Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/IV.4.5
IV.4.5 Ontslagname door de niet-uitvoerende bestuurder
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242706:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Evenzo Abma e.a. 2017, p. 27.
Aldus de Hoge Raad in HR 15 april 2005, NJ 2005, 483; JOR 2005/144 m.nt. Witteveen (Ciris/Bartelink).
Zie art. 3:37 lid 3 BW. Zie voorts met betrekking tot de ‘gewone’ bestuurder HR 8 december 1989, NJ 1990, 452 m.nt. Maeijer (DRC/Kenmus).
Ik leid dit af uit HR 15 april 2005, NJ 2005, 483; JOR 2005/144 (Ciris/Bartelink).
Aldus ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/261. Zie hierover Abma e.a. 2017, p. 27.
Zie best practice bepaling 2.2.3 van de Code.
In dezelfde zin Kleipool, Van Olffen & Roelvink 2017, p. 89.
Kleipool, Van Olffen & Roelvink 2017, p. 89.
Evenzo Kleipool, Van Olffen & Roelvink 2017, p. 89.
In gelijke zin Abma e.a. 2017, p. 27.
In de vorige paragrafen stond ik stil bij de wijzen waarop de niet-uitvoerende bestuurder kan worden geschorst en ontslagen. Andersom kan de niet-uitvoerende bestuurder natuurlijk ook zelf ontslag nemen. Dit laatste zal in de praktijk zelfs vaker aan de orde zijn.1
De niet-uitvoerende bestuurder kan zijn functie neerleggen door een verklaring omtrent de ontslagname in te dienen bij de vennootschap. De verklaring hoeft niet door de vennootschap te worden aanvaard.2 Voor de effectuering van de beëindiging van het niet-uitvoerende bestuurderschap is slechts vereist dat de tot de vennootschap gerichte verklaring de vennootschap heeft bereikt.3 Stapt de niet-uitvoerende bestuurder uit eigen beweging op, dan eindigt in beginsel ook zijn arbeids- of opdrachtovereenkomst.4 Ik kom hier in § IV.4.6 op terug.
Het tussentijdse aftreden zal overigens niet altijd op eigen initiatief van de niet-uitvoerende bestuurder geschieden. Het voortijdige vertrek kan ook zijn ingegeven door druk van de algemene vergadering of enkele (groot)aandeelhouders.5 De niet-uitvoerende bestuurder van een beursvennootschap moet zijn functie op grond van de Code bovendien neerleggen bij onvoldoende functioneren, structurele onverenigbaarheid van belangen of wanneer dit anderszins naar het oordeel van de niet-uitvoerende bestuurders geboden is.6
De eerste twee gronden zijn weinig verassend. Verdedigbaar is dat deze gronden voortvloeien uit de plicht van de niet-uitvoerende bestuurder om redelijk en billijk te handelen uit art. 2:8 BW.7 De derde grond leidt daarentegen tot de nodige kritische geluiden. Zo wijzen Kleipool, Van Olffen en Roelvink er mijns inziens terecht op dat deze grond op gespannen voet staat met de in § IV.4.2 en § IV.4.3 beschreven wettelijke ontslagregelingen.8 Best practice bepaling 2.2.3 van de Code verschaft de niet-uitvoerende bestuurders immers een middel om het opstappen van een individuele niet-uitvoerende bestuurder te bewerkstelligen, terwijl de wet niet toelaat dat de bevoegdheid tot ontslag bij de niet-uitvoerende bestuurders ligt. In de praktijk is het niettemin vanzelfsprekend dat de niet-uitvoerende bestuurder aftreedt wanneer hij geen vertrouwen meer geniet van zijn collega niet-uitvoerende bestuurders.9
Vertrekt de niet-uitvoerende bestuurder tussentijds, dan moet de beursvennootschap op grond van voornoemde best practice bepaling een persbericht uitbrengen. Dit persbericht moet de reden van het vertrek bevatten. Weigert de niet-uitvoerende bestuurder op te stappen, dan ligt het voor de hand dat zijn ontslag geagendeerd wordt voor de eerstvolgende algemene vergadering.10