Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.5.3
7.5.3 Omzetting schuldvordering in aandelenkapitaal
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS455343:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin R.H. de Vries, Over technische wijzigingen, aflossingen om niet en andere vragen van aanmerkelijk belang, WFR 1998/6275, blz. 66-67. Zie tevens uitgebreider mijn: Het vervreemdingsbegrip in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling. Tijdschrift Fiscaal Ondernemingsrecht april 1998, nr. 36, blz. 76 e.v. alsmede mijn: 49 vragen en antwoorden over het aanmerkelijk belang, Fiscaal Actueel, blz. 22 e.v., Kluwer, Deventer, 1998.
Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 61 alsmede de nota naar aanleiding van het verslag Eerste Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 62d, blz. 3.
Van Dale omschrijft het begrip 'aflossen' als het ineens of in gedeelten terugbetalen van een schuld.
Ook het in de memorie van toelichting vermelde voorbeeld gaat uit van een aflossing van de schuldvordering in geld. Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 48.
Kennelijk stellen H. Mobach/L.W. Sillevis zich op dit standpunt, H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.6.G, Gouda Quint, Deventer.
Belast wordt het verschil tussen de werkelijke waarde van de ter zake van omzetting verkregen aandelen op grond van art. 20c. tweede lid. Wet IB en de verkrijgingsprijs van de schuldvordering (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.2). De facto vindt geen aanmerkelijkbelangheffing plaats als de schuldvordering wordt omgezet in aandelen op een moment dat de schuldvordering (nog) niet meer waard is (geworden) dan de voor de desbetreffende schuldvordering geldende verkrijgingsprijs. Vgl. tevens de nota naar aanleiding van het verslag Eerste Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 62d, blz. 3.
Sedert 1 januari 1997 behoren schuldvorderingen eveneens tot het aanmerkelijk belang, mits de belastingplichtige reeds een aanmerkelijk belang bezit in de vennootschap (meetrekregeling van art. 20a, vierde lid, Wet IB, zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.3) dan wel zijn echtgenoot of één van hun bloed- of aanverwanten een aanmerkelijk belang bezit in de vennootschap (afgeleid-aanmerke-lijkbelangregeling van art. 20a, vijfde lid, Wet IB, zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.4). Dit betekent dat eventuele meerwaarden op de schuldvordering, bijvoorbeeld omdat de schuldvordering voor minder dan de nominale waarde is verkregen en inmiddels volwaardig is geworden, belast zijn op grond van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' en wel als vervreemdingsvoordeel. De vraag die dan rijst is of omzetting van de schuldvordering in aandelenkapitaal resp. kwijtschelding van de schuldvordering een vervreemding is voor de aanmerkelijkbelangregeling. De omzetting van schuldvorderingen in aandelenkapitaal resp. kwijtschelding van schuldvorderingen is sedert 1 januari 1997 zeer actueel geworden vanwege de gebruikelijke-inkomstenregeling van art. 24, vierde lid, Wet IB.
In zijn Besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag C.1) antwoordde de staatssecretaris van Financiën dat de storting van een schuldvordering op nieuw uitgegeven aandelen als een aflossing van de schuldvordering moet worden aangemerkt, hetgeen een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling in de zin van artikel 20a, zesde lid, onderdeel e, Wet IB inhoudt. De verkrijgingsprijs van de schuldvordering is gelijk aan de historische verkrijgingsprijs. De overdrachtsprijs bij aflossing wordt gesteld op de werkelijke waarde van de vordering. Dit laatste bedrag is tevens de verkrijgingsprijs van de nieuw uitgereikte aandelen. Gelet op het hiervoor in onderdeel 7.2.1 uiteengezette vervreemdingsbegrip, met name HR 28 juni 1989, BNB 1990/147, lijkt mij de opvatting van de staatssecretaris van Financiën dat sprake is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling juist. Door de omzetting van de schuldvordering in aandelenkapitaal doet de schuldeiser immers rechten overgaan uit zijn vermogen in dat van een ander, nl. de debiteur/vennootschap. Anders gezegd, de bij de omzetting verkregen aandelen nemen in het vermogen van de houder van het aanmerkelijk belang niet economisch dezelfde plaats in als de afgestane schuldvordering. Dit is mijns inziens ook het geval als sprake is van slechts één aandeelhouder in de vennootschap die tevens de enig crediteur is van de vennootschap. In zoverre is deze situatie vergelijkbaar met die waarin aandelen in een vennootschap worden geruild voor aandelen in een (andere) holdingvennootschap. Ook in deze situatie oordeelde de Hoge Raad immers dat de nieuwe aandelen in het vermogen van de aandeelhouder niet economisch dezelfde plaats innamen als de ingebrachte aandelen, zodat de inbreng van aandelen in een holdingvennootschap een wezenlijke verandering in de economische betekenis van de ingebrachte aandelen had gebracht. Soortgelijke overwegingen gelden met betrekking tot de omzetting van een schuldvordering in aandelenkapitaal:
een schuldvordering geeft immers niet, zoals een aandeel, recht op de winstreserves en het gestorte kapitaal van de vennootschap;
de rentevergoeding op een schuldvordering is veelal niet, zoals dividend, afhankelijk van de winst van de vennootschap;
de rentevergoeding op een schuldvordering rijpt in beginsel van dag tot dag en met name is geen afzonderlijk besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders vereist voor de toekenning resp. uitbetaling van de rentevergoeding;
in geval van faillissement van de vennootschap heeft de schuldeiser normaliter voorrang op een aandeelhouder.
