HR, 16-01-2026, nr. 24/04526
24/04526
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-01-2026
- Zaaknummer
24/04526
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑01‑2026
ECLI:NL:HR:2026:58, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑01‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:2677
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026011608
NDFR Nieuws 2026/82
FutD 2026-0086
V-N 2026/5.20 met annotatie van Redactie
NTFR 2026/206 met annotatie van mr. V.A. Burgers
Belastingblad 2026/102 met annotatie van J.K. Lanser
2026/0109 met annotatie van mr. C.M. Bergman
NLF 2026/0109 met annotatie van mr. C.M. Bergman
Beroepschrift 16‑01‑2026
Behandeld door | :[…] |
Kenmerk | :Beroepsschrift in cassatie |
Datum | :12-12-2024 |
Hoge Raad der Nederlanden
T.a.v.: Belastingkamer
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
Edelhoogachtbare heren, vrouwen,
Hierbij doe ik u toekomen het cassatieschrift namens mijn cliënt, [X], tegen de uitspraak op hoger beroep betreffende de WOZ-waarde van het object [a-straat 1] te [Z]. Een machtiging treft u bijgevoegd aan (bijlage 1).
Feiten:
1.
Op 1-1-2021, aanvang tijdvak, is belastingplichtige, [X], eigenaar van het object [a-straat 1]. Uit hoofde hiervan heeft belastingplichtige een aanslag gemeentelijke belastingen ontvangen met mede daarop vermeld de WOZ-beschikking.
2.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar aangetekend. De gemeente heeft uitspraak op bezwaar gedaan. Hiertegen zijn we in beroep gekomen.
3.
Tegen de uitspraak op beroep heeft de heffingsambtenaar hoger beroep aangetekend. Hiertegen heb ik namens de klant verweer gevoerd.
4.
Met dagtekening 13 november 2024 doet de Gerechtshof Den Haag uitspraak op hoger beroep (bijlage 2).
Geschil:
In geschil is de omvang van de proceskostenvergoeding.
Standpunt belanghebbende:
Ik ben het niet eens met het standpunt van het Hof in de uitspraak op hoger beroep dat er geen proceskostenvergoeding toegekend hoeft te worden. De heffingsambtenaar heeft hoger beroep ingediend. Ik heb voor mijn klant verweer gevoerd. Het hoger beroep was ongegrond, dat betekent dat het verweer succesvol was en dat deze dus voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof heeft verzuimd dat te doen. Hiermee is het recht geschonden.
Aangezien het Hof niet motiveert waarom ze die vergoeding niet toekent denk ik dat er sprake is van een vergissing. Ik zie er in elk geval geen bewuste standpuntbepaling van hen in. Ik verzoek u zelf in deze zaak te voorzien en deze misslag te herstellen.
Tot slot wijs ik u op een ander punt. Ik heb het Hof gevraagd zelf deze misslag te herstellen. Dit is tot op heden niet gebeurd en aangezien ik uit de tijd loop door de komende kerstperiode en een gezond aantal privébeslommeringen ontvangt u reeds vandaag van mij een beroepsschrift in cassatie.
Ik vraag u wel als u uitspraak doet èn art. 30a Wet Woz nog steeds vigerend is om mijn verzoek van 26 november 2024 om de zaak praktisch onderling op te lossen te kenschetsen als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de wozfactor van 0,25 komt te vervallen. Deze procedure is niet aan mij te wijten, sterker nog, ik probeer alleen maar dit soort zaken bij u weg te houden. Het is dan hoogst ongepast om toch de strafbepaling van factor 0,25 op mij van toepassing te laten zijn.
Conclusie:
Ik verzoek u beroep in cassatie gegrond te verklaren, de uitspraak op hoger beroep te vernietigen voor zover deze ziet op de proceskostenvergoeding en de gemeente te veroordelen in de kosten voor deze procedure.
Hoogachtend,
Uit het verweerschrift van het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, waarin opgenomen een incidenteel beroep in cassatie:
‘Edelhoogachtbaar College,
Naar aanleiding van het beroep in cassatie ingediend door [A], namens [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof BK-SGR 23/533, inzake de WOZ-beschikking en aanslagen lokale heffingen van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (BSGR) voor het belastingjaar 2021, stelt het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland incidenteel cassatieberoep in.
Algemeen
In de uitspraak van de rechtbank is de WOZ-waarde gehandhaafd, er is door de rechtbank wel immateriële schadevergoeding toegekend alsmede 2 procespunten met wegingsfactor 0,5 voor het verzoek om immateriële schadevergoeding, en vergoeding van het griffierecht.
In de uitspraak van het Hof is zowel het principale hoger beroep van de heffingsambtenaar als het incidentele hoger beroep van belanghebbende met betrekking tot de WOZ-waarde ongegrond verklaard. Het Hof heeft geen proceskosten toegekend.
