Privacyrecht is code
Einde inhoudsopgave
Privacyrecht is code (R&P nr. ICT1) 2010/7.7:7.7. De invloed van organisaties op technologische innovaties
Privacyrecht is code (R&P nr. ICT1) 2010/7.7
7.7. De invloed van organisaties op technologische innovaties
Documentgegevens:
drs. J.J.F.M. Borking, datum 26-05-2010
- Datum
26-05-2010
- Auteur
drs. J.J.F.M. Borking
- JCDI
JCDI:ADS578785:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rogers, 2003, p. 36.
Rogers, 2003, p. 359
Secord & Backman, 1964, p. 130.
Rogers, 2003, p. 318.
Carr, 1996, p. 3.
Rogers, 2003, p. 168-218.
Fairchild & Ribbers, 2008, p. 82.
Fichman & Cincinnati, 2000; Jeyaraj, Rottman & Lacity, 2006, p. 1-23.
Bos, 2006, p. 15.
Bos, 2006, p. 14.
Rogers, 2003, p. 225-226.
Ribbers, 2007, p. 13.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals eerder opgemerkt onderscheidt Rogers1 in zijn `perceived attributes theory' verschillende variabelen aan de hand waarvan innovaties worden beoordeeld. Deze zijn:
Het belang de testbaarheid (`trialability'). De vraag hierbij is: kan de innovatie op beperkte schaal worden uitgeprobeerd?
Een tweede criterium is de zichtbaarheid (`observability') van de innovatie: kunnen de resultaten worden waargenomen?
Ten derde levert de innovatie een voordeel (`relative advantage') ten opzichte van andere innovaties of over de bestaande situatie op.
Het vierde attribuut betreft de mate van complexiteit (`complexity'): is het niet te ingewikkeld om de innovatie te gebruiken?
In de vijfde plaats komt in de toetsing aan de orde de compatibiliteit (`compatibility'): past de innovatie in de omstandigheden waarin zij zal worden toegepast of is zij daar compatibel mee?
Perceptie van deze factoren door de persoon of organisatie die de innovatie eventueel zal gaan toepassen is bepalend en niet zozeer hoe deze factoren objectief in werkelijkheid scoren. Uit onderzoek is gebleken dat individuen die graag risico nemen of een voorliefde voor innovatie hebben sneller een innovatie gaan uitproberen dan voorzichtige mensen. Daarbij geldt volgens Rogers dat: "An individual is more likely to adopt an innovation if more of the other individuals in his or her personal network have adopted previously."2
In het communicatieproces rond innovatie speelt de geloofwaardigheid van de `communicator' een belangrijke rol spelen. Secord & Backman rapporteren dat experimenten van Asch al in 1952 aantoonden dat: "the meaning of the communication is partially determined by the reputation of the person who makes the statement."3
Rogers bevestigt dat: "Opinion leaders are more innovative than their foliowers."4 Bij internetinnovaties is mede bepalend of de innovatie vanuit een ontwerpersperspectief (`developer-based') wordt gezien of vanuit de gebruiker van de innovatie (`adopter-based'). Bij de developer-based visie is technologische superioriteit van de innovatie ten opzichte van de bestaande situatie bepalend, terwijl het bij de adopter-based benadering gaat om de gebruiker van de innovatieve technologie en het voordeel dat het biedt om de gewenste verandering tot stand te brengen. Carr schrijft daarover: "Human control over the innovation is a key issue, and it is considered essential to understand the social context in which it will be used and the function it will serve."5 Rogers6 wijst in zijn `innovation decision process theory' erop dat er vijf fasen zijn die een potentiële `adopter' van een innovatief technologisch proces doorloopt:
Eerst moet hij kennis verwerven over de innovatie (`knowledge').
Dan moet hij overtuigd raken van het nut van de innovatie (`persuasion').
Vervolgens moet hij de beslissing nemen de innovatie toe te passen (adopteren) (`decision').
Daarna moet de gebruiker of de adopter innovatie implementeren (`implementation').
Ten slotte moet hij de juistheid van de beslissing herbevestigen of verwerpen (`confirmation').
Voor organisaties, die openstaan voor innovaties onderscheiden Fairchild & Ribbers als bepalende factoren voor adoptie:
De algemene houding van het topmanagement ten opzichte van verandering die door de innovatie kan plaatsvinden (openstaand of afwijzend).
Is er sprake van centralisatie van macht en management binnen de organisatie?
Is complexiteit beheersbaar doordat er voldoende kennis en expertise in de organisatie aanwezig is?
Bestaat er de interne cohesie van de medewerkers in de organisatie?
Is er voldoende elasticiteit in mensen, middelen en omvang van de organisatie?
Hoe bureaucratisch is de organisatie?
Hoe open is de organisatie in haar contacten met andere organisaties?7
Rogers' theorie over hoe innovaties zich verspreiden binnen de samenleving (bekend als de `Diffusion of Innovation' (D01)-theorie) heeft algemene erkenning gekregen. De variabelen zijn in meerdere studies getest en relevant bevonden. De onderzoekers analyseerden en beoordeelden in verschillende studies ruim honderd variabelen.8 Ook hebben zij empirisch onderzocht wat de meest voorspelbare factoren waren waardoor organisaties informatietechnologische innovaties invoeren.9 Uit de bevindingen van Jeyarai, Fichman en Rogers kan geconcludeerd worden dat er voor PET drie clusters van factoren voor adoptie kunnen worden onderscheiden.10 De eerste cluster betreft de kenmerken van PET als innovatieve technologie en bevat de variabelen die betrekking hebben op de technische innovatie op zich. De tweede cluster regardeert de kenmerken die betrekking hebben op interne organisatie en bevat de variabelen die bepalend zijn op de omgeving waarbinnen de technologische innovatie verspreid wordt. Het gaat om de interne kenmerken van de organisatie die de innovatie invoert, hetgeen inhoudt dat er inzicht dient te zijn in de organisatie- of bedrijfskenmerken en de factoren die een organisatie in staat stellen de innovatie te implementeren.11 De derde cluster bevat de factoren die betrekking hebben op de externe organisatie- en omgevingsparameters die van toepassing zijn op innovaties: dit zijn factoren die bepalend zijn voor de organisatie die de innovatie toepast en de omgeving waarbinnen dit gebeurt. Het betreft daarom de kenmerken van de organisatie of het bedrijf enerzijds en de kenmerken van de omgeving en de bedrijfstak anderzijds.12 Het conceptuele model ziet er als volgt uit:
Figuur 7.3: Adoptiemodel van PET als innovatie, Bos, 2006, p. 59.