Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/3.3
3.3 Het bijzondere gaat voor het generale zekerheidsrecht
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS388297:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De vraag naar de rangorde zal pas acuut zijn zodra de debiteur tekortschiet in zijn betalingsverplichting en een van de schuldeisers wil overgaan tot executie van een zaak waarop meerdere zekerheidsrechten zijn gevestigd. Overigens kwam het niet tot een collisie van schuldeisers indien de jongste zekerheidsnemer bezwaarde roerende zaken in vuistpand had verkregen omdat in dat geval het recht van eerdere zekerheidsnemers op die roerende goederen teniet was gegaan. Zie hierboven voetnoot 14.
De in par. 2.2.3 en 2.2.4 besproken uitzonderingen laat ik hier buiten beschouwing.
Zie Voet 20,1,15, alwaar hij dit geval onder Romeins recht bespreekt.
Zie over dit zogeheten beneficium excussionis realis Wolff, diss. 1894 en Zwalve, GrOM 2010, p. 129-146.
Negusantius merkt op dat de billijkheid aan deze regel ten grondslag ligt aangezien de eerste crediteur de rigore iuris (naar de hardheid van de wet) kan uitwinnen wat hij wil, maar in dit geval de aequitate (naar de billijkheid) is gehouden te kiezen voor de speciale hypotheek. Zie Negusantius V, 2, paragraaf 51. Het blijft natuurlijk de vraag waarom deze billijkheid slechts een rol speelde bij cumulatie van een generaal en een speciaal zekerheidsrecht. Zie Wolff, diss. 1894, p. 20 e.v.
De regel wordt bestempeld als exorbitans (buitensporig) en wordt geacht in strijd te zijn met D. 20,4,2 (Papinianus). Zie het bij Negusantius V, 2, paragraaf 51 geciteerde.
Zie Keurboek van 1545, boek IV, nummer 40. Te raadplegen in H.G. Hamaker, De middeleeuwsche keurboeken van de stad Leiden, Leiden: Van Doesburgh 1873, p. 426-427.
Als uitzondering op de toepassing van de prioriteitsregel noemt hij alleen de geprivilegieerde legale hypotheken en diegene die zijn gevestigd bij (quasi-)authentieke akte. Zie Negusantius V, 2, paragraaf 15-28 voor legale hypotheken en paragraaf 47-50 voor de lex scripturas, de door keizer Leo ingevoerde voorrang voor een bij authentieke akte gevestigde hypotheek jegens onderhands gevestigde hypotheken. Bovendien doen de uitvoerige discussie over de uitleg van C. 8,13(14),2 en de stevige kritiek hierop vermoeden dat er geen van de prioriteit afwijkende regel bestaat. Zie Negusantius V, 2, paragraaf 51.
In weerwil van het feit dat de rechtspraak destijds niet werd gepubliceerd, verschaft de in 1617 op naam van Cornelis van Nieustad (Neostadius) uitgegeven verzameling uitspraken (decisiones) van het Hof van Holland en de Hoge Raad enig inzicht in de motivering die aan de beslissing ten grondslag heeft gelegen. Zie Neostadius, dec. 25. Overigens is het auteurschap van de decisiones abusievelijk aan hem toegeschreven; de werkelijke auteur is Pelgrim van Loo. Zie L.J. van Apeldoorn, Uit de practijk van het Hof van Holland in de tweede helft van de zestiende eeuw. Een handschrift (Oud-vaderlandse rechtsbronnen Reeks III, deel 7), Utrecht 1938, p. 1-10.
Bedoeld is te verwijzen naar art. 35.
Art. 35: […] Ende belangende constitutie ende verbande van generale hypotheecque, die nae twee maenden nae de publicatie van desen gedaen sullen worden, deselve en sullen geensins hinderlijck wesen ofte prejudiceren dengheenen die constitutie ofte verbandt van speciael hypotheecque naemaels sullen verkrijgen, sulcks dat degeene dien specialijck eenige onroerende goederen verbonden sullen worden, in deselve speciale hypotheque ende de penningen, daervan procederende, sullen worden geprefereert dengeenen dien onder generale hypotheecque, nae de voorschreve twee maenden na de publicatie van desen, gestelt sal wesen.
