Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.2.4
8.2.4 De verwarring van individualiteit met specialiteit
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS418322:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Suijling 1940, p. 60.
Dit uitgangspunt wordt door sommige auteurs ook ten onrechte specialiteit genoemd. Zie over dit beginsel en het onderscheid met specialiteit, bepaaldheid en individualisering: §10.2.3 en §10.2.4. Suijling verdedigde tevens dat uit de ondeelbaarheid van het pand- en hypotheekrecht voortvloeit dat een akte waarin de schuldenaar meer zaken verhypothekeerde leidde tot één hypotheekrecht op meer zaken. Zie: Suijling 1940, p. 482 en 540. Vgl. Bartels & Timmerman 2006, p. 94-100.
Suijling 1940, p. 60.
Suijling 1940, p. 86, noot 4.
Suijling 1940, p. 483.
Anders: Milo 2010, p. 95.
Zo ook bij Stein 1986, p. 16.
Volgens Suijling verhinderde niet alleen het specialiteitsbeginsel de vestiging van een generaal pandrecht, maar ook het zogenaamde individualiteitsbeginsel. Hij omschreef dit laatste beginsel als volgt: ‘Zakelijke rechten in strikten zin zijn enkel aan individueel bepaalde zaken bestaanbaar. Het vermogen als geheel van rechten kan nooit het object van zulk een recht vormen.’1 Het individualiteitsbeginsel is met andere woorden het uitgangspunt dat iemand niet één recht op meer zaken tezamen kan hebben.2 Suijling verwierp dan ook de gedachte dat iemand één recht op een algemeenheid van zaken kon hebben. Hij meende echter wel dat de algemeenheid een rol kon spelen in het verbintenissenrecht.3
Suijling merkte het generale pandrecht aan als een uitzondering op het individualiteitsbeginsel.4 Om het verschil aan te geven met generale pandrechten schreef hij het volgende over speciale pandrechten (hypotheken): ‘Hypotheken zijn speciaal. Daarin steekt niets bijzonders. Die eigenschap hebben zij met den eigendom en alle overige zakelijke rechten gemeen. Rechten op zaken zijn slechts bestaanbaar aan bepaalde individuele zaken.’5 Suijlings gelijkstelling van het specialiteitsbeginsel met het individualiteitsbeginsel is onjuist en verwarrend. Het Rooms-Hollandse generale pandrecht was in beginsel een optelsom van afzonderlijke pandrechten op afzonderlijke goederen.6 Dit kenmerk kwam vooral naar voren wanneer de schuldenaar een van zijn zaken om niet had vervreemd. In dat geval kon de schuldeiser met het generale pandrecht de afzonderlijke zaak opeisen. Het generale pandrecht voldeed dus aan het individualiteitsbeginsel. Uit de partijbedoeling vloeide echter voort dat de schuldeiser behoefte had aan een pandrecht op een van samenstelling wisselende eenheid. Indien de schuldeiser genoegen nam met een generaal pandrecht, mocht een derde daaruit afleiden dat hij toestemming had gegeven aan de schuldenaar om onbezwaard om baat te kunnen vervreemden.
De verkeerde kwalificatie van het generale pandrecht heeft bij Suijling geleid tot een verwarring van de begrippen specialiteit en individualiteit.7 Indien men namelijk met Suijling ten onrechte aanneemt dat het individualiteitsbeginsel het generale pandrecht onmogelijk maakt, heeft individualiteit dezelfde functie als het specialiteitsbeginsel (in enge en ruime zin), quod non.