Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/1.5.3
1.5.3 Doelgroep: burgers
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661460:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Te weten de groep belastingplichtige burgers die niet-ondernemer en niet-toeslaggerechtigde zijn, die primair te maken hebben met de inkomstenbelasting niet-winst. Jaarplan Belastingdienst 2020, p. 22 en p. 52.
Zie in paragraaf 3.3 voor de richtlijnen en uitgangspunten die de Belastingdienst hanteert in communicatie met de burger.
Bijv. in HR 14 juni 2000, nr. 35275, BNB 2000/330 betrof het een campingexploitant. Zie ook HR 19 december 1990, nr. 25.957, BNB 1991/77; HR 7 december 1994, nr. 29918, BNB 1995/36.
Zie hierover de redactie in V-N 2021/10.9, onder algemeen en punt 1, ten aanzien van de brochure ‘Vragen en Antwoorden Fiscale Coronareserve’ van 30 december 2020. Zie de Q&A van de Belastingdienst inzake het besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, dat ‘algemene voorlichting’ bevat en waarin staat dat aan het stuk geen rechten kunnen worden ontleend. https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/brochures_en_publicaties/besluit-vooroverleg-rulings-met-een-internationaal-karakter-vragen-en-antwoorden, laatstelijk geraadpleegd 27 september 2021.
Zie Mertens 2008; Mertens in BNB 2008/200.
Bijv. Stouthart 2020 in het kader van DAC6-informatie voor intermediairs.
Happé 1996, p. 4. Overigens richt dit onderzoek zich op voorlichting van de Belastingdienst (en niet bijv. de heffende lokale overheid).
Belastingdienst, Jaarplan 2020, p. 22 en p. 52. In mindere mate met andere belastingen zoals de schenk- en erfbelasting (in 2020: 100.000 burgers) of motorrijtuigenbelasting.
In dit onderzoek gaat het niet om voorlichting aan belastingplichtigen in het algemeen, maar richt ik mij op voorlichting aan specifieke belastingplichtigen, namelijk burgers. Onder ‘de burger’ versta ik in de context van dit boek een natuurlijk persoon in zijn hoedanigheid van belastingplichtige, een persoon met een gemiddelde (dus doorgaans relatief beperkte) kennis van het belastingrecht (paragraaf 1.7.2). Oftewel, de ‘gewone’ belastingplichtige, de doelgroep die de Belastingdienst verstaat onder ‘particulieren’.1 In termen van omvang, impact en relevantie is ten aanzien van deze doelgroep een onderzoek naar het aan voorlichting te ontlenen vertrouwen van belang. De groep burgers is de meest omvangrijke doelgroep voor voorlichting van de Belastingdienst. Daarnaast zullen burgers over het algemeen in verhouding tot de Belastingdienst de relatief grootste fiscale kennisafstand hebben (groter dan bijvoorbeeld bedrijven die professionele deskundigheid bezitten en/of inschakelen) en zal de Belastingdienst juist met deze doelgroep een relatief grote ‘taalbarrière’ hebben te overbruggen.2 Bovendien speelt bij uitstek bij deze doelgroep het spanningsveld tussen enerzijds het belang van de voorlichtende taak met de inherent aan voorlichting verbonden risico’s en het belang van verwachtingen die door voorlichting kunnen worden gewekt. Overigens neemt het voorgaande niet weg dat voorlichting van de Belastingdienst ook verwachtingen kan wekken bij andere doelgroepen, zoals ondernemers3, bedrijven4, inhoudingsplichtigen5 of fiscale dienstverleners,6 en ook deze belastingplichtigen kunnen zich dan op het vertrouwensbeginsel beroepen, al is dat niet de focus in dit onderzoek.
Het onderzoek kent geen principiële afbakening ten aanzien van het materiële belastingrecht,7 maar wel geldt dat de groep belastingplichtigen waar het in dit onderzoek om gaat – burgers – met name te maken hebben met inkomstenbelasting (niet-winst) en bijvoorbeeld niet met de vennootschapsbelasting.8