Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.5.1:1.5.1 Randvoorwaarden voor een bruikbare theorie
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.5.1
1.5.1 Randvoorwaarden voor een bruikbare theorie
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nadat de vraagstelling die in dit onderzoek centraal staat enige nadere afbakening heeft gekregen, is het goed om een onderbouwing te geven van de methode die in dit onderzoek gevolgd is om tot een beantwoording van de vraagstelling te komen. Dat geldt des te meer, nu in het juridisch onderzoek bepaald geen eenstemmigheid heerst ten aanzien van de methoden die goed rechtsgeleerd of rechtswetenschappelijk onderzoek kenmerken. De laatste tien jaar woedt er een ware methodestrijd onder Nederlandse juristen. Enkelen zijn van mening dat het juridisch onderzoek veel sterkere gelijkenis zou moeten vertonen met natuurwetenschappelijk of economisch onderzoek.1 Aan de andere kant staan onderzoekers die kiezen voor een methodologie waarin het argumentatieve karakter van zowel het recht zelf als van de bestudering daarvan op de voorgrond staat.2 De kwaliteit van juridisch onderzoek dient in die benadering te worden afgemeten aan de inhoud en overtuigingskracht van de argumenten die voor de centrale beweringen worden aangedragen. Vanuit een tussenpositie wordt het belang benadrukt van een eigen catalogus aan minimumvereisten, waaraan juridisch onderzoek zou moeten voldoen. Die vereisten zijn (onder meer) de aanwezigheid van een scherp omlijnde en verantwoorde probleemstelling, zorgvuldig bronnengebruik en een consistente presentatie van de onderzoeksresultaten en conclusies in het licht van de gekozen probleemstelling.3
Deze drie benaderingen komen voort uit opvattingen over de aard van het recht. Een benadering van waaruit het recht wordt bestudeerd op dezelfde manier als de economie of de natuurwetenschappen, neemt een vrijwel uitsluitend extern standpunt in ten aanzien van het recht, terwijl een argumentatieve benadering een sterk intern standpunt veronderstelt. In dit proefschrift klinkt een benadering door die veel ruimte geeft aan het argumentatieve aspect van het recht en van de rechtswetenschap, en dat ook in de presentatie van de resultaten laat doorklinken. Dat neemt niet weg dat structurering van het onderzoek op zijn plaats is om de resultaten zodanig te presenteren dat ze onderworpen kunnen worden aan kritiek. Zowel een heldere presentatie van de onderzoeksresultaten, als een degelijke argumentatieve structuur zijn mijns inziens noodzakelijk om zinvolle resultaten te verkrijgen die kunnen bijdragen aan een beter begrip van het recht en aan de ontwikkeling daarvan. In dit onderzoek heb ik er daarom voor gekozen veel waarde te hechten aan de argumentatieve inhoud van het betoog, terwijl de presentatie van de onderzoeksresultaten is begonnen met een beknopte vraagstelling, die ik in het concluderende hoofdstuk tracht te beantwoorden. Verder heb ik getracht in de analyse de aangedragen argumenten zorgvuldig te onderbouwen en zoveel mogelijk te voorzien van adequate bronvermeldingen, en heb ik onderzoeksresultaten en conclusies gepresenteerd in het licht van de gekozen vraagstelling.
Om enige structuur en consistentie te verkrijgen in de beantwoording van de vraagstelling heb ik gezocht naar mogelijkheden om voor de voornaamste argumenten steun te ontlenen aan een geheel van samenhangende uitspraken en theorieën die in verband kunnen worden gebracht met de vraagstelling die centraal staat in dit proefschrift. Omdat die vraagstelling zich richt op de betekenis van het opportuniteitsbeginsel in de geëuropeaniseerde rechtsorde, heb ik onderzocht op welke wijze de rechtstheorie aanknopingspunten biedt ten aanzien van de aard van het recht van de Europese Unie en de betekenis daarvan voor het nationale recht. Ook dient een dergelijke theorie verheldering te kunnen brengen in de aard en betekenis van algemene rechtsbeginselen, zoals in casu het opportuniteitsbeginsel, en het daardoor mogelijk te maken dat deze worden beschouwd in Europees perspectief. Verder moet een theoretisch kader, om goed bruikbaar te kunnen zijn, ook theorieën bevatten over de wijze waarop praktische beslissingen worden genomen en de maatstaven waaraan deze dienen te voldoen. Het opportuniteitsbeginsel laat immers een grote beleidsvrijheid aan strafvorderlijke autoriteiten, die zij (met inachtneming van de relevante Europese dimensie) inhoudelijk dienen in te vullen bij het nemen van concrete beslissingen. Een degelijke theorie over het nemen van dergelijke beslissingen is dan ook noodzakelijk om de betekenis van het Europese recht voor het opportuniteitsbeginsel en de invulling daarvan in de strafrechtelijke handhaving adequaat te kunnen beoordelen. Een goed begrip van het opportuniteitsbeginsel vereist daarnaast een theorie over rechtsvinding, omdat de toepassing van het opportuniteitsbeginsel in verband staat met de interpretatie van het materiële strafrecht. Concrete beslissingen en abstracte beleidsvorming door strafvorderlijke autoriteiten bepalen immers, binnen de mogelijkheden van het materiële strafrecht, de daadwerkelijke toepassing van materieelrechtelijke normen. Het vervolgingsbeleid staat in directe relatie met het materiële strafrecht door een nadere begrenzing daarvan tot stand te brengen. In de strafrechtelijke handhaving gaat het dan ook steeds om de vraag of er voldoende bewijsmiddelen zijn om een strafrechtelijke reactie te rechtvaardigen, welke reactie in het licht van het materiële en formele recht is toegestaan, en of het recht dwingt tot een keuze uit de strafrechtelijke reacties die mogelijk en toegestaan zijn. Ten slotte dient een theoretisch kader, om hulp te kunnen bieden bij de beantwoording van de vraagstelling, inzicht te verschaffen in de institutionele structuren van rechtshandhaving, omdat het opportuniteitsbeginsel nauw samenhangt met bevoegdheidsverdelingen in het kader van opsporing en vervolging, en omdat op dat gebied de nodige Europese ontwikkelingen plaatsvinden.
Deze inhoudelijke randvoorwaarden geven weer welke argumenten nodig zijn om een theoretisch kader te scheppen waarmee de beantwoording van de vraag geholpen is. Dit kader levert daarmee een argumentatieve onderbouwing voor de resultaten zoals die uiteindelijk in de beantwoording van de vraagstelling worden neergelegd. Dat wil niet zeggen dat daarmee de argumentatie immuun is voor kritiek. Het is uiteraard goed mogelijk om vanuit een ander theoretisch vertrekpunt te redeneren en andere uitkomsten te verkrijgen. Een winstpunt is echter wel dat, door een theoretisch uitgangspunt te expliciteren, helderheid wordt geboden over de wijze waarop de resultaten zijn verkregen en daardoor juist kritiek mogelijk gemaakt wordt. Een keuze voor een theorie die heeft kunnen rekenen op vrij algemene waardering en positieve kritiek, maakt de kans kleiner dat de resultaten onderhevig kunnen zijn aan fundamentele kritiek die de grond eronder eenvoudig weg kan nemen.
Daarom verdient het de voorkeur een theoretisch kader te kiezen dat significante wetenschappelijke waardering ten deel is gevallen.