Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.10.5
1.10.5 Weerlegging; van een slapende eigendomsactie naar een slapend eigendomsrecht
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644789:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Windscheid I (1891), p. 571, voetnoot 13.
Van der Ven, GrOM/2004, p. 102: “Windscheid, die van mening is dat het eigendomsrecht in de tussentijd niet verloren is gegaan en dat de eigenaar slechts tijdelijk de revindicatie niet kan instellen, slaat de spijker op de kop en stelt de vraag hoe de oude eigenaar in de opvatting van Brinz na het afbreken van het gebouw en de daarmee gepaard gaande scheiding de eigendom dan terugkrijgt, wanneer hij in de tussentijd inderdaad is opgehouden eigenaar te zijn.”
Als de eigenaar van een zaak een deel van die zaak losmaakte, dan werd hij normaal gesproken eigenaar van de afgescheiden zaak. Als bijvoorbeeld iemand een (niet overhangende) tak van zijn boom afzaagde, dan verkreeg hij de eigendom van de afgezaagde tak. Als de diamant en de ring beide van A waren, dan werd A eigenaar van de diamant op het ogenblik waarop de diamant een zelfstandige zaak werd.
Zie Schrage (1977), p. 6: “Voor het moderne recht geldt het subjectieve recht als primaat van of grondslag voor de rechtsvordering: ubi ius ibi actio, waar een recht is, is een vordering. Voor het Romeinse recht geldt het omgekeerde: ubi actio ibi ius, waar een vordering is, is een recht”. Zie ook: Smit (2020), p. 11 e.v. De klassieke Romeinse juristen kenden het begrip “ius” in de betekenis van “subjectief recht” wel, maar ze gebruikten het niet om daarmee het recht te ordenen. Zie (de discussie) daarover: Smit (2020), p. 13-14.
Kaser/Hackl (1996), p. 235/239 e.v.
Windscheid I (1891), p. 571, voetnoot 13; Dernburg (1864), p. 563.
De vraag van Windscheid1 waar een nieuw eigendomsrecht vandaan kwam, nadat de natrekking door de afscheiding ongedaan was gemaakt blijft, ondanks alle genoemde argumenten voor een nieuw eigendomsrecht, onbeantwoord.2 Waar kwam het nieuwe eigendomsrecht van de oorspronkelijke eigenaar vandaan, nadat de natrekking door de afscheiding ongedaan was gemaakt? En waarom zou een ander dan de eigenaar van de hoofdzaak, eigenaar worden van een afgescheiden bestanddeel als men een slapend eigendomsrecht niet wil aannemen?
Na de afscheiding werd de oorspronkelijke eigenaar ofwel door de afscheiding (Brinz, Demelius) ofwel door het “ontwaken” van de slapende eigendom (Windscheid) eigenaar van het afgescheiden bestanddeel. Het resultaat was in beide theorieën hetzelfde. Welke theorie heeft de meeste overtuigingskracht?
De aanname van een nieuw eigendomsrecht is in mijn ogen onbevredigend. De afscheiding van een bestanddeel was geen wijze van eigendomsverkrijging, in ieder geval niet voor iemand anders dan de eigenaar van de hoofdzaak.3 Dat een zaak na de afscheiding weer dezelfde identiteit had als vóór de verbinding doet daar niets aan af. In mijn ogen moet het antwoord op de vraag of al dan niet sprake was van een slapend eigendomsrecht worden gezocht in het systeem van het (klassieke) Romeinse procesrecht. In dat procesrecht was het niet zozeer van belang of de eiser een subjectief (eigendoms)recht had, maar of dat subjectieve recht beschermd werd door een actie.4 Bestond in het geschetste feitencomplex geen actie, dan kon de eiser iemand niet in rechte aanspreken.5 Vanaf het ogenblik dat een zaak door natrekking een bestanddeel was geworden van een andere zaak, had de oorspronkelijke eigenaar van de nagetrokken zaak geen actie tot revindicatie. De zaak was immers door de verbinding geen zelfstandig object meer en dus in zoverre buiten het rechtsverkeer geplaatst. Als de verbinding ongedaan werd gemaakt, kon deze revindicatie wél ingesteld worden. Zo bezien was sprake van een “slapend” revindicatie zolang de verbinding duurde. Uit die “slapende” revindicatie kan een slapend eigendomsrecht worden geconstrueerd. Windscheid en ook Dernburg kozen voor de zienswijze van een voortdurend, maar slapend, eigendomsrecht en die visie is mijns inziens dogmatisch zuiverder. Zolang de verbinding duurde kon men maar één revindicatie instellen om de zaak op te eisen.6