een dergelijke schending vaststelt, is het toekennen van een financiële schadevergoeding.8 Ook door middel van het verminderen van de opgelegde straf kan voor bepaalde schendingen van EVRM-rechten een effective remedy worden geboden.9
Samenvattend kan worden gesteld dat het verzekeren van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM een doeleinde móet zijn van het controleren en reageren op vormfouten en dat daarnaast in een rechtsstaat ook het bevorderen van normconform opsporingshandelen, ter voorkoming van inbreuken op verdragsrechten, een voor de hand liggend doeleinde is, waarbij het EHRM alleen op enkele specifieke punten rechtspraak heeft ontwikkeld (die hierna in hoofdstuk 8 aan de orde komt) die in dit opzicht de ruimte voor een nationale benadering beperkt. Voorts kan het bieden van compensatie voor inbreuken op andere EVRM-rechten dan dat op een eerlijk proces een doeleinde zijn van reacties binnen het strafproces, maar verdragsrechtelijk is dat niet vereist,10 mits een effective remedy dan op andere wijze beschikbaar is.