Zie Neostadius, dec. 41. De Hoge Raad van Holland werd in 1582 opgericht als opvolger van de Grote Raad van Mechelen, waarna in 1587 ook Zeeland zich aan de rechtsmacht van de Raad onderwierp. Gelet op deze jaartallen zijn de uitspraken in ieder geval gedaan na de publicatie van de Politieke Ordonnantie.
In Amsterdam heeft art. 35 van de Politieke ordonnantie ‘verscheyden questien, processen ende misverstanden veroorsaeckt’. Op 8 maart 1594 werd daarom bij Octrooi door de State van Hollandt verklaard dat ‘altijts geprefereert sullen zijn die geene die ouder recht van verbandt, ’t zy generaal of speciael sal hebben verkregen’. Zie GPB II, nr. 2212.
Zie hierboven voetnoot 11.
De Groot II,48,34. Zo ook Van Leeuwen IV,13,18.
De Groot II,48,38 en 40. Zo ook bij Van Leeuwen IV,13,18.
Zie C. 8,17(18),6.
Groenewegen ad C. 8,17(18),6: ‘Hodie posterior rei immobilis hypotheca specialis praefertur generali anteriori.’
Voet 20,1,16: ‘Quamvis autem Hollandiae jure certum sit, generalem anteriorem hypothecam conventionalem debiliorem esse speciali posteriore, eique postponi.’
Voet 20,1,14 en Van der Keessel, Th. 429.
Rechters hadden destijds de gewoonte hun beslissing niet te motiveren. In het archief van de Hoge Raad zijn dan ook alleen de naam en hoedanigheid van de partijen en de uitspraak van het betreffende geschil terug te vinden. Van Bynkershoek maakte echter persoonlijke notities van zijn werkzaamheden als raadsheer en die geven wel enig inzicht in de motivering van de Hoge Raad. Het maken van aantekeningen werd na zijn dood door Willem Pauw, zijn schoonzoon, op dezelfde wijze voortgezet. De zogenoemde observationes tumultuariae respectievelijk observationes tumultuariae novae zijn in 1918 door Meijers herontdekt en tussen de jaren 1926 en 1972 in acht afzonderlijke delen uitgegeven.
Bynkershoek I, nr. 272 en II, nr. 1166 en 1561.
De gewoonterechtelijke regel bestond in ieder geval in Vlissingen, zie Pauw I, nr. 187 en 267 en vermoedelijk ook in Zierikzee, zie Bynkershoek I, nr. 77. In Friesland daarentegen heeft de betreffende regel geen ingang gevonden. Daar was de Romeinsrechtelijke regel van C. 8,17(18),6 onverkort van kracht, zie Huber II,50,41.
Voor de duidelijkheid zij opgemerkt dat uiteraard niet iedere legale hypotheek is geprivilegieerd.
Zie bijvoorbeeld Bynkershoek II, nr. 1166, waar zelfs de geprivilegieerde hypotheekhouder geen volledige voldoening van zijn vordering kreeg.
Zie Bynkershoek II, nr. 1155 en 1166.
Zie bijvoorbeeld Bynkershoek I, nr. 58, 429, 444 en II, nr. 1177, 1187 en 1800.
Zie Voet 20,4,28.
De beschikkingsbevoegdheid van een schuldenaar ten aanzien van zijn zaak wordt door de vestiging van een zekerheidsrecht op die zaak niet aangetast. Het staat hem derhalve vrij zijn zaak ten behoeve van meerdere schuldeisers te verpanden. Als een schuldenaar zulks heeft gedaan, rijst de vraag hoe de verschillende schuldeisers met een zekerheidsrecht op dezelfde zaak zich onderling verhouden.1 Naar Romeins recht werden geschillen tussen verschillende hypotheekhouders uitsluitend beslecht aan de hand van de prior-temporeregel.2 Een schuldeiser met een ouder zekerheidsrecht had voorrang boven een schuldeiser met een jonger recht. Het maakte geen verschil of sprake was van een generaal of bijzonder zekerheidsrecht en ook niet of het bezit van de zaak aan de schuldeiser was verschaft.
