Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief
Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.4.3.1:8.4.3.1 Het Fijn van Draat-arrest
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.4.3.1
8.4.3.1 Het Fijn van Draat-arrest
Documentgegevens:
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS420769:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 december 1933, NJ 1934/343 (Fijn van Draat/Credietmij De Nederlanden) m.nt. P. Scholten. Zie hierover onder vele anderen: Verhagen & Rongen 2000, p. 37 e.v.
Rb Amsterdam 15 maart 1932, W. 12419, p. 6 (De Haay/Joosten); HR 15 maart 1940, NJ 194/ 848 (De Boer/Haskerveenpolder) m.nt. E.M.M.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1933 wees de Hoge Raad alsnog de mogelijkheid af om toekomstige vorderingen bij voorbaat te cederen. In het Fijn van Draat q.q./Crediet- Maatschappij De Nederlanden-arrest heeft het college geoordeeld dat een vervreemder slechts bestaande vorderingen kon overdragen.1 De Hoge Raad overwoog onder meer dat een eigendomsoverdracht ‘slechts denkbaar en dus rechtens slechts mogelijk is, indien de vordering bij het aangaan der akte van overdracht reeds bestaat.’ Volgens het college bestond een vordering, ‘indien zij haar onmiddellijken grondslag vindt in een rechtsverhouding, waarin hij, die de vordering overdraagt, dan reeds tot den schuldenaar staat.’ Op die manier bestonden nog niet verschenen loonvorderingen en kon een vervreemder ze overdragen.2