Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.6.3.4
4.6.3.4 De regeling van de subsidiaire positie van het Waarborgfonds Motorverkeer
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS393571:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In België wordt in een dergelijk geval de schade gelijkelijk omgeslagen over alle bij het ongeval betrokken aansprakelijkheidsverzekeraars. Deze oplossing bevredigt meer dan de Nederlandse, die tot gevolg heeft dat ook verzekeraars die part noch deel hebben aan het ongeval via hun bijdrage aan het Waarborgfonds Motorverkeer met de schade worden belast.
Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen (Wansink), p. 355-12.
Kamerstukken II 198586,19 564, nr. 3, p. 4. Bij de implementatie van de 2e Richtlijn is overigens wel de tot dan toe geldende franchise (waarbij bij overschrijding van het drempelbedrag de gehele schade vanaf de voet werd vergoed) vervangen door een eigen risico, waarbij het drempelbedrag altijd voor rekening van de benadeelde blijft.
Het Nederlandse Waarborgfonds Motorverkeer is, in vergelijking met het Franse en het Duitse waarborgfonds, alleen in naam subsidiair.
Art. 26 lid 5 Wam bepaalt dat de benadeelde dient aan te tonen dat hij alle bekende als zodanig aansprakelijke personen en, voor zover de aansprakelijkheid van deze personen volgens de Wam verzekerd behoort te zijn, hun verzekeraars tot betaling heeft aangemaand. In overeenstemming met art. 10 lid 1, tweede alinea, laatste zin van de Richtlijn wordt van de benadeelde niet verwacht dat hij aantoont dat de aansprakelijke niet kan of wil betalen.
Anders dan in onder meer Frankrijk en Duitsland behoeft de benadeelde niet (eerst) zijn eigen voorzieningen aan te spreken. Zo kan hij ervoor opteren geen beroep te doen op zijn cascoverzekering. Daarnaast kunnen ook regresnemers die een aanspraak hebben op de onbekende of onverzekerde aansprakelijke een beroep doen op het Waarborgfonds Motorverkeer.
Op grond van het Nieuwegein-arrest (zie hiervoor, par. 4.6.2.2) kan een benadeelde zelfs aanspraak maken op vergoeding van zijn schade door het Waarborgfonds Motorverkeer als weliswaar alle potentiële aansprakelijken bekend zijn, maar niet kan worden vastgesteld welke van hen daadwerkelijk aansprakelijk is 1
Wansink merkt over de subsidiariteit van het Nederlandse waarborgfonds op dat het een second line of protection is. De aansprakelijkheid van het Waarborgfonds Motorverkeer is subsidiair:
"hetgeen wil zeggen, dat het Fonds in tegenstelling tot de WAM-verzekeraar (artikel 6, eerste lid) tegenover de benadeelde niet náást, maar na de aansprakelijke persoon tot uitkering gehouden is."2
In de MvT op het wetsvoorstel ter omzetting van de 2e Richtlijn wordt nog opgemerkt dat de subsidiaire positie van het Waarborgfonds Motorverkeer ook tot uitdrukking komt in art. 26 lid 4, dat bepaalt dat het Waarborgfonds niet aansprakelijk is jegens een benadeelde wiens schade geringer is dan een bij AMvB vast te stellen bedrag.3 Erg veel indruk maakt deze uiting van subsidiariteit niet: het eigen risico van het Waarborgfonds Motorverkeer voor materiële schade veroorzaakt door onbekende motorrijtuigen bedraagt sinds 11 juni 2007 € 250.
In vergelijking met de regeling in veel, zo niet de meeste, andere lidstaten is deze uitwerking van het subsidiariteitsbeginsel mager. Veel minder subsidiair dan het Nederlandse Waarborgfonds Motorverkeer is nauwelijks denkbaar.