Gronden incidenteel cassatieberoep dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland
Het principale hoger beroep van de heffingsambtenaar was zowel tegen de toekenning van de immateriële schadevergoeding als tegen de hoogte van de toegekende proceskosten gericht.
Het Hof heeft echter verzuimd om op het geschilpunt met betrekking tot de hoogte van de toegekende proceskosten te beslissen.
De heffingsambtenaar had dit geschilpunt wel benoemd in het principale hoger beroep. Zoals ook uit het proces-verbaal van de zitting bij het Hof blijkt, heeft de heffingsambtenaar nog uitdrukkelijk naar uw arrest ECLl:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2. verwezen, waaruit volgt dat voor een verzoek om immateriële schadevergoeding 1 procespunt met wegingsfactor 0,25 wordt toegekend.
De heffingsambtenaar is daarom van mening dat het Gerechtshof het principale hoger beroep van de heffingsambtenaar met betrekking tot de hoogte van de door de rechtbank toegekende proceskosten gegrond had moeten verklaren.
Ik verzoek u daarom om het incidenteel cassatieberoep gegrond te verklaren en zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het principale hoger beroep van de heffingsambtenaar gegrond wordt verklaard met betrekking tot de hoogte van de door de rechtbank toegekende proceskosten. En dat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor wat betreft de toegekende proceskosten, en dat er ingevolge uw arrest ECLl:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2. voor het verzoek om immateriële schadevergoeding bij de rechtbank 1 procespunt met wegingsfactor 0,25 wordt toegekend.
Hoogachtend,
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland
Namens deze,
Directeur
Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland’
Uitspraak 16‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Veroordeling tot vergoeding proceskosten bij ongegrond hoger beroep bestuursorgaan.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/04526
Datum 16 januari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GOUWE-RIJNLAND
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 13 november 2024, nr. BK 23/5331., op het hoger beroep van de heffingsambtenaar en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/80) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken, een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 en een aanslag in de watersysteemheffing voor het jaar 2021.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Oosters, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Het heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht. Aangezien dit stuk bij de Hoge Raad is ingediend na afloop van de daartoe op 6 februari 2025 gestelde termijn van vier weken, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht. De Hoge Raad slaat in verband hiermee evenmin acht op de reactie van het Dagelijks Bestuur op dit stuk.
2. Beoordeling van de in het principale cassatieberoep aangevoerde klacht
2.1
Het Hof heeft het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond verklaard en belanghebbende geen vergoeding voor proceskosten toegekend.
2.2
Belanghebbende klaagt terecht erover dat het Hof een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten in hoger beroep achterwege heeft gelaten. Indien het hoger beroep van het bestuursorgaan ongegrond is, dient dit orgaan als hoofdregel te worden veroordeeld in de kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit hoger beroep.2.In de uitspraak van het Hof is niet gemotiveerd waarom dat niet is gebeurd. De uitspraak is daarom in zoverre onvoldoende gemotiveerd.
3. Beoordeling van de in het incidentele cassatieberoep aangevoerde klacht
De Hoge Raad heeft de klacht van het Dagelijks Bestuur over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klacht niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Slotsom
4.1
Gelet op wat hiervoor in 2.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.2
Aangezien de stukken van het geding geen aanwijzing bevatten dat zich in dit geval een uitzondering voordoet op de hiervoor in 2.2 genoemde hoofdregel, zal de heffingsambtenaar worden veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor het principale hoger beroep, bestaande uit kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
5. Proceskosten
Wat betreft het principale beroep in cassatie van belanghebbende zal het Dagelijks Bestuur worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken. Wat betreft het incidentele beroep in cassatie van het Dagelijks Bestuur ziet de Hoge Raad, gelet op de hiervoor onder 1 geschetste loop van het geding, geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
De heffingsambtenaar zal worden veroordeeld in de kosten van het principale hoger beroep.
6. Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad
6.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm,3.gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet.
6.2
Belanghebbende heeft in dit verband erop gewezen dat hij heeft getracht de zaak praktisch op te lossen door bij het Hof een verzoek in te dienen tot aanvulling van zijn uitspraak, waarbij aan belanghebbende alsnog een proceskostenvergoeding ter zake van het principale hoger beroep wordt toegekend. Anders dan belanghebbende betoogt, brengt die omstandigheid echter niet mee dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval in de zin van het bij de zojuist genoemde wet ingevoerde artikel 30a, lid 2 (slotzin), van de Wet waardering onroerende zaken.
6.3
Gelet op wat de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet nog worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op de proceskostenvergoeding ter zake van deze cassatieprocedure op een andere dan de hiervoor in 6.2 vermelde grond is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in het arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1175.
6.4
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 6.3 bedoelde beoordeling te maken.
6.5
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op hem rustende bewijslast. Het Dagelijks Bestuur zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.
7. Beslissing
De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 6.5 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑01‑2026
Vgl. HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7395, rechtsoverweging 3.1, en HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1040, rechtsoverweging 3.4.7.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.