Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.6.2:12.6.2 Het toetsingskader nader geconcretiseerd
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.6.2
12.6.2 Het toetsingskader nader geconcretiseerd
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491647:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De fiscaaltechnische toets en de toets aan hoger recht zijn voldoende concreet. Zie de onderdelen 5.3.3, 5.3.4 en 12.1.
Zie onderdeel 12.5.2.
Vgl. ook onderdeel 9.5.
Het proportionaliteitsbeginsel fungeert als evenwichtsbewaker. Deze tekening vormt een nadere concretisering van de rechterzijde van de illustratie in onderdeel 9.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om de huidige regels met betrekking tot de fiscale aanspraken en overige fiscale posities van de splitsingspartners in het geval van een fiscaal gefaciliteerde splitsing te kunnen toetsen, dient de fiscaal-theoretische toets uit mijn toetsingskader nader te worden geconcretiseerd.1
Eerder in dit onderzoek ben ik tot de conclusie gekomen dat vennootschapsbelastingclaims alleen moeten worden doorgeschoven naar de verkrijger(s) voor zover deze claims bij een ruisende splitsing tot uitdrukking zouden zijn gekomen of in stand zouden zijn gebleven.2 Het lijkt op het eerste gezicht wellicht voor de hand liggend om wat betreft de fiscale aanspraken en overige fiscale posities van de splitsingspartners een vergelijkbaar standpunt in te nemen. Dat zou er dan op neerkomen dat die aanspraken en posities verloren gaan voor zover dat bij een ruisende splitsing ook het geval zou zijn geweest. Ik ben van mening dat zo’n benadering niet wenselijk is. De Wet VPB 1969 kan (betrokkenen bij) een wenselijke splitsing namelijk niet alleen belemmeren in de vorm van acute heffing. Wordt namelijk niet geregeld dat fiscale aanspraken en overige fiscale posities behouden blijven, dan bestaat het risico dat de splitsingspartners besluiten om een wenselijke splitsing (vooralsnog) niet tot stand te brengen. Dat is niet wenselijk en conflicteert met het welvaartsbeginsel (onnodige belemmeringen) en de economische dimensie van het neutraliteitsbeginsel (economisch inefficiënt).3 Om deze reden moet worden voorkomen dat fiscale aanspraken en overige fiscale posities van de splitsingspartners als gevolg van een fiscaal gefaciliteerde splitsing verloren gaan, ook als dat bij een ruisende splitsing wel (deels) het geval zou zijn geweest. De vergelijking met de fiscale gevolgen van een ruisende splitsing dient mijns inziens wat dit betreft en in zoverre dus te worden losgelaten. Het voorzien in een doorschuifregeling waarmee acute heffing van vennootschapsbelasting bij de splitser achterwege blijft, gaat naar mijn mening dus hand-in-hand met het behoud van fiscale aanspraken en overige fiscale posities. Dit is één kant van de medaille. De andere kant is dat nadere regels nodig (kunnen) zijn om te voorkomen dat de splitsingspartners hun fiscale positie met behulp van een fiscaal gefaciliteerde splitsing verbeteren. Dat zou namelijk tot gevolg hebben dat te weinig vennootschapsbelasting wordt betaald, bijvoorbeeld omdat het verrekeningspotentieel van fiscale aanspraken wordt verruimd. Dat gaat uiteindelijk ten koste van andere belastingbetalers. Volgens mij wordt een wenselijk evenwicht bereikt tussen de relevante belastingbeginselen door te beletten dat aan de fiscaal gefaciliteerde splitsing materiële terugwerkende kracht wordt verleend. Ik kom hierop terug bij de bespreking van de diverse fiscale aanspraken en overige fiscale posities. Het voorgaande laat zich als volgt in een tekening samenvatten:4