De prioriteitsregel in het vermogensrecht
Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/1.1:1.1 Probleemstelling
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/1.1
1.1 Probleemstelling
Documentgegevens:
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS389497:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/781. In dezelfde zin Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/128.
PG Boek 5 BW, TM, p. 3
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Corpus Iuris Civilis doet met Codexbepaling 8,17(18),3 verslag van een conflict dat in het jaar 213 was ontstaan tussen twee schuldeisers omtrent hun onderlinge verhouding. De schuldeisers hadden allebei op hetzelfde stuk grond van de schuldenaar een pandrecht verkregen en de vraag was gerezen wie van hen het sterkste recht had. De Romeinse keizer Caracalla beslechtte het rangordegeschil aan de hand van de befaamd geworden vuistregel:
‘prior tempore, potior iure’
Wie eerder is in tijd, staat sterker in recht. De rangorde wordt derhalve bepaald door de volgorde van de tijdstippen waarop de zekerheidsrechten ten behoeve van de verschillende schuldeisers tot stand zijn gekomen. Dat betekent in concreto dat de oudste pandhouder zich eerst op de executieopbrengst mag verhalen alvorens de jongere aan de beurt komt.
De uitspraak van Caracalla heeft na bijna tweeduizend jaar nog niets aan betekenis ingeboet. Zo vermelden Reehuis en Heisterkamp in hun bewerking van het handboek Goederenrecht uit de Pitlo-serie:
‘De ‘prior-temporeregel’ bepaalt de rangorde van de verschillende pandrechten.’1
Hoewel de gelding van de zogenoemde prioriteitsregel boven alle twijfel lijkt te zijn verheven, ontbreekt in het Burgerlijk Wetboek de codificatie ervan. In zijn toelichting op het ontwerp voor het huidige Burgerlijk Wetboek vermeldt E.M. Meijers dat hij het niet nodig heeft geacht om de prioriteitsregel uitdrukkelijk in het ontwerp neer te leggen.2 De rechtskracht van de prioriteitsregel als ongeschreven regel wordt doorgaans verklaard aan de hand van het karakter van goederenrechtelijke rechten. Een goederenrechtelijk recht werkt tegenover eenieder. Vanwege die absolute werking zal iedere gerechtigde tot een later gevestigd goederenrechtelijk recht het eerder gevestigde moeten eerbiedigen.
Vanwege het onderscheid tussen persoonlijke en goederenrechtelijke rechten dat aan het systeem van het vermogensrecht ten grondslag ligt, beheerst de prioriteitsregel in beginsel alle rangordeconflicten in de verhouding tussen goederenrechtelijke rechten. Ten aanzien van meerdere inschrijvingen met betrekking tot een registergoed wordt hieraan uitdrukking gegeven in art. 3:21 BW. Daarin is opgenomen dat de volgorde der tijdstippen van inschrijving in beginsel de rangorde bepaalt.
In scherp contrast met de rangorde naar ouderdom in het goederenrecht heerst in het verbintenissenrecht het uitgangspunt van de gelijkheid van schuldeisers. Verbintenissen werken in beginsel uitsluitend tussen partijen. Er ontstaat dientengevolge geen rechtsverhouding tussen schuldeisers onderling. Indien zij verhaal zoeken op het vermogen van hun gezamenlijke schuldenaar, geldt als uitgangspunt dat zij pondspondsgewijs worden voldaan.
Niettemin betreedt de prioriteitsregel ook het toneel van het verbintenissenrecht. Zo wordt in het conflict van botsende rechten op levering het obligatoire recht dat eerder tot stand is gekomen begunstigd boven het later ontstane recht. Deze in art. 3:298 BW opgenomen regel laat zich niet verenigen met het verbintenisrechtelijke uitgangspunt dat schuldeisers gelijkgerechtigd zijn.
Bovendien kan de grens tussen het goederen- en verbintenissenrecht niet scherp worden getrokken. De introductie van rechtsfiguren als de kwalitatieve verplichting en de Vormerkung hebben het onderscheid doen vervagen. Met de toekenning van goederenrechtelijke aspecten aan dergelijke obligatoire rechten heeft de wetgever de prioriteitsregel het verbintenissenrecht binnengebracht.
Zijn status als ongeschreven rechtsregel enerzijds en anderzijds de toepassing buiten zijn oorspronkelijke context – hetgeen dat van botsende zekerheidsrechten lijkt te zijn – nodigen uit tot nader onderzoek naar de prioriteitsregel. In dit onderzoek worden prioriteitsconflicten geanalyseerd teneinde de strekking van de prioriteitsregel te duiden en zijn werking te verduidelijken. De hoofdvraag van dit proefschrift is gericht op de vaststelling van de functie en de concretisering van de toepassing van de prioriteitsregel in het vermogensrecht.
Aan de gefundeerde beantwoording van deze vraag moet een onderzoek voorafgaan dat in drie delen uiteenvalt. Het eerste deel is gericht op de oorsprong van de prioriteitsregel en diens doorgemaakte ontwikkeling tot aan de invoering van het huidige Burgerlijk Wetboek. In het tweede deel staat de prioriteitsregel in rechtsvergelijkend perspectief centraal, waarin de aandacht wordt gevestigd op zijn toepassing in het Duitse en Franse recht. Het laatste deel van dit drieluik wordt gevormd door een studie naar de juridisch-technische motivering die voor de gelding van de ongeschreven prioriteitsregel kan worden aangevoerd. Eerst daarna komt in het vierde deel van dit onderzoek de functie en de concrete toepassing van de prioriteitsregel binnen de kaders van het hedendaagse vermogensrecht aan de orde.