Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.5.1
7.5.1 Ruil en certificering
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS457778:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 februari 1960, BNB 1960/123 en HR 28 juni 1989, BNB 1990/147. Zie tevens HR 19 mei 1993, BNB 1993/231 en HR 6 maart 1996, BNB 1996/164.
Voor een ruil van aandelen in het kader van een fusie resp. een bedrijfsopvolging bevat art. 20f resp. art. 20g Wet IB een specifieke doorschuifregeling.
Vgl. HR 21 december 1966, BNB 1967/69, HR 16 oktober 1985, BNB 1986/15 en HR 18 maart 1987, BNB 1987/229. Zie tevens de memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 45. Overigens is de literatuur verdeeld over de vraag of certificering van aandelen als een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling moet worden aangemerkt. T. Blokland en J. van Soest menen van wel, aangezien een certificaathouder niet zoals een aandeelhouder macht (zeggenschap) heeft, T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale monografie nr. 19, blz. 110-111, Kluwer, Deventer, 1994; J. van Soest, Vervreemding als belastbaar feit; in het bijzonder in de inkomstenbelasting, Pre-advies van de Broederschap der Candidaat-Notarissen, 1971, blz. 32. J.E.A.M. van Dijck daarentegen meent van niet, aangezien de economische eigendom wordt behouden, J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling. Fed fiscale brochures, blz. 103-104, Fed, Deventer, 1995.
Onder meer HR 18 maart 1987, BNB 1987/229. Zie overigens HR 6 maart 1996, BNB 1996/164 in welk arrest de Hoge Raad de certificaathouder niet langer als een middellijk aandeelhouder aanmerkt doch als een onmiddellijk aandeelhouder.
Vgl. tevens Hof's-Gravenhage 1 mei 1980, BNB 1981/214 en hetzelfde Hof 3 juni 1987, BNB 1989/30.
In deze zin tevens het nader rapport en de memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. B, blz. 15 resp. nr. 3, blz. 45.
Ruil van aanmerkelijkbelangaandelen vormt een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling als door de ruil de aandeelhouder rechten doet overgaan vanuit zijn vermogen in dat van een ander. Is dit het geval, dan wordt de waarde in het economische verkeer van de in het kader van de ruil nieuw verkregen aandelen op de voet van art. 20c, vierde lid, eerste volzin, Wet IB als de tegenprestatie in aanmerking genomen (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.5). Geen vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling is aanwezig als de bij de ruil verkregen aandelen in het vermogen van de aanmerkelijkbelanghouder economisch dezelfde plaats innemen als de afgestane aandelen, aangezien dan geen realisatie van winst geacht kan worden te hebben plaatsgevonden.1 Hiervan is geen sprake als de aanmerkelijkbelangaandelen worden ingebracht in een door de aanmerkelijkbelanghouder opgerichte holdingvennootschap tegen uitreiking van (alle) aandelen in deze holdingvennootschap. 2
Omwisseling van aandelen in certificaten van aandelen is volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad in beginsel een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling.3 De aandeelhouder doet immers rechten uit zijn vermogen overgaan in dat van een ander, nl. het vermogen van het administratiekantoor. Dit hangt nauw samen met de opvatting van de Hoge Raad dat de certificaathouder niet als een onmiddellijk aandeelhouder in de vennootschap wordt beschouwd doch als een middellijk aandeelhouder via het administratiekantoor waar de aandelen in administratie zijn gegeven (zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.2.1).4 Uit deze kwalificatie van de certificaathouder als een middellijk aandeelhouder blijkt mede dat kennelijk een vervreemding van de oorspronkelijke aandelen heeft plaatsgevonden aan het administratiekantoor met de certificaten van aandelen als tegenprestatie. De tegenprestatie bij de overdracht wordt ingevolge art. 20c, vierde lid, eerste volzin, Wet IB gevormd door de waarde in het economische verkeer van de (terug)ontvangen certificaten (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.5). Wordt daarentegen voldaan aan de in de resolutie van 23 maart 1962, nr. B2/3678, BNB 1962/207 gestelde voorwaarden, dan kan de certificering van de aandelen onbelast plaatsvinden. De certificaten kunnen dan met de aandelen worden vereenzelvigd.5 In een dergelijke situatie wordt de certificaathouder ook als een onmiddellijk aandeelhouder in de vennootschap aangemerkt en niet als een middellijk aandeelhouder.6