De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.5.7:8.5.7 Inspiratie uit vermogensrechtelijke bepalingen
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.5.7
8.5.7 Inspiratie uit vermogensrechtelijke bepalingen
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363636:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 8.5.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De invoering van art. 2:357 lid 2 BW hield (deels) verband met leemtes die eind jaren ’70 in de wet bestonden.1 Nadien heeft de wetgever deze leemtes grotendeels ingevuld bij de invoering van het huidige Burgerlijk Wetboek. Hetgeen de wetgever in dat kader mogelijk heeft gemaakt, kan dienen als inspiratiebron voor wat de ondernemingskamer op de voet van art. 2:357 lid 2 BW kan bereiken. De desbetreffende (algemene) vermogens- en rechtspersoonrechtelijke bepalingen zijn daarvoor zelfs bij uitstek geschikt, nu deze de goedkeuring van de wetgever hebben. Evenwel zullen de (onmiddellijke) voorzieningen zich in voorkomende gevallen kunnen verzetten tegen analoge toepassing van dergelijke bepalingen.
Een voorbeeld hoe de ondernemingskamer bij het regelen van de gevolgen van haar (onmiddellijke) voorzieningen kan aanhaken bij algemene vermogensrechtelijke bepalingen is art. 3:53 lid 2 BW. Op grond waarvan de rechter die de vernietiging uitspreekt de werking van deze vernietiging kan beperken. Ik kom daarop terug in par. 14.3.3.2.