Ook fiscaliter loopt de behandeling van eigen en vreemd vermogen uiteen, nu rente in beginsel - afgezien van de specifieke renteaftrekbeperkingen van art. 10a Wet Vpb. - aftrekbaar is van de winst van de vennootschap en dividend niet en rente voorts, ook als de schuldvordering behoort tot een aanmerkelijk belang, in de inkomstenbelasting wordt belast naar het normale tabeltarief van maximaal 60% en niet naar het aanmerkelijkbelangtarief van 25% (zie hoofdstuk 4, onderdeel 4.2.1). Deze fiscale en niet-fiscale aspecten tezamen beschouwd, maken dat mijns inziens de aandelen in het vermogen van de aandeelhouder/crediteur economisch niet dezelfde plaats innemen als de schuldvordering die hij voorheen bezat.1
Ik wijs er nog op dat de staatssecretariële opvatting in de loop der tijd een ontwikkeling heeft doorgemaakt. Tijdens de parlementaire behandeling van de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling was reeds aandacht gevraagd voor de omzetting van een schuldvordering in aandelenkapitaal. Toen had de staatssecretaris van Financiën geantwoord dat een omzetting van een schuldvordering in aandelenkapitaal als een vervreemding in de zin van de hoofdregel art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB moest worden aangemerkt, nu de nieuwe rechten in het vermogen van de belastingplichtige economisch niet dezelfde plaats innamen als de oude rechten jegens de vennootschap. 2 In het Besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. daarentegen wordt aanmerkelijkbelangheffing verdedigd met een beroep op de fictieve vervreemding van art. 20a, zesde lid, onderdeel e, Wet IB (het aflossen van schuldvorderingen). Mijns inziens kan echter worden betwijfeld of de omzetting van een schuldvordering in aandelenkapitaal als een aflossing kan worden beschouwd, nu de schuldeiser geen contanten in privé ontvangt.3 Voorts blijkt uit de parlementaire geschiedenis niet dat aan het begrip 'aflossen' een andere betekenis moet worden toegekend dan hetgeen het spraakgebruik eronder verstaat.4 Anderzijds kan worden verdedigd dat bij de omzetting van een schuldvordering in aandelenkapitaal de aandeelhouder een stortingsverplichting heeft ter grootte van de nominale waarde van de nieuw uitgereikte aandelen, welke schuld vervolgens wordt verrekend met de schuldvordering die de aandeelhouder heeft op de vennootschap. Dit laatste zou dan als een aflossing (in natura) kunnen worden aangemerkt.5 Mij spreekt overigens het eerstgenoemde, tijdens de parlementaire behandeling ingenomen standpunt het meest aan. Wat hiervan ook zij, voor de aanmerkelijkbelangheffing is uiteindelijk irrelevant of de omzetting van een schuldvordering in aandelenkapitaal nu als een vervreemding in de zin van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB moet worden beschouwd of als een vervreemding in de zin van art. 20a, zesde lid, onderdeel e, Wet IB. In beide gevallen vindt aanmerkelijkbelangheffing plaats.6