Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.3.2.3
3.3.2.3 ‘Charge’-begrip
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS483379:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 27 februari 1980 (Deweer t. België), NJ 1980, 561, § 46. Vgl. EHRM 10 december 1982 (Foti e.a. t. Italië), § 52, waarin het Hof overweegt dat een criminal charge onder omstandigheden de vorm van andere maatregelen dan een officiële kennisgeving kan aannemen, die een aanklacht impliceren en dienovereenkomstig de situatie van de verdachte wezenlijk beïnvloeden. Zie voorts EHRM 15 juli 1982 (Eckle t. Duitsland), § 73; EHRM 21 februari 1984 (Öztürk t. Duitsland), NJ 1988, 937 (m.nt. Alkema), § 55; en EHRM 21 december 2000 (Quinn t. Ierland), § 41.
EHRM 19 februari 2009 (Shabelnik t. Oekraïne), § 52. Illustratief voor de feitelijke invulling van het ‘charge’-begrip zijn de overwegingen in § 49 in EHRM 10 januari 2008 (Lückhof en Spanner t. Oostenrijk). Zie meer recent EHRM 18 februari 2010 (Aleksandr Zaichenko t. Rusland), § 42, met verwijzing naar de zaken Eckle en O’Halloran en Francis: ‘The Court reiterates that in criminal matters, Article 6 of the Convention comes into play as soon as a person is ‘charged’; this may occur on a date prior to the case coming before the trial court, such as the date of arrest, the date when the person concerned was officially notified that he would be prosecuted or the date when preliminary investigations were opened (…).’
EHRM 18 februari 2010 (Aleksandr Zaichenko t. Rusland), § 42.
In deze zin: Schalken, noot onder HR 29 oktober 1996, NJ 1997, 232, pt. 9.
Van het ‘criminal’-begrip moet worden onderscheiden het ‘charge’-begrip ofwel de straf(achtige) aanklacht tegen de verdachte. Terwijl het ‘criminal’-begrip het al dan niet punitieve karakter van een sanctie bepaalt, maakt het ‘charge’-begrip duidelijk wat het (feitelijke) beginpunt van de procedure is waarin die sanctie wordt opgelegd. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat het ‘charge’-begrip niet is beperkt tot de officiële kennisgeving (‘official notification’) van de bevoegde autoriteiten aan een individu dat hij een strafbaar feit heeft begaan. Het ‘charge’-begrip strekt zich ook uit tot maatregelen van de vervolgende autoriteiten die een strafaanklacht impliceren en dienovereenkomstig de situatie van de verdachte wezenlijk beïnvloeden (‘substantially affected’).1
Materieel begrip
Dit zogenoemde beïnvloedingscriterium past in de opvatting van het Hof dat het criminal charge-begrip los van de nationale rechtsorde van de verdragsstaten moet worden uitgelegd. Vgl. de zaak Shabelnik, waarin het Hof overweegt dat het moment waarop art. 6 toepasselijk is in strafachtige zaken afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, omdat de prominente plaats die het recht op een behoorlijk proces in een democratische samenleving inneemt, noopt tot een materiële en niet zozeer een formele opvatting van het ‘charge’-begrip. Het Hof zal zo nodig achter de verschijningsvorm moeten kijken en de realiteit van de onderwerpelijke procedure moeten nagaan.2 In Aleksandr Zaichenko noemt het Hof als voorbeelden het moment van arrestatie, het moment waarop de betrokkene wordt geïnformeerd over zijn vervolging en het moment waarop het vooronderzoek aanvangt.3
Meer in het algemeen kan worden gezegd dat, omdat het Hof van oordeel is dat ook andere dan officiële overheidshandelingen de situatie van de verdachte wezenlijk kunnen beïnvloeden, de ‘charge’ in de Straatsburgse rechtspraak gaandeweg een meer materiële betekenis heeft gekregen.4