Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/1.7
1.7 Structuur en methode van onderzoek
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS454018:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit geldt met name voor 2.2-2.4 waarin in het kader van het onderzoek naar de factoren in het recht die bepalen wanneer het begrip godsdienst wordt uitgelegd besproken wordt wat volgens de standaardjurisprudentie de betekenis is van de grondwettelijke en in het EVRM opgenomen term godsdienst.
Voor wat betreft de keuze van deze onderwerpen heb ik mij mede laten inspireren door Norman Doe die een vergelijkende studie heeft geschreven over de plaats van religie binnen het geldende recht van diverse Europese staten. Zie Doe 2011.
De onderwerpen 2-4 kunnen niet goed worden onderverdeeld in rechtsgebieden omdat ze betrekking hebben op meerdere (klassieke) rechtsgebieden.
Bijvoorbeeld in het migratierecht bij de aanvraag van de verblijfsvergunning regulier. Daarin speelt het kwalificatievraagstuk ten aanzien van het verblijfsdoel van verschillende geestelijke ambten zoals voorganger, zendeling, vrijwilliger, kloosterling. De vraag is dan of het verblijfsdoel van deze functionarissen kan worden gekwalificeerd als ‘arbeid in loondienst’. Zie hierover Zondag 2005, p. 10, 11. Een ander voorbeeld is het mediarecht waarin in het verleden kwalificatievragen aan de orde waren over de kwestie welke kerken en religieuze of levensbeschouwelijke organisaties in aanmerking konden komen voor zendtijd. Zie De Goede, TvRRB 2012-1.
Zie voor de ‘selectie’ van wetgeving en jurisprudentie deel III onder het kopje ‘Opzet analyse’.
Het onderzoek bestaat uit een theoretisch deel (hoofdstuk 2-4), een positiefrechtelijk deel (hoofdstuk 5-19), een concluderend deel (hoofdstuk 20) en een betogend deel (hoofdstuk 21). Het theoretische gedeelte vormt een wegbereiding voor de beantwoording van de bovengenoemde (sub-)onderzoeksvragen aan de hand van de analyse van het positieve recht. Tegelijkertijd geeft het theoretische gedeelte, in zoverre het abstracte gezichtspunten verbindt met de werking van het positieve recht, ook reeds een eerste aanzet voor de beantwoording van de (sub-)onderzoeksvragen.1 Het theoretisch gedeelte heeft de werking van een lens die steeds verder wordt verbreed, waardoor de problematiek rond het begrip godsdienst vanuit meerdere niveaus kan worden begrepen. Het bestaat uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel is positiefrechtelijk van aard (hoofdstuk 2), het tweede onderdeel rechtstheoretisch (hoofdstuk 3) en het derde onderdeel rechtsfilosofisch (hoofdstuk 4). Het eerste onderdeel is een analyse van de factoren in het rechtssysteem die bepalen wanneer in het recht juridisch betekenis aan het fenomeen godsdienst wordt geschonken. Het tweede onderdeel is een bespreking van de verschillende wijzen waarop het begrip godsdienst kan worden uitgelegd, zoals we die kunnen afleiden uit de juridische literatuur en de rechtspraktijk. In dit gedeelte reflecteer ik op het recht vanuit een juridisch-dogmatisch perspectief (dus nog binnen het paradigma van de rechtsgeleerdheid). Het derde onderdeel is relevant voor de tweede (sub-)onderzoeksvraag: ‘Binnen welk politiek-filosofisch kader kan het juridische begrip van godsdienst worden geplaatst?’ In dit gedeelte reflecteer ik vanuit een metajuridisch perspectief (politiek-filosofisch) op het juridische begrip van godsdienst.
Het positiefrechtelijke gedeelte bestaat uit de analyse van een aantal onderwerpen binnen verschillende rechtsgebieden.2 Het gaat om de volgende onderwerpen:
de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel vanwege vervolging op grond van godsdienst (asielrecht);
de wettelijke uitzondering die de (religieuze) rituele slacht mogelijk maakt;
het dragen van kleding en omgangsvormen die zijn bedoeld als religieuze uiting;
de eedsaflegging;3
het verbod op godslastering (strafrecht);
het verbod op discriminatie en de belediging van religieuze groepen (strafrecht);
belediging van groepen op grond van religieuze overtuigingen en religie als strafuitsluitingsgrond (strafrecht);
de betekenis van het kerkgenootschap (rechtspersonenrecht);
de inrichtingsvrijheid van het kerkgenootschap (rechtspersonenrecht);
de ANBI-regeling voor kerkgenootschappen (belastingrecht);
de eredienstvrijstelling in de onroerendezaakbelasting (belastingrecht);
religieuze uitingen en gedragingen in het openbaar onderwijs (onderwijsrecht);
de richtingsvrijheid van het bijzonder onderwijs en de daarmee verbonden individuele rechten (onderwijsrecht);
de inrichtingsvrijheid van het bijzonder onderwijs (onderwijsrecht).
De onderwerpen worden in bovenstaande volgorde besproken. Deze is enigszins willekeurig. Wel heb ik geprobeerd om de onderwerpen die voor de begripsvorming in elkaars verlengde liggen na elkaar te behandelen. Zo bespreek ik eerst het godslasteringsverbod en ga daarna in op andere onderwerpen waarin de (religieuze) vrijheid van meningsuiting aan de orde is. Ook ga ik eerst in op het onderwerp van het kerkgenootschap om vervolgens de vrijheid van het kerkgenootschap te analyseren. In dat opzicht ligt het ook voor de hand om de belastingvrijstellingen van onder andere kerkelijke instellingen pas te bespreken nadat eerst in algemene zin het kerkgenootschap en haar vrijheid aan bod is gekomen. Dezelfde logica is toegepast bij de onderwerpen binnen het onderwijsrecht. Voor een goed begrip van de inrichtingsvrijheid van het bijzonder onderwijs is het zinvol om eerst apart het openbaar en bijzonder onderwijs te bespreken.
De grote variatie van de te analyseren onderwerpen geeft een overzicht van de gehele breedte van het nationale recht voor wat betreft de wijze waarop het begrip godsdienst wordt uitgelegd. Naar aanleiding van dit onderzoek zijn er algemene conclusies getrokken over het juridische begrip van godsdienst. Er is echter niet gepoogd om een uitputtend beeld te geven. Er zijn een beperkt aantal onderwerpen niet in het onderzoek meegenomen.4 Het onderzoek beoogt niet een volledige weergave te geven van de uitleg van het begrip godsdienst. Wel is gepoogd om de belangrijkste onderwerpen in het recht waar het begrip van godsdienst een rol speelt in het onderzoek te betrekken.5
In het theoretisch gedeelte analyseer ik relevante rechtsdogmatiek, -geschiedenis, -filosofie en becommentariërende teksten over wetgeving en standaardarresten. Het onderscheid tussen het theoretisch en het positiefrechtelijk gedeelte is niet heel scherp in de zin dat in beide gedeelten veel overlap is in de te analyseren bronnen. Het verschil is dat het theoretisch gedeelte gericht is op de beschrijving van de dogmatiek en achtergronden, op de theorie dus, en dat het positiefrechtelijk gedeelte een analyse vormt van het geldend recht op grond van wetgeving, parlementaire publicaties en jurisprudentie. Beide zijn vormen van tekstanalyse.
Het concluderende deel vormt de basis waarop ten slotte in het betogende deel van het onderzoek het huidige juridische begrip van godsdienst wordt bekritiseerd en er aanbevelingen worden gedaan ter verbetering van dit begrip.