Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/3.1
3.1 Inleiding
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS391801:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Deze verhouding wordt beschreven door Hugo de Groot in zijn Inleiding tot de Hollandsche rechtsgeleerdheid. Zie De Groot I,2,22. Men moet zich realiseren dat het gewoonterecht destijds per regio kon verschillen en daarmee verschilde dus ook de omvang van de receptie van het Romeinse recht. Zie Lokin & Zwalve 2014, p. 351-353.
Zie Feenstra 1950, p. 37.
Naast het doorgaans ongeschreven gewoonterecht was er ook regelgeving van overheidswege – te weten ordonnanties, privileges en keuren – die slechts rechtskracht had binnen het betreffende gewest of de betreffende stad.
De juridische dominantie dankte Holland aan de aanwezigheid van de gerechten het Hof van Holland en de Hoge Raad, de prestigieuze Universiteit Leiden en de systematische uiteenzetting over het Rooms-Hollandse recht van Hugo de Groot. Zie Zimmerman 1992, p. 19-25.
De term ‘Rooms-Hollands recht’ is ontleend aan het in 1652 verschenen Kort begrip van het Rooms-Hollands regt van de hand van Simon van Leeuwen en is sindsdien als begrip ingeburgerd.
Op 1 mei 1809 werd het Wetboek Napoleon ingevoerd, dat in 1811 als gevolg van de inlijving bij Frankrijk werd vervangen door de Code civil. Na het herstel van de onafhankelijkheid bleef krachtens de proclamatie van 21 november 1813, Stb. nr. 1, in afwachting van een nationaal wetboek de Franse Code civil van kracht.
Uiteraard wijkt het OBW op meer punten af van de Code civil, waarbij met name de wijze van eigendomsoverdracht kan worden genoemd. Zie voor een vergelijking van de wetboeken Asser 1838.
Zie Voorduin IV, p. 433. Zie ook p. 463 waar uit een redevoering van Sypkens ter zake van het Franse zekerhedenrecht staat geciteerd dat ‘men heeft erkend de noodzakelijkheid der publiciteit en specialiteit der hypotheken, en daardoor tevens het verkeerde van algemeene en verborgene verbanden. Men heeft getracht het goede van beide stelsels te behouden, maar men is geëindigd met het geheel te bederven’. Immers, zo verklaart C. Asser, ‘indien er een algemeen verband konde bestaan, hetwelk, door middel eener enkele inschrijving, op alle de onroerende goederen van den schuldenaar kleefde, dan zoude het voordeel van openbare eigendomsregisters, ten aanzien der onderzettingen, ten eenenmale in rook verdwijnen’. Zie Asser 1838, p. 422
De receptie van het Romeinse recht bereikte vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw ook de Nederlandse gebieden. Mede dankzij de Romeinsrechtelijk geschoolde juristen die op de gerechtshoven werkzaam waren, is het gerecipieerde Romeinse recht het gemene recht van de Republiek geworden. Het werd toegepast ter aanvulling op het inheemse recht dat wordt gekenmerkt door grote verscheidenheid. In theorie was het Romeinse recht de subsidiaire rechtsbron, dat wil zeggen dat het wordt toegepast in die gevallen waarin het plaatselijke gewoonterecht geen uitkomst biedt.1 In de praktijk kwam het Romeinse recht echter vaak op de eerste plaats omdat het bestaan van andersluidend lokaal recht bij gebreke van een codificatie moeilijk te bewijzen was.2
Ieder gewest in de Republiek was soeverein waardoor er geen rechtseenheid bestond tussen de gewesten.3 In dit onderzoek zal alleen aandacht worden besteed aan de rechtsontwikkeling van Holland omdat dit gewest de andere op politiek, cultureel en sociaal vlak domineerde en ook op juridisch gebied de boventoon voerde.4 Het in Holland geldende recht, een specifiek op dat gewest toegesneden mengvorm van Romeins en inheems recht, wordt het Rooms-Hollandse recht genoemd.5
Aan de grote rechtsverscheidenheid kwam eerst onder het centrale gezag van Lodewijk Napoleon een eind door de invoering van het Wetboek Napoleon ingerigt voor het Koninkrijk Holland. Dit wetboek is van Franse origine en ook het eerste burgerlijk wetboek van eigen bodem uit 1838 is sterk geïnspireerd door Frans recht.6 Het lijkt daarom voor een goed begrip van het huidige recht niet van belang om stil te staan bij de rechtsontwikkeling van de Republiek der Verenigde Nederlanden, ware het niet dat de wetgever van het BW van 1838 op het gebied van de zekerheidsrechten bewust van het Franse recht is afgeweken.7 Het Nederlandse zekerhedenrecht, het toepassingsgebied van de prior-temporeregel, is namelijk gegrond op de beginselen van publiciteit en specialiteit, in tegenstelling tot het Franse recht dat zich nooit heeft weten te ontdoen van wettelijke en gerechtelijke hypotheken en bovendien generale hypotheken kent.8 Een bespreking van het Rooms-Hollands recht is relevant omdat de introductie van het specialiteitsbeginsel zich alleen tegen de achtergrond van het Rooms-Hollandse recht goed laat begrijpen. Naar hierna duidelijk zal worden, is het betreffende beginsel ontsproten uit een van de prioriteit afwijkende regel van gewoonterecht.