Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/7.3.1
7.3.1 Rechtswaarborgen bij nationale toetsingsonderzoeken
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268536:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:4, eerste lid Awb.
Art. 3:4, tweede lid Awb.
Zie Van Wijk/ Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p.263-375.
https://www.afm.nl/nl-nl/professionals/onderwerpen/toetsing-hertoetsing. Op grond van art. 2:1 Awb heeft een ieder recht op bijstand in het verkeer met een bestuursorgaan ter behartiging van zijn belangen. In situaties waarin onderzoek wordt gedaan naar de kennis, de gezondheid of de eigenschappen van een bepaalde persoon, zoals bij een examen, een medische keuring of een sollicitatie- of een beoordelingsgesprek, treedt de persoon niet op om zijn belangen te behartigen, maar om een onderzoek mogelijk te maken. In dergelijke gevallen bestaat er geen recht op bijstand (Kamerstukken II, 1998/99, 21221, nr. 3, p. 168). Een toetsingsonderzoek, dat zich richt op de integriteit, kennis, vaardigheden en professioneel gedrag, vertoont hiermee gelijkenissen. Bij een aanvangstoetsing vindt het onderzoek voorts niet plaats in het kader van de (eventuele) handhaving; er is geen sprake van (een vermoeden van) een overtreding. Anders kan dit liggen bij een hertoetsing. Roth en Roepnarain gaan bij een hertoetsing uit van een recht op bijstand, bijvoorbeeld door een advocaat, zie G. P. Roth en J.S. Roepnarain, ‘De toetsing van bestuurders en commissarissen door DNB en de AFM. Het wettelijk stelsel, de praktijk en de mate van rechtsbescherming, TvCo 2015, afl. 4, p. 171 en 172. De toezichthouders hebben ervoor gekozen om (juridische) bijstand toe te staan bij zowel aanvangstoetsingen als hertoetsingen, waarbij de bijstand echter beperkt dient te blijven tot vragen die vallen buiten het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van de betrokken bestuurder.
De Nationale Ombudsman heeft wel “spelregels” geformuleerd voor het maken van geluidsopnamen. Deze spelregels hebben geen wettelijke status en DNB en de AFM zijn hier niet aan gebonden (https://www.nationaleombudsman.nl/nieuws/2014/ombudsman-maakt-spelregels-geluidsopnamen).
Zie de genoemde brief DNB en AFM 8 december 2016, p. 5 en 6 en het Rapport van de Commissie Ottow, p. 63 en 81. Op aanbeveling van de commissie is DNB daarom in 2017 gestopt met het actief onder de aandacht brengen van deze (verder bestaand blijvende) mogelijkheid, zie https://www.afm.nl/nl-nl/nieuws/2017/mrt/afmdnb-verbeteren-proces-personentoetsingen.
DNB heeft in 2015 zestien hertoetsingen afgerond tegenover meer dan 1900 aanvangstoetsingen (http://www.dnb.nl/nieuws/dnb-nieuwsbrieven/nieuwsbrief-banken/nieuwsbrief-banken-januari-2016/index.jsp) In 2016 en 2017 ging het om resp. vijf en zeven hertoetsingen (bron: ZBO Verantwoording DNB 2016, p. 41 en Jaarverslag DNB 2017, p. 139).
Hierop wijzen onder meer de Commissie Ottow (p. 84) en G. P. Roth en J.S. Roepnarain, ‘De toetsing van bestuurders en commissarissen door DNB en de AFM. Het wettelijk stelsel, de praktijk en de mate van rechtsbescherming, TvCo 2015, afl. 4, p. 172.
Zie art. 3:9, tweede lid en 4:10, tweede lid Wft en vergelijkbare bepalingen in de Wtt, Pw, en Wvb en art. 3:8, eerste lid en 4:9, eerste lid Wft en art. 1.5 onder b van de Beleidsregel Geschiktheid.
De toezichthouders beschikken hier over beoordelingsruimte, zie ook par. 7.4.1 en de daar besproken uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam van 16 maart 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:1850).
