Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/6.3.6
6.3.6 De gemeentewet 1992
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248540:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1985/86, 19403, nr. 3, p. 42. Bijkomend voordeel was dat gemeenten daarmee voldoende ruimte zouden hebben om te komen tot een op de lokale situatie toegesneden verdeling van bevoegdheden.
Kamerstukken II 1985/86, 19403, nr. 3, p. 54. Enkele bevoegdheden bleven niettemin expliciet toegekend aan het college.
Dit werd overigens verantwoord door te verwijzen naar de totstandkomingsgeschiedenis van de Grondwet van 1983 en het daarin verwoorde standpunt dat het verschil tussen autonomie en medebewind verregaand verwaterd was en het beide nog slechts structuurbepalende elementen waren.
Artikel 149 Gemeentewet 1992.
‘Een van de wezenlijke aspecten van de grondwettelijke regel dat de raad aan het hoofd van de gemeente staat, is naar onze mening dat deze daadwerkelijk zelf kan bepalen op welke wijze hij omgaat met het ter beschikking gestelde instrumentarium.’ Kamerstukken II 1988/89, 19403, nr. 10, p. 52.
De eerste mogelijkheid om van de nieuwe vrijheid gebruik te maken die de Grondwet van 1983 aan de wetgever verschafte, kwam met de aanpassing van de gemeentewet in 1992. Het gemeentelijk bestuursmodel werd in deze wet niet op een geheel andere leest geschoeid. De gemeentewetgever van 1992 probeerde eerder nauwer aan te sluiten bij een van de oorspronkelijke uitgangspunten door te proberen het bestuurlijke primaat van de raad te versterken. Daartoe werden een aantal maatregelen genomen, waarvan er twee in het bijzonder opvallen. Allereerst achtte de wetgever het wenselijk dat de gemeentewet slechts in globale termen de verhouding tussen de bestuursorganen aangaf.1 Daartoe werd de limitatieve opsomming van de bevoegdheden van het college als dagelijks bestuur geschrapt en werd voor een nieuwe opzet gekozen: ‘Uitgaande van de gedachte dat het primaat bij de raad behoort te liggen, wordt zowel op het terrein van de autonome taakbehartiging als op het terrein van het medebewind gekozen voor het systeem waarbij de raad het primair bevoegde orgaan is voor zover het gaat om het algemeen bestuur en het college van burgemeester en wethouders voor zover het gaat om het dagelijks bestuur.’2 Dat de raad ook in medebewind primair bevoegd werd verklaard, achtte de wetgever noodzakelijk. In de loop der jaren waren namelijk steeds meer van oorsprong autonome bestuursbevoegdheden in het medebewind terecht gekomen, waarbij het college met de uitvoering werd belast. Om daadwerkelijk te kunnen spreken van een herstel van het bestuurlijke primaat moesten ook deze bevoegdheden in beginsel aan de raad toekomen.3 Van belang daarbij was dat het medebewindsregime meer moest aansluiten bij het regime van de autonome taken. De tweede noemenswaardige maatregel zag daarop en hield in dat de raad de bevoegdheid kreeg om algemene regels te stellen ten aanzien van door het college en de burgemeester uitgeoefende bevoegdheden, ongeacht of deze tot de autonome of de medebewindssfeer behoorden.4
Bij dit alles speelde het hoofdschap van de raad een belangrijke rol. Zo meende de regering dat het op basis daarvan in beginsel aan de raad was om te bepalen of een bevoegdheid tot het algemeen of dagelijks bestuur moest worden gerekend.5 Daarnaast betekende het hoofdschap volgens de regering ook dat het aan de raad zelf was om te beslissen welke bevoegdheden hij al dan niet aan het college wenste te delegeren.6 Meer in het algemeen volgde uit het hoofdschap dat de raad vrij was om te bepalen in hoeverre hij gebruik wilde maken van beleidsbepalende taken en controlerende bevoegdheden.7 Door de rol van de raad in het gemeentelijk bestel zo centraal te stellen benadrukte de gemeentewetgever van 1992, net als de grondwetgever van 1983, het monistische karakter van het gemeentelijk bestel.