Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/6.7.1
6.7.1 Ruim begrip bestuur?
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631736:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten (Stb. 2020, 231), die op 8 juli 2020 in werking is getreden. Deze wet betreft de invoering van het (openbare) UBO-register dat op 27 september 2020 is ingevoerd, terwijl op grond van deze wet tevens art. 2:290 BW is ingevoerd. Zie P.W.A. Goes en R. Lichtenberg, ‘Artikel 2:290 BW: het uitkeringenregister voor stichtingen dat met het UBO-register is ingevoerd, is onnodig’, Ondernemingsrecht 3 (2021), p. 124-127. Verder is art. 2:51a aan BW-BES toegevoegd. Daarin is bepaald dat het bestuur van een stichting een register bijhoudt waarin de namen en adressen van alle personen worden opgenomen aan wie een uitkering is gedaan die niet meer bedraagt dan 25% van het voor uitkering vatbare bedrag in een bepaald boekjaar, alsmede het bedrag van de uitkering en de datum waarop deze uitkering is gedaan. In Curaçao is ingaande 1 januari 2021 een nieuw artikel aan Boek 2 BW toegevoegd, waarin is bepaald dat als het doel van een stichting particulier fonds (SPF) het doen van uitkeringen is, het bestuur zich op de hoogte moet houden van de namen en adressen van alle begunstigden en wat hun toekomt, en dat de daarop betrekking hebbende gegevens door het bestuur moeten worden vastgelegd in een register (art. 2:50a BWC). Aruba, alwaar op 1 januari 2021 een Boek 2 BW in werking is getreden, kent de SPF niet. In Sint Maarten gelden voor de stichting en de SPF bijzondere voorschriften inzake de jaarrekening en het jaarverslag (art. 2:59 BW Sint Maarten). In het jaarverslag moet bijvoorbeeld worden vermeld over welke controlemiddelen het bestuur beschikt om de identiteit van haar belangrijke donoren en de identiteit en goede naam van haar begunstigden te controleren. De jaarrekening moet een gedetailleerde uitsplitsing bevatten van inkomsten en uitgaven, en bovendien een overzicht van alle transacties aan of van een persoon of rechtspersoon in het buitenland boven een waarde van ANG 25.000,- of het equivalent daarvan in vreemde valuta.
Vgl. Hof Arnhem 10 november 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BL8324 (Atlanco/Honoré van Schuppen q.q.).
Timmerman (2009), p. 12.
In de eerste benadering zou kunnen worden uitgegaan van een meer omvattend begrip ‘bestuur’ in Boek 2 BW wat betreft bestuurdersaansprakelijkheid en eventueel ook wat betreft op bestuurders rustende verplichtingen. Elke persoon die direct of indirect de rechtspersoon bestuurt zou dan onder het begrip bestuurder vallen, ongeacht of de betrokkene in overeenstemming met Boek 2 BW en de statuten rechtsgeldig tot bestuurder is benoemd. De bevoegdheid tot het vertegenwoordigen van de rechtspersoon zou dan moeten worden voorbehouden aan het formele bestuur respectievelijk de formele bestuurders conform de reeds bestaande wettelijke regeling in Nederland en Curaçao.
Deze benadering is minder eenvoudig dan op het eerste gezicht lijkt. De wet bevat geen definitie of omschrijving van wat besturen is, maar op basis van de wet en de rechtspraak kunnen we wel vaststellen of een (rechts)persoon een formele bestuurder is. Daarmee staat vast wie wordt bedoeld als in de wet naar ‘het bestuur’ wordt verwezen. Dit is naast de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van belang voor de vraag op wie de in de wet genoemde verplichtingen rusten. De wet bevat een hele serie verplichtingen, waarvan er hier enkele worden genoemd:
Het bestuur is belast met het besturen van de rechtspersoon.
Het bestuur moet zorgdragen voor de administratie en het opmaken van de jaarrekening.
Het bestuur moet de RvC de voor de uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens verschaffen.
Het bestuur moet een aandeelhoudersregister bijhouden (en bij de stichting een (intern) register bijhouden waarin de namen en adressen van alle personen worden opgenomen aan wie een uitkering is gedaan die niet meer bedraagt dan 25 procent van het voor uitkering vatbare bedrag in een bepaald boekjaar, alsmede het bedrag van de uitkering en de datum waarop deze uitkering is gedaan; vgl. art. 2:290 lid 1 BW1).
De besturen van te fuseren rechtspersonen stellen een voorstel tot fusie op en dit voorstel moet worden ondertekend door de bestuurders van elke te fuseren rechtspersoon.
Het is van belang dat vaststaat op wie deze en andere verplichtingen (in ieder geval) rusten en wie daarvoor kan worden aangesproken. In de par. 3.2.4 en 4.11 kwam aan de orde dat de wet voorziet in een regeling op grond waarvan op quasi-bestuurders verplichtingen kunnen komen te rusten die tot het takenpakket van het formele bestuur horen. Hierbij kan worden gedacht aan de administratieplicht en de plicht jaarlijks een jaarrekening op te stellen (en in Nederland: tijdig te deponeren). De vraag of op een quasi-bestuurder verplichtingen rusten komt (in beginsel) pas aan de orde in een procedure waarin de betrokkene persoonlijk aansprakelijk is gesteld.2 Als er voor zou worden gekozen om in de wet van een ruim begrip ‘bestuurder’ uit te gaan, zou dit enkel betrekking moeten hebben op de mogelijkheid om een quasi-bestuurder als bestuurder aansprakelijk te stellen. In de huidige wettelijke regeling is het immers in alle andere gevallen – in het bijzonder wat betreft de vertegenwoordiging van de rechtspersoon en de bestuursverplichtingen – duidelijk wat met bestuur en wie met bestuurder wordt bedoeld.
Bovendien, als eerder aangegeven, maak ik een onderscheid tussen quasi-bestuurders te goeder trouw en degenen bij wie de goede trouw ontbreekt. Het wel of niet te goeder trouw zijn ziet in dit verband enkel op de vraag of er een grondslag is voor hun handelen (overeenkomst met het bestuur, zaakwaarneming) of niet (eigenmachtig optreden, negeren van de bestuursautonomie). Als in de wet van een ruim begrip ‘bestuur’ zou worden uitgegaan, en beide hier genoemde groepen quasi-bestuurders daaronder zouden vallen, ontstaat de noodzaak om in kaart te brengen ten aanzien van welke bepalingen differentiatie nodig is. Zo is het evident dat op de quasi-bestuurder die zelf één enkele bestuurshandeling verricht of als schaduwbestuurder afdwingt, in het algemeen niet de bestuursverplichtingen van het formele bestuur rusten.
Op grond van het voorgaande is er wat voor te zeggen om het begrip bestuur, zoals dat thans in de wet wordt gehanteerd, geen andere inhoud te geven. Om met Timmerman te spreken: “Er is ook zoiets als het belang van simpele wetteksten”.3 Het alternatief is de regeling inzake quasi-bestuurders (enigszins) aan te passen. Deze (bescheiden) aanpassingen worden in de volgende paragraaf besproken.