Kamerstukken II, 2010/11, 32 786, nr. 3, p. 15. De Motie Ronnes heeft de regering opgeroepen te onderzoeken of het mogelijk is om wettelijk vast te leggen of anderszins te borgen dat in elk geval bij een schikking, boete of veroordeling (van een nader te bepalen minimale omvang) bij een financiële instelling standaard over wordt gegaan tot hertoetsing van de verantwoordelijke beleidsbepalers (Kamerstukken II, 2018/19, 31 477, nr. 34). Bij een dergelijke wetsaanpassing zou erop moeten worden gelet dat dit niet betekent dat het vooronderzoek (zie hierna) zou moeten worden overgeslagen, omdat daarmee de ruimte zou verdwijnen om beleidsbepalers, die geen of nauwelijks betrokkenheid hebben gehad bij de betreffende kwesties, van een hertoetsingsonderzoek te vrijwaren. Wel zal een dergelijke schikking, boete of veroordeling in de meeste gevallen nopen tot het instellen van een vooronderzoek. Vergelijk ook de aangepaste CRD IV (“CRD V”) waar aan art. 91, eerste lid is toegevoegd: De bevoegde autoriteiten gaan met name na of nog steeds aan de vereisten van dit lid wordt voldaan als zij goede redenen hebben om te vermoeden dat er in verband met die instelling sprake is van witwassen van geld of terrorismefinanciering, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop.'
Zie de toelichting op de Beleidsregel Geschiktheid, Stcrt. 2020, 1725 en de website van DNB en de AFM (http://www.toezicht.dnb.nl/4/2/16/50-230603.jsp en https://www.afm.nl/nl-nl/professionals/onderwerpen/toetsing-hertoetsing. Genoemd worden voorts: een snelle groei van de onderneming; zorg over het gehanteerde bedrijfsmodel; zorg over compliance; een fusie of overname; een uitbreiding van de ondernemingsactiviteiten naar het buitenland; uitbesteding van (kern) taken; het aanbieden van schadelijke producten of het verstrekken van onjuiste, onduidelijke en/of misleidende informatie; niet meer kunnen betalen van de accountant; een slechte administratie; een groot verloop van medewerkers; klachten van klanten over onzorgvuldige dienstverlening en (herhaaldelijke) overtreding van wet- en regelgeving.
Zie het Stroomschema hertoetsing, te vinden op de website van de AFM (www.afm.nl/nl-nl/professionals/onderwerpen/toetsing-hertoetsingen).
Zo bepaalt de toelichting op de Beleidsregel Geschiktheid dat indien de redelijke aanleiding bestaat uit zorgen over de bedrijfscultuur, waarschijnlijk meerdere personen uit het collectief zullen worden hertoetst terwijl bij zorgen over specifieke activiteiten van een onderneming (een bepaald product, dienst of markt) en één beleidsbepaler in het collectief deze activiteiten in zijn portefeuille heeft, de hertoetsing zich waarschijnlijk op deze specifieke beleidsbepaler zal richten. Wanneer de instelling een overtreding heeft gepleegd, ver vóór het aantreden van de betrokken beleidsbepaler en deze hier niets mee te maken heeft gehad, zal dit evenmin een hertoetsingsonderzoek rechtvaardigen.
Zie ook DNB, Q&A Antecedenten, 29 mei 2019, https://www.toezicht.dnb.nl/4/2/16/50-229357.jsp.
De Awb bevat alleen functiescheidingseisen bij boetes (art. 10:3, vierde lid Awb).
Zie het Rapport van de Commissie Ottow p. 11 en 12.
Zie https://www.dnb.nl/nieuws/dnb-nieuwsbrieven/nieuwsbrief-verzekeren/nieuwsbrief-verzekeren-augustus-2014/dnb310835.jsp 5 (Misverstanden over toetsingen).
Jaarverslag AFM 2019, p. 33. Zie ook hoofdstuk 2, par. 2.2.1 en 2.2.2.
Zie Rapport van de Commissie Ottow, p. 74.
De pilot met de externe vertrouwenspersoon is verlengd tot juli 2022 (zie https://www.toezicht.dnb.nl/3/50-237283.jsp). Dit geldt ook voor het werken met een onafhankelijke voorzitter van de bezwaarcommissie in toetsingskwesties (bij DNB), zie par. 7.5.1.