Een consequentie van de exclusieve toepassing van de prioriteitsregel onder het gemene recht is dat het een crediteur met een eerder gevestigd generaal zekerheidsrecht vrijstond dát goed uit te winnen dat tevens speciaal ten behoeve van een latere crediteur was verpand. De latere crediteur stond bloot aan de willekeur van de oudste schuldeiser bij de uitoefening van zijn recht. Deze was niet gehouden om enige zorgvuldigheid jegens de tweede crediteur te betrachten.3 Dat was slechts anders, zo blijkt uit C. 8,13(14),2, indien de eerste zekerheidsnemer zowel een generale als een speciale hypotheek had en een tweede zekerheidsnemer een speciaal zekerheidsrecht.4 Dan moest de eerstgenoemde, mits dat voor zijn vordering voldoende verhaal bood, eerst zijn speciale hypotheek uitwinnen.5 Hieruit moet echter niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat een latere speciale boven een eerdere generale hypotheek werd gesteld. De regel uit C. 8,13(14),2 werd in zijn toepassing beperkt tot het aldaar beschreven geval.6
Tot de tweede helft van de zestiende eeuw werd de prior-temporeregel onverkort toegepast in geschillen tussen schuldeisers met een goederenrechtelijk zekerheidsrecht op dezelfde zaak. Zo vermeldt een Leidse Keur uit 1545 dat de crediteur met het oudste zekerheidsrecht voorrang heeft boven diegene met een jonger recht.7 Ook de laatmiddeleeuwse commentator Antonius Negusantius (1465-1528) hield sterk vast aan de toepassing van de prioriteitsregel.8 Het Hof van Holland besliste in een geschil tussen crediteuren met verschillende – speciale en generale – zekerheidsrechten eveneens dat
‘de praeferentie behoort te geschieden naar de datums van de constitutie-brieven in alle de penningen promiscue gekomen van de verkogte speciale ende generale landen ende hypotheken’.9
Het hof rangschikt de schuldeisers naar het tijdstip van de vestiging van de hypotheek, zonder onderscheid te maken tussen generale en speciale hypotheken. Van groter belang is hetgeen onder deze beslissing staat aangetekend:
‘Dit heeft plaats gehadt voor het publiceren van de Politijke ordonnantie maar cesseert nu. vide art. 34, van de selve.’10
Hieruit volgt dat de Politieke Ordonnantie van Holland van 1 april 1580 voor de verhouding tussen generale en bijzondere hypotheekhouders een van de prior-temporeregel afwijkende regeling heeft geïntroduceerd. Artikel 35 bepaalt dat een crediteur met een speciale hypotheek op een onroerende zaak wordt geprefereerd boven een crediteur met een generale hypotheek, ook al is de generale hypotheek eerder gevestigd.11 Deze regel die ten faveure van speciale hypotheekhouders werkt, heeft sindsdien ook zijn ingang gevonden in de rechtspraak van de Hoge Raad.12 Voor de stad Amsterdam werd krachtens een bijzonder privilege een uitzondering gemaakt en daar bleef dus het ius commune van kracht.13 Ook op hypotheken op roerende goederen bleef de prioriteitsregel van toepassing omdat het gewoonterecht alleen ten aanzien van hypotheken op onroerende goederen van het ius commune afweek.
De voor de rangorde tussen bijzondere en generale hypotheken op onroerend goed geldende stelregel ‘bijzonder gaat voor generaal’ is sindsdien bij de rechtsgeleerden onomstreden. De Groot schrijft in zijn Inleiding dat een bijzondere jongere hypotheek op een onroerende zaak, mits voldaan aan de vestigingsvereisten,14 meer kracht heeft dan een oudere generale.15
Ook bij De Groot is de uitzondering voor Amsterdam te vinden, alwaar zonder onderscheid tussen bijzondere en algemene hypotheken de oudere voor de jongere gaat.16
Het Romeinse recht bepaalt uitdrukkelijk dat de crediteur met het oudste zekerheidsrecht, ook al is het een generale hypotheek, niet lastig dient te worden gevallen door latere crediteuren, simpelweg omdat zijn zekerheidsrecht eerder is gevestigd.17 Simon van Groenewegen van der Made (1613-1652) merkt in zijn gezaghebbende uiteenzetting over de rechtskracht van het Romeinse recht in Holland, Tractatus de legibus abrogatis et inusitatis (verhandeling over afgeschafte en in onbruik geraakte bepalingen) bij C. 8,17(18),6 dan ook op:
Tegenwoordig heeft een speciale hypotheek op een onroerende zaak voorrang boven een vroegere generale hypotheek.18
Groenewegen voegt hier onmiddellijk aan toe dat in Amsterdam het ius scriptum blijft gehandhaafd, waarmee hij het geschreven Romeinse recht bedoelt.
