Het systeem van sanctionering van fiscale fraude
Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.4.2.1:2.4.2.1 Het rapport van de Commissie Van den Berge uit 1954
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.4.2.1
2.4.2.1 Het rapport van de Commissie Van den Berge uit 1954
Documentgegevens:
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270215:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Beschikking van 17 september 1948, nr. 316, Strct, 1948, 181.
Haas 2015, p.1.
Kamerstukken II 1955/1956, 4080, nr. 3, p. 12 en 24.
Scheltens 1972, p. 105 en Haas 2015, p.1.
Wet van 2 juli 1959, Stb, 301.
Haas 2015, p. 2.
Scheltens 1969, p. 109.
Scheltens 1969, p. 110.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vier jaar na het uitkomen van het rapport van de Commissie Van den Dries brak WO II uit. Uit het door de Commissie uitgebrachte rapport is daardoor op dat moment geen concrete verandering van wetgeving voortgevloeid.
Drie jaar na het einde van WO II, namelijk op 17 september 1948, werd een vereenvoudigingscommissie ingesteld, samengesteld uit ambtelijke en niet ambtelijke deskundigen en onder leiding van voorzitter Van den Berge.1 De opdracht voor deze Commissie was vooral een simplificatie van de belastingwetgeving: deze werd immers nog steeds als ingewikkeld en onoverzichtelijk beschouwd, zo schrijft Haas.2
De Commissie Van den Berge streefde er voor wat betreft het formele belastingrecht naar zo veel mogelijk aansluiting te zoeken bij de gedachten die de Commissie Van den Dries in het rapport uit 1936 had ontvouwd.3 De belangrijkste gedachte was dat er bij de herziening van het fiscale strafrecht aansluiting op het commune strafrecht moest worden gezocht waar dat kon en dat de afwijkingen zich moesten beperken tot die welke door de eigen behoefte van het belastingrecht werden gevorderd.4
De Commissie Van den Berge heeft een negental ontwerpen opgesteld, neergelegd in een in 1954 voltooid rapport. Aangesloten werd bij de wens een samenvatting van de formele fiscaalrechtelijke bepalingen te hebben en daarom is (naast een achttal ontwerpen voor diverse materiële heffingswetten) een ontwerp voor een AWR opgesteld. De ontwerpen dienden als grondslag voor de op te stellen definitieve regeringsontwerpen. Op 16 september 1955 werd het ontwerp van de AWR ingediend bij de Tweede Kamer.5 De parlementaire behandeling van de AWR is niet vlot gelopen. Uiteindelijk kreeg de AWR in 1959 kracht van wet.6 Nadat de bepalingen van de AWR al met ingang van 1 november 1961 in werking waren getreden voor de kansspelbelasting, is de AWR zelf met ingang van 1 oktober 1962 (gedeeltelijk) in werking getreden. Naarmate de algemene herziening van het belastingrecht vorderde, werd de AWR op steeds meer belastingen van toepassing. Zo werd de wet met ingang van 1 januari 1965 van toepassing op de inkomstenbelasting, met ingang van 1 april 1966 op de btw en met ingang van 1 januari 1970 op de vennootschapsbelasting.7
Het lange tijdsverloop tussen de indiening van het ontwerp en de openbare behandeling had verschillende oorzaken. Allereerst het feit dat het ontwerp deel uitmaakte van de algemene belastingherziening die ter hand was genomen, terwijl ontwerpen van materiële heffingswetten in 1955 nog niet waren ingediend.8 De beoordeling van de bepalingen van het formele recht zou aanzienlijk bemoeilijkt worden zolang men geen kennis droeg van het materiële belastingrecht zoals dit zou komen te luiden, zo beschreef Scheltens.9 Ten tweede was vertraging voortgekomen uit verschillen van inzichten tussen de ministeries van justitie en financiën. Tot slot wilde de regering de materie aanpassen aan de in 1950 tot stand gekomen Wet op de Economische Delicten (hierna: WED).10
De Commissie Van den Berge heeft niet alleen geput uit het werk van de Commissie Van den Dries, maar ook uit de WED. Benadrukt werd wel dat een volledige aanpassing van het fiscale strafrecht aan het economische delictenrecht niet wenselijk was, gezien de uiteenlopende doelstellingen:
“Het economische strafrecht is namelijk er mede op gericht om het onrechtmatig verkregen economische profijt te niet te doen en de goederen, ten aanzien waarvan het economische delict is begaan, in het normale economisch verkeer terug te brengen. Deze doelstelling, die voor het fiscale strafrecht niet behoeft te worden verwezenlijkt, heeft in het economische strafrecht tot bepaalde – van het algemeen strafrecht afwijkende – instituten geleid, welke voor het fiscale strafrecht niet noodzakelijk worden geoordeeld.”11