DNB en de AFM voeren de toetsing uit aan de hand van een beoordeling van de bij de aanvraag ingediende stukken, raadpleging van openbare en niet-openbare bronnen en eventueel een toetsingsgesprek. Een hertoetsing bestaat uit het doen van bronnenonderzoek, deskresearch en het voeren van een of meerdere gesprekken met de beleidsbepaler.1
Bij deze (feitelijke) uitvoering van het toezichtonderzoek dienen de toezichthouders te voldoen aan de eisen neergelegd in hoofdstuk 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en, via de schakelbepaling van art 3:1, tweede lid, Awb, aan de eisen van de afdelingen 3.2 tot en met 3.4 Awb voor zover de aard van de handelingen zich hier niet tegen verzet. Hieronder vallen bijvoorbeeld het beginsel van de zorgvuldige voorbereiding van een besluit,2 het gebod van belangenafweging,3 het verbod van détournement de pouvoir,4 het verbod op vooringenomenheid,5 het transparantiebeginsel6 en het evenredigheidsbeginsel.7 Daarnaast dient te worden voldaan aan de ongeschreven beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het gelijkheidsbeginsel, fair play-beginsel en het beginsel van correcte behandeling.8
Aanvullende waarborgen
In vervolg op de eerder genoemde kritiek hebben de toezichthouders een reeks aanpassingen aangebracht in het toetsingsproces, waarmee in versterkte mate navolging wordt gegeven aan genoemde beginselen van behoorlijk bestuur. Zo is de informatievoorziening over het toetsings proces sterk verbeterd, onder meer door het regelmatig houden van voorlichtingsbijeenkomsten voor instellingen en kandidaten, het opstellen van informatiebrochures en het plaatsen van voorbeeldvragen en voorbeeld-casussen op de websites van de toezichthouders. Ook is voorzien in een grotere betrokkenheid van senior management (afdelingshoofden, divisiedirecteuren) bij het uitvoeren van de toetsing.
Extra waarborgen zijn voorts het recht op een advocaat bij het toetsingsgesprek, die steun en bijstand kan verlenen bij (juridische) vragen die vallen buiten het onderzoek naar de kennis, vaardigheden en kwaliteiten van de betrokken beleidsbepaler, of een andere persoon die deze rol kan vervullen.9 Ook wordt toegestaan om het toetsingsgesprek op te laten nemen.10 Dit laatste is geen verplichting die volgt uit de wet.11 De geluidsopname is bedoeld om betrokkenen in staat te stellen om het verslag van het gesprek op juistheid te controleren, en kan als bewijsstuk dienen in de bezwaar- of beroepsprocedure. In de praktijk wordt overigens nauwelijks om bandopnames verzocht. Kandidaten menen dat dit ten koste gaat van de open sfeer in het gesprek.12
Hertoetsingsproces
Genoemde waarborgen gelden zowel voor het proces van aanvangstoetsing als hertoetsing. Specifiek voor het proces van hertoetsing hebben de toezichthouders functiescheiding aangebracht.13 Hertoetsingen vinden relatief weinig plaats,14 maar de impact van een hertoetsing is vaak groot. Terugtreden uit een bestaande functie zal over het algemeen als ingrijpender worden ervaren dan in het geheel niet aan de start verschijnen. In sommige gevallen kan bovendien de enkele aankondiging van een hertoetsing, ongeacht de uitkomst van de toets, al tot (aanzienlijke) reputatieschade leiden.15
De toezichthouders zijn bevoegd tot hertoetsing wanneer een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden daartoe een redelijke aanleiding geeft.16 De term “redelijke aanleiding” wordt niet door de wetgever gedefinieerd of anderszins ingevuld. Er bestaat geen limitatieve opsomming van redelijke aanleidingen voor een hertoetsing.17 De wetgever noemt slechts dat de reden voor hertoetsing van de geschiktheid bijvoorbeeld kan zijn gelegen in het functioneren van de persoon of van het orgaan waarvan hij onderdeel uitmaakt, alsmede in een gewijzigde situatie van de betrokken financiële onderneming.18 De toezichthouders geven verschillende voorbeelden van situaties die een hertoetsing kunnen rechtvaardigen. Relevante feiten of omstandigheden kunnen zijn gelegen in het handelen of nalaten van de persoon in kwestie, zoals het overtreden van wet- en regelgeving (welke overtreding, als deze bekend zou zijn geweest bij de aanvangstoetsing, mogelijk niet tot goedkeuring zou hebben geleid), en in relevante ontwikkelingen ten aanzien van de onderneming, zoals een onverwachte verandering in de resultaten, zorg over de integere en beheerste bedrijfsvoering of de bedrijfscultuur en het structureel niet of niet tijdig reageren op verzoeken om informatie van de toezichthouder.19