Ook Voet stelt onder verwijzing naar de Politieke Ordonnantie dat het naar Hollands recht duidelijk is dat een eerder gevestigde conventionele generale hypotheek wordt achtergesteld bij een later gevestigde speciale.19 Uit deze passage blijkt dat de toepassing van de inheemse rechtsregel was beperkt tot conventionele hypotheken. Ten aanzien van legale hypotheken gold geen bijzondere regeling zodat een generale legale hypotheek rang innam naar het tijdstip van totstandkoming.20 In een conflict tussen een conventionele speciale hypotheek en een legale generale hypotheek van eerdere datum moest de conventionele speciale hypotheek wijken voor een oudere legale generale hypotheek omdat de uitzondering op de prior-temporeregel alleen voor de speciale hypotheek jegens een conventionele generale hypotheek gold.
De stelregel ‘bijzonder gaat voor algemeen’ – die dus is beperkt tot speciale hypotheken op onroerende zaken jegens conventionele generale hypotheken – volgt ook uit de achttiende-eeuwse rechtspraak van de Hoge Raad. In de Observationes Tumultuariae (niet systematisch geordende beschouwingen) van Cornelis van Bynkershoek (1673-1743), raadsheer in de Hoge Raad vanaf 1704 en in 1724 benoemd tot president, is de betreffende regel op ver-scheidene plaatsen terug te vinden.21 De Hoge Raad bevestigt de toepassing van de Politieke Ordonnantie door in faillissementskwesties een schuldenaar met een speciaal zekerheidsrecht op een onroerende zaak boven schuldenaren met een generaal zekerheidsrecht te rangschikken.22 Daarnaast blijkt uit de rechtspraak dat de bovengenoemde stelregel ook buiten het gewest Holland van kracht was. Het gewoonterecht van sommige plaatsen in Zeeland, waar de Politieke Ordonnantie uiteraard niet gold, gaf namelijk een jongere speciale hypotheekhouder eveneens de voorkeur boven een schuldeiser met een generale hypotheek.23
De aantekeningen van Van Bynkershoek illustreren tevens de frustrerende werking die de geprivilegieerde legale hypotheken hadden op de rechtszekerheid.24 Schuldeisers met een conventionele hypotheek liepen het risico hun vordering niet volledig te kunnen verhalen omdat sommige andere schuldeisers die hun zekerheidsrecht ontleenden aan de wet werden geprivilegieerd. In vele conflicten tussen crediteuren omtrent hun rangorde nam degene met een dergelijk geprivilegieerd zekerheidsrecht de eerste plaats in, waarna niets meer voor de overige schuldeisers resteerde.25
Ook verschaffen de observationes inzicht in de wijze waarop de geprivilegieerde hypotheken zich onderling verhielden. Op de eerste plaats kwam de executant voor de kosten van de executie, gevolgd door de fiscus die rang innam voor de overige legale geprivilegieerde hypotheekhouders.26 Zo liet de timmerman aan wie een hypotheek toekwam voor de kosten die hij heeft gemaakt voor het onderhoud of de reparatie van de zaak de fiscus voorgaan en ook de pupil met een geprivilegieerde stilzwijgende hypotheek op het vermogen van zijn voogd tot zekerheid van de eventuele vorderingen die hij tegen zijn voogd mocht krijgen, nam rang in na de fiscus.27
Indien aan een legale hypotheek geen geprivilegieerde werking toekwam, werd haar rang bepaald aan de hand van het tijdstip van totstandkoming. Voet stelt dat het voor de toepassing van de prior-temporeregel niet uitmaakt of er sprake is van conventionele of legale hypotheken, met dien verstande dat de prioriteitsregel alleen jegens een generale conventionele hypotheek door het gewoonterecht opzij wordt gezet.28 Een conventionele generale hypotheek moest dus iedere speciale hypotheek voor laten gaan en had alleen een sterkere positie ten opzichte van jongere conventionele generale hypotheekhouders en – uiteraard – onverzekerde schuldeisers.