Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.13.2:7.3.13.2 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.13.2
7.3.13.2 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS602976:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
R.N.F. Zuidgeest, ‘Het begrip ‘belang’ in het voorstel tot wijziging van art. 13c Wet VPB 1969’, WFR 2005, p. 1193.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de definitie van het begrip ‘deelneming’ is het 5%-belang gekoppeld aan een duidelijke grootheid, namelijk het nominaal gestorte kapitaal, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten van een coöperatie of een commanditaire deelname in een open CV. De keuze voor het begrip ‘belang van 5% of meer’ in art. 13b lid 5 en art. 13c lid 4 Wet VPB 1969 is in dit verband onduidelijk. Het roept de vraag op waarvan 5% moet worden gehouden. De term ‘belang’ komt overeen met de terminologie in de definitie van het begrip ‘verbonden lichaam’ in artikel 10a lid 4 Wet VPB 1969, en kan daarom veel meer situaties omvatten dan die waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. De doorkijkbepalingen in de genoemde artikelen kunnen nu een grotere reikwijdte hebben dan met de eigenlijke maatregelen is bedoeld. In verband hiermee vind ik het logischer om aan te knopen bij een 5%-belang van het nominaal gestorte kapitaal, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten van een coöperatie of een commanditaire deelname in een open CV.
Naar mijn mening zou de maatregel van art. 13c lid 4 Wet VPB 1969 op een meer logische en duidelijke wijze kunnen worden omschreven, indien de tekst van art. 13g lid 3 (oud) Wet VPB 1969 voor indirect gehouden EU-beleggingsdochters zou worden gebruikt.1 Deze tekst komt erop neer dat een maatregel van overeenkomstige toepassing is op een deelneming, indien de bezittingen van die deelneming onmiddellijk of middellijk bestaan uit belangen in lichamen waarop de maatregel van toepassing zou zijn geweest, indien de belastingplichtige deze rechtstreeks zou hebben gehouden. Dat is tenslotte wat de wetgever wil bereiken. In art. 13g lid 3 (oud) Wet VPB 1969 had de wetgever dit duidelijk en logisch verwoord. Naar mijn mening zou dezelfde benadering kunnen worden gehanteerd voor art. 13b lid 5 Wet VPB 1969.
Ten aanzien van het begrip ‘belang’ dat is gehanteerd in art. 13 lid 13 en art. 23c lid 4 Wet VPB 1969 zou kunnen worden verduidelijkt dat dit duidt op het onderscheid tussen een ‘deelneming’ en een ‘belegging’, en niet moet worden aangemerkt als apart wettelijk verbondenheidsbegrip. Hiermee kunnen onbedoelde associaties met het gelijknamige, maar veel ruimere begrip ‘belang’ in bijvoorbeeld art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 worden vermeden. Voor art. 13 lid 12 Wet VPB 1969 is dit duidelijker, omdat de term ‘belangen van minder dan 5%’ in deze bepaling wordt gekoppeld aan het nominaal gestorte kapitaal, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten van een coöperatie of een commanditaire deelname in een open CV. Dezelfde koppeling zou kunnen worden gehanteerd in art. 13 lid 13 en art. 23c lid 4 Wet VPB 1969.