Voordat wordt overgaan tot het openen van een hertoetsingsonderzoek zal de toezichthouder beoordelen of er sprake is van een redelijke aanleiding. Dit vooronderzoek gaat vooraf aan het eigenlijke hertoetsingsonderzoek, en vindt geïndividualiseerd plaats.20 Wanneer de feiten en omstandigheden betrekking hebben op de instelling rechtvaardigt dit immers niet per definitie een hertoetsing van álle beleidsbepalers en interne toezichthouders. Tijdens het vooronderzoek wordt bekeken in hoeverre de feiten en omstandigheden ook daadwerkelijk iets (kunnen) zeggen over de geschiktheid en/of betrouwbaarheid van ieder individu en wordt voor ieder individu de eventuele redelijke aanleiding vastgesteld. Daarbij wordt bijvoorbeeld gewicht gehecht aan de zittingsduur van betrokkene voorafgaand aan het antecedent en de rol en verantwoordelijkheden van betrokkene bij de overtreding.21 Het bestaan van een (toezicht-)antecedent rechtvaardigt dus niet zonder meer een hertoetsing.22
De functiescheiding houdt in dat wanneer een nieuw, voor de geschiktheid of de betrouwbaarheid relevant feit bekend wordt tijdens het lopend toezicht, de toezichtdirecteuren niet worden betrokken bij de vaststelling of sprake is van een redelijke aanleiding voor een hertoetsing. Op die manier is een functionele scheiding aangebracht tussen de personen die de beslissing nemen om een hertoetsingsonderzoek te starten en de personen die besluiten over de uitkomst van de hertoetsing. Een dergelijke functiescheiding is niet vereist op grond van de Awb23 maar is aangebracht in reactie op de kritiek dat het instrument van hertoetsing oneigenlijk kan worden gebruikt, namelijk om door de toezichthouder gewenste veranderingen bij de instelling kracht bij te zetten of zelfs af te dwingen.24 De functiescheiding dient de onafhankelijke oordeelsvorming bij de hertoetsing. Overigens geldt dat, hoewel er bij een hertoetsingsonderzoek vaak sprake is van serieuze antecedenten, ook een hertoetsing niet tot een negatieve uitkomst (“aftoetsing”) hoeft te leiden.25 Dit zal tijdens het hertoetsingsonderzoek nader worden onderzocht en afgewogen. Zo rondde de AFM in 2019 de helft van de hertoetsingen (6 van de 12) af met een positieve uitkomst.26
Betrekken van externen
Tot slot zijn de toezichthouders recent gestart met het betrekken van externe, ervaren personen uit de sector bij het toetsingsproces. In het Verenigd Koninkrijk kent men deze figuur van de “senior advisor” al langer.27 In Nederland is gekozen voor personen die beschikken over boardroom-ervaring of het perspectief van de boardroom kunnen inbrengen in het toetsingsproces. De externe deskundige kan worden betrokken bij de daadwerkelijke uitvoering van de toetsingen, waaronder het voeren van toetsingsgesprekken. De deskundige werkt daarbij samen in een team met medewerkers van DNB en de AFM die de toetsing uitvoeren en adviseert over de daaropvolgende oordeelsvorming. Daarnaast beoordeelt de deskundige periodiek een representatieve selectie “papieren” aanvangstoetsingen (toetsingen zonder dat een toetsingsgesprek nodig is) en doet hiervan verslag aan de toezichthouder.28 Ook is een vertrouwenspersoon aangesteld. De vertrouwenspersoon heeft een bemiddelende functie en kan worden ingeschakeld als er sprake is van een procedureel conflict of van een klacht over de bejegening.29 Het betreft in beide gevallen een pilot voor de duur van een jaar.30 Afgewacht moet worden hoe zich een en ander verhoudt tot, bijvoorbeeld, de onafhankelijke positie van de toezichthouder.
Los van deze pilots lijken de eerder getroffen maatregelen hun vruchten af te werpen. Illustratief zijn hierbij wellicht de uitkomsten van het door DNB uitgevoerde Stakeholdersonderzoek 2018. Tijdens dit onderzoek gaven onder toezicht staande instellingen aan dat DNB haar werkwijze op het gebied van personentoetsingen heeft aangepast. De instellingen zien dit als een duidelijke verbetering en geven aan hierover tevreden te zijn.31