Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/3.2.3
3.2.3 Onvoorspelbaarheid
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457610:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Genesis 22, NBV. Zie hierover uitgebreid: Kierkegaard 1983 [1843]; zie Derrida 2006. Kierkegaard grijpt dit Bijbelverhaal aan om te betogen dat (in tegenstelling tot Kant) het ethische (d.w.z. de moraliteit) niet het hoogste doel van de mens is (zijn telos), maar stelt dat de absolute liefde van de mens tot het Absolute (d.w.z. God) de telos is van het ethische. Het ethische kan volgens Kierkegaard teleologisch worden gesuspendeerd door de ‘ridder van het geloof’.
Heimbach-Steins 2013.
Om deze reden is door meerdere seculiere liberalen betoogd om in het publieke domein (met name aangaande de dialoog tussen volksvertegenwoordigers) een vorm van ‘publieke redelijkheid’ of ‘liberaal esperanto’ in te voeren. Dit impliceert dat burgers die zeker zijn van bepaalde religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, daarnaast een andere ‘taal’ moeten kunnen spreken. Een taal die voldoende neutraliteit waarborgt om niet problematisch te zijn voor de pluriforme samenleving en waarbij geen beroep wordt gedaan op omvattende doctrines of morele principes die mogelijk niet voor iedereen gelden. Zie o.a. Rawls 1993; Cliteur 2007; Hordijk 2001.
Zie de discussie over een eventuele verplichte inenting tegen mazelen waarbij zowel vanuit het reformatorische als antroposofische mens- en wereldbeeld bezwaren zijn aangevoerd. J. van de Weg (antroposofisch arts), Opinie, Trouw, 8 augustus 2013.
Men zou overigens kunnen beweren dat elke diepgewortelde morele overtuiging uiteindelijk terug te voeren is op onbewijsbare aannames of vooronderstellingen en om die reden niet verschilt van een godsdienstige (of een enkele levensbeschouwelijke) opvatting. Toch is er wel een verschil tussen diepgewortelde morele overtuigingen en religieuze overtuigingen en dat is dat religieuze overtuigingen veelal steunen op vooronderstelingen over het bestaan van een God of godheden of andere opperwezens. Zie Audi 1997, p. 18-20, 25.
Wanneer de rechtsorde de waarheidsclaims van rechtssubjecten over hun godsdienst serieus neemt, dat wil zeggen niet per definitie uitsluit maar prima facie als uitgangspunt accepteert, is het gevolg dat de reikwijdte van het godsdienstbegrip onvoorspelbaar wordt. Men kan in principe nooit voorspellen tot welke uitingen of gedragingen een al dan niet bestaande goddelijke macht een mens of een volk kan aanzetten. Een onthutsend maar treffend voorbeeld hiervan is het oudtestamentische verhaal van Abraham, die uit het niets en zonder hiervoor een ander doel te dienen dan het gehoorzamen aan God, besluit zijn geliefde zoon Izaäk te offeren.1
Dezelfde ondoorgrondelijkheid ligt ten grondslag aan meer gangbare vormen van godsdienstoefening, zoals de joodse religieuze traditie van jongensbesnijdenis. Indien aan een belijdende Jood wordt gevraagd waarom jongens op de 8e dag besneden moeten worden, krijgt men als belangrijkste reden te horen dat de Thora dit voorschrijft.2 Met het gebruik van autoriteiten in de argumentatie van veel gelovigen, de verwijzing naar een heilig geschrift of God als hoogste autoriteit, houdt de discussie voor niet-gelovigen abrupt op.3 De al dan niet fictieve relatie met een God of goden kan in principe aanleiding geven tot onvoorspelbare en onbekende uitingen en gedragingen. Wanneer men deze lijn doortrekt kunnen zelfs uitingen en handelingen onder godsdienstig belijden worden geschaard die zijn ingegeven door vergaand subjectieve vormen van geloofsbeleving of door gewetensinhouden die geheel los staan van enige objectiveerbare traditie. Wanneer het recht uitgaat van een volledig subjectiverende kwalificatiewijze worden ook deze vormen van geloofsbeleving als zodanig gekwalificeerd.
Overigens lijkt bovengenoemde ondoorgrondelijkheid niet te gelden voor de uitingen en gedragingen van aanhangers van levensovertuigingen die deze niet funderen op een ‘bovennatuurlijke’ oorsprong. Sommige vormen van levensovertuiging zoals antroposofie, met haar visie op het hiernamaals,4 worden echter ook gekenmerkt door deze ondoorgrondelijkheid. Ook hiervoor zou dan gelden dat hieruit de meest onvoorspelbare, singuliere, excentrieke en bizarre uitingen en gedragingen kunnen volgen.5