HR, 17-06-2025, nr. 25/00872 H
ECLI:NL:HR:2025:904
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-06-2025
- Zaaknummer
25/00872 H
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:904, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑06‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:1401
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0212
Uitspraak 17‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Herziening. Poging tot doodslag op ex-vriendin door haar in portiek van haar flat met mes aan te vallen, art. 287 Sr. Aangevoerd wordt dat sprake is van gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv op de grond dat bij aanvraag overgelegde verklaring van getuige van 24-2-25 inhoudt dat het niet klopt dat hij “die nacht daar aanwezig was”. Rechter die veroordeling heeft uitgesproken, was echter al bekend met wat in aanvraag en daarbij gevoegde verklaring naar voren wordt gebracht. Deze verklaring van getuige heeft namelijk dezelfde strekking als zich in dossier bevindende verklaring die getuige op 10-4-17 bij politie heeft afgelegd, te weten dat hij aanvrager niet naar woning van slachtoffer heeft gebracht omstreeks tijdstip van bewezenverklaard feit. Een en ander betekent dat aangevoerde geen gegeven is a.b.i. art. 457.1.c Sv. Afwijzing aanvraag. Vervolg op HR:2024:467 (strafzaak).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00872 H
Datum 17 juni 2025
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 januari 2022, nummer 22-004665-19, ingediend door de advocaat B. Wernik,
namens
[aanvrager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de aanvrager.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het hof heeft de aanvrager in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de rechtbank Den Haag van 30 september 2019 – voor poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 66 maanden.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Bewezenverklaring
Bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, is door het hof ten laste van de aanvrager bewezenverklaard dat:
“hij omstreeks 30 juni 2016 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, haar van achteren is genaderd en bij haar keel heeft gegrepen/vastgepakt en haar vervolgens heeft gesneden met een mes, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
4. Beoordeling van de aanvraag
4.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2
In de aanvraag wordt gesteld dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. Daartoe wordt verwezen naar de bij de aanvraag overgelegde verklaring van [betrokkene 1] van 24 februari 2025 waarin staat dat het niet klopt dat hij “die nacht daar aanwezig was”.
4.3
De rechter die de veroordeling heeft uitgesproken, was echter al bekend met wat in de aanvraag en de daarbij gevoegde verklaring naar voren wordt gebracht. Deze verklaring van [betrokkene 1] heeft namelijk dezelfde strekking als de zich in het dossier bevindende verklaring die [betrokkene 1] op 10 april 2017 bij de politie heeft afgelegd, te weten dat hij de aanvrager niet naar de woning van het slachtoffer heeft gebracht omstreeks het tijdstip van het bewezenverklaarde feit. Een en ander betekent dat het aangevoerde geen gegeven is als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv.
4.4
De aanvraag is kennelijk ongegrond.
